Het denken blijft doorgaan

Auteur: basvangeenen (Pagina 2 van 6)

Dekker en Darwin

Het gaat goed met de wereld, vindt de godsdienstsocioloog Gerard Dekker. Natuurlijk, overal hoor je van crisis. Maar als je de cijfers op een rij zet, is er veel minder reden voor pessimisme dan je zou denken. Neem de extreme armoede. Wereldwijd is die tussen 1990 en 2010 met de helft verminderd. Of het oorlogsgeweld. Her en der zijn er plaatselijke conflicten. Maar hoe tragisch ook, qua slachtofferaantallen halen ze niet bij de slachtingen van de vroegere wereldoorlogen. Op de keper beschouwd leven we in een van de vredelievendste tijdperken ooit. Met bovendien een wereldwijd verminderde acceptatie van sociaal geaccepteerd geweld. Denk aan slavernij, martelen, geweld tegen vrouwen, kinderen en dieren. Denk ook aan de opkomst van de  internationale rechtshandhaving. Notoire mensenrechtschenders komen veel minder makkelijk weg met hun misdaden dan pakweg dertig jaar terug. Kortom het gaat steeds beter met de wereld en hetzelfde geldt voor de verhoudingen tussen de mensen onderling en voor hun persoonlijk leven. Er is meer gelijkheid. En meer mondigheid. Of je nu levensstandaard, onderwijs, levensloop of gezondheid neemt, het gaat op alle fronten beter dan honderd tot honderdvijftig jaar geleden. Aldus Dekker. En inderdaad, er is veel voortuitgang, al zie ik die niet overal waar hij die wel ziet.

Zo denk ik bij grote slachtofferaantallen onvermijdelijk aan Rwanda waar in 1994 in honderd dagen tussen de 500.000 en één miljoen mensen werden vermoord. Zo’n hedendaagse verschrikking kan royaal tegen die van vroeger op. Ook weet ik niet of de maatschappelijke ontwikkelingen allemaal in de richting van meer gelijkheid lopen. In de Verenigde Staten, toch een maatschappelijke en culturele koploper, is het verschil tussen rijk en arm al sinds de jaren zeventig aan het oplopen. Inmiddels zijn we weer terug op het niveau van 1928. Een soortgelijke ontwikkeling zie je in het Verenigd Koninkrijk. Evenmin weet ik of het me (in verband met de toename van het aantal echtscheidingen) ‘niet veel moeite kost de gunstige kant van de ontwikkelingen rond het huwelijk te benadrukken’ . Natuurlijk, mensen hebben de lat wat betreft hun relatie steeds hoger gelegd en zijn mondiger geworden waardoor ze makkelijker kunnen stoppen met een uitzichtloos huwelijk. Toch zou ik er mijn hand niet voor in het vuur durven steken dat het merendeel van de echtscheidingen berust op mondige overwegingen van het moderne brein en niet op atavistische lust.

Maar, ook al is het niet overal vooruitgang wat de klok slaat, Dekker heeft gelijk: vooruitgang is er wel degelijk. Heeft al die vooruitgang ook te maken met de komst van Gods Koninkrijk? Het Koninkrijk, waarvan gelovige christenen zich zo vaak, met Gerard Reve, afgevraagd hebben of daar nog wat van komt. Is die laatste vraag terecht als je alle vooruitgang ziet? Of heeft die vooruitgang niets te maken met Gods Rijk? Dekker vindt van wel en beroept zich op oude papieren. Christendom en vooruitgang hebben altijd iets met elkaar gehad. Het christendom is ooit begonnen als een vernieuwende beweging, die in een mum van tijd de oude kaders van het klassieke heidendom sloopte. De christelijke boodschap dat voor God alle mensen gelijk zijn had een geweldige revolutionaire kracht. Het christendom was een motor van vernieuwing.

Helaas, die tijd ligt achter ons. Het revolutionaire elan is gedoofd. Het christendom is een conservatieve kracht geworden. Al lang geen motor meer. Eerder een rem. Je kunt geen moderne ontwikkeling noemen, of het christendom was tegen. Evolutie, (homo)seksualiteit, socialisme, vrouwenemancipatie, het christendom trapte op de rem. Het beschouwt moderne ontwikkelingen negen van de tien keer als voortbrengsels van de antichristelijk geest van de Verlichting. Een geest die zich van God en gebod niets aan zou trekken. In de relatie tussen christendom en vooruitgang zie je tegenwoordig steeds hetzelfde patroon. Zodra zich een vernieuwing aan dient, tekent het christendom verzet aan. Denk aan abortus en euthanasie, homohuwelijk, stamcelonderzoek of langer geleden eigen rechten voor de vrouw. Na die eerste afwijzing volgt een geleidelijke aanpassing en tenslotte de acceptatie. Dekker vindt al dat remmen en tegenstreven niet alleen gênant, hij vindt het ook in strijd met het christelijk geloof zelf. De mondigheid, het streven naar autonomie die de geest van de Verlichting kenmerkt, ziet hij niet als concurrent van het christendom. Integendeel. Het is er de vrucht van. Een offspring, een loot aan de christelijke stam.

Dekker schreef eerder over de Duitse theoloog Bonhoeffer. Bonhoeffer vond dat God de verantwoordelijkheid voor de wereld heeft overgedragen aan ons, aan de mensen. Als een lijdende God laat God zich uit de wereld wegdrukken. Wij moeten zelf aan het werk. We zijn autonoom geworden. Ook tegenover God. Dat gaat ver. God, zegt Bonhoeffer, ‘schikt zijn goddelijke wil naar jullie wil.’

Dekker ziet een stuwkracht van God die zich realiseert in wat mensen de afgelopen eeuwen aan vooruitgang tot stand gebracht hebben. Ook buiten het christendom om. Dat betekent overigens geen kritiekloze acceptatie van alles wat de vooruitgang oplevert. Dekker herhaalt dat een paar keer. Niet afwijzend betekent nog niet onkritisch.

Tegelijk met Dekkers boek las ik Het verdriet van Darwin van de Belgische psycholoog Jan de Laender dat al wat langer geleden, in 2004, uit kwam. Bij Darwin ging het precies als Dekker beschrijft. Opgegroeid in de Anglicaanse Kerk ontwikkelde hij zijn evolutietheorie buiten kerk en christendom om. Van beide nam hij afstand, hoewel hij zich altijd heel zorgvuldig over kerk en geloof uit liet. Andersom kan dat niet gezegd worden. De kerk was en is niet blij met zijn evolutietheorie en stak dat niet onder stoelen of banken. Niet dat de wetenschap zich daar veel van aan trok. De op Darwins denkbeelden gebaseerde moderne biologie is een van de belangrijkste krachten van vooruitgang.

Het contrast tussen ‘Darwin en Dekker’ trof me, omdat Darwin in de natuur weinig tekenen van mondige doelgerichtheid zag. Integendeel. ‘Voor mij bevat de wereld te veel pijn.’, schrijft hij in mei 1860 aan een Amerikaanse vriend. ‘Ik kan mezelf er niet van overtuigen dat een liefhebbende en almachtige God de Ichneumonidae (sluipwespen) geschapen zou hebben opdat ze het levende lichaam van rupsen van binnenuit zouden opvreten…’ De sluipwespen volgen hun natuur. Zonder dat God daaraan ter pas komt. Zo doen ze nu eenmaal. Geldt hetzelfde voor wat wij ‘vooruitgang’ noemen?

Hoe diep hij ook doordrong in de geheimen van de natuur,  in zijn hart meende Darwin dat de diepste waarheid niet gevonden kon worden, dat er iets bestaat waarin we niet kunnen doordringen en dat het ondragelijk zou zijn als dat wel zou gebeuren, omdat die waarheid ons zou beroven van al onze illusies over onszelf, onze autonomie, onze vrijheid.  De Ichneumonidae hebben geen doel. Net zo min als de dood die plotseling toeslaat en ons ontredderd achterlaat. Die waarheid is, als je er goed over na denkt, onverdraaglijk.

Vanuit Darwin keek ik naar Dekker en zijn optimisme, zijn (terechte) voldoening over wat er allemaal goed gaat op deze aarde. Houdt dat alles stand bij de confrontatie met de wereld van de pijn, de dood en de sluipwespen?

Achter die vraag van mij zit de vraag naar de kern van het christelijk geloof. Is het christelijk geloof een weg tot mondigheid? Of is geloof een manier om te verdragen dat diepste waarheid uiteindelijk niet gevonden wordt? Is Christus, die stierf met een onbeantwoord Waarom op de lippen, ons in dat laatste voorgegaan? Of was Christus de eerste mondige mens?

In het laatste geval, als christelijk geloof uiteindelijk mondigheid is, kun je stellen dat Koninkrijk Gods en vooruitgang in elkaars verlengde liggen, al vallen ze niet naadloos samen. In het tweede geval is het christendom een niche, een lichtplek in zinloosheid. Van dat plekje mag iedereen zeggen dat het berust op illusie. Dat de natuur geen lichtplekken van zin kent. Dat mag. Als ik maar mag zeggen dat ik het daar, in alle mondigheid, toch in wil uithouden.

Gerard Dekker, Dat Koninkrijk,  verwachten we dat nog?

Over de ontwikkeling van de samenleving en de houding van het christendom daartegenover.

Meinema,€ 12,95

Jan de Laender, Het verdriet van Darwin.

Over de pijn en de troost van het rationalisme.

Acco, Leuven/ Den Haag, € 25,00

trein

Volgende maand is het al weer twee jaar geleden dat Aartje stierf. Twee jaar van gewenning. Gewenning dat ze er nooit meer zal zijn. Het went nooit. Al heeft de tijd haar van ons weggedreven, het gevoel van verlies lijkt eerder sterker te worden. Nog steeds ontroert het me als ik iets tegenkom dat haar aanwezigheid oproept. Als iemand iets over haar vertelt, haar in herinnering roep, zodat ze dichtbij komt. Wat mis ik haar. Tranen in mijn ogen.

Maar wát mis ik eigenlijk als ik aan haar denk? Het is nog moeilijk genoeg om dat aan te geven en ik denk dat dat komt door de verbondenheid die ik met haar voel. Die verbondenheid maakt, dat haar verlies niet alleen voelt als gemis, maar vooral als iets dat kapot is in mij zelf. Diep van binnen in mijn eigen Ik is een gapend gat.

Dat voelt anders dan verdriet dat je kunt hebben om iemand die verder van je af stond. Meestal kun je vrij goed omschrijven wat hij (of zij) voor je betekende. Daardoor kun je behoorlijk scherp aangeven wat je mist nu hij er niet meer is. Welke gesprekken, welke ontmoetingen er niet meer zullen zijn. Op welke plekken je nooit meer zult komen omdat je elkaar dáár altijd zag. Naar mate je ouder wordt, raakt de wereld steeds voller met zulke plekken. Vroeger kwam je er geregeld. Met hem of haar. Maar door de dood heb je er niets meer te zoeken. Altijd als ik langs zo’n plek rijd, voel ik melancholie. Het beeld van de gestorvene rijst op. Ik zie haar weer zitten. Aan ons vaste tafeltje. Ik voel het gemis, hoor zijn stem. Voel me verbonden. Tegelijk voel ik de kloof die ons nu scheidt. Het doet me denken aan een treintje, een locomotiefje en een sleep wagonnetjes. Eén wagonnetje is losgekoppeld. Het treintje rijdt verder. Het is een ander treintje. Eén wagonnetje ontbreekt. Maar het treintje rijdt.

Bij haar dood is dat anders. Haar dood heeft iets in mijzelf kapot gemaakt. Definitief. Er is niet zo maar even een wagonnetje losgekoppeld. Er is iets met het locomotiefje. Normaal gesproken kun je pas zeggen wat iets voor je betekent, als het er niet meer is. Dat geldt voor de timmerman met zijn gebroken hamer net zo goed als voor de computergebruiker na een computercrash. Maar toen Aartje stierf, werd ik met stomheid geslagen. Ik voelde hoeveel ze voor mij betekende. Maar wat? Zelfs na twee jaar valt me dat nog moeilijk. Mijn hele bestaan is overhoop gehaald. Dat is wel zeker. Maar in welke zin, met welke consequenties? Daar heb ik nu twee jaar over kunnen denken.

Ik heb me nooit gerealiseerd heb hoe sterk mijn geluk verbonden was met haar geluk. Te sterk? Ik weet het niet. Het was zo. Als het niet goed met haar ging, ging het niet goed met mij. Als de herfst te lang duurde of de winter te somber was, belde ik haar, aten we samen een broodje. Als ik haar op de fiets aan zag komen, lang lijf, witte dopjes in het oor, was de herfst al minder deprimerend, de winter minder somber. Of we aten met z’n drieën in ons favoriete restaurant. Als we naar huis reden, zeiden we, haast als een mantra: “Wat heerlijk, dat het haar zo goed gaat.” Dan hing er geluk om ons heen.

Ook toen al las ik veel over de dood, mijn eigen dood. Eigenlijk kwam dat door mijn vader. Mijn vader was op een voorbeeldige manier gestorven. Hij had het leven waardig afgelegd en afgezien van een operatie waardoor zijn leven misschien nog een half jaar was verlengd. Hij vond het mooi genoeg met zijn vijfentachtig jaar. Een wijze man die terug keek op een vervuld leven en dat in alle rust uit handen gaf. Hij was altijd een levenskunstenaar geweest. Hij bleek ook een stervenskunstenaar. Mijn vader was een voorbeeld. Je moet je niet door de dood laten verrassen, zo leerde hij me. Je moet de dood onder ogen zien, je er op voorbereiden, er over nadenken. En dat deed ik. Ik las veel over de dood. ‘Je moet je niet hechten’, las ik, ‘Je moet leren loslaten’. Helemaal mee eens, dacht ik. Toch had ik er een probleem mee. Toen al. Hoe kun je ooit besluiten je niet te hechten aan je kinderen? Moet je dat willen? Moet je je inhouden in je liefde om in de toekomst minder kwetsbaar voor hun dood te zijn? Ik vond dat een absurde vraag en zo ben ik er met open ogen in gevlogen. Ik betaal nu de tol van mijn hechting, van mijn uitbundig genieten van haar toen ze nog leefde. Ik accepteer dat. Ik had niet anders gewild.

Wat voor rol speelde ze in mijn leven? Die vraag werd na haar dood steeds belangrijker. Als ik door haar dood zo tot op de bodem geraakt was, wat betekende ze dan voor mij? Ik wilde een antwoord op die vraag om mijn verdriet te begrijpen. Pas wat je begrijpt, kun je onder ogen zien. Daarom ben ik begonnen over haar te schrijven. Over haar leven. Ik put er voor uit mijn geheugen en uit dagboeken die ik sinds 1988 bij houd. Daardoor komt het ook dat ik op deze blog een tijdlang niet van me heb laten horen.

De gedachte dat zo’n terug gaan naar de verleden tijd zinvol is, dank ik aan de Franse schrijver Marcel Proust. Een jaar of vier geleden ben ik begonnen, samen met een vriend, zijn A la recherche du temps perdu te lezen. Proust beschrijft het verleden. Je leest de zinnen die ooit gesproken werden. Je beleeft een opera en alles daar om heen vanuit de loge van een adellijke dame in Parijs. Je bezoekt de salons waar de hoge bourgeoisie of de adel ontvangt. Steeds weer klinkt de sonate van de proustiaanse componist Vinteuil. Je leert de schilderijen kennen van de beroemde schilder Elstir. Je hoort de homoseksuele M. de Charlus een rijknecht het hof maken. In de hervertelling van het verleden komt Proust tot begrip van zichzelf. Hetzelfde overkomt de lezer. Door Proust te lezen verdiept hij zijn zelfkennis.

Op zoek naar zelfkennis doorzoek ik mijn eigen verloren tijd. Ons leven. Als ik er over terug lees in mijn dagboeken, besef ik hoe ernstig we het namen. Zo veel zorgen over wat nooit op kwam dagen. We zaten dicht op de bal. Zeker als het de kinderen betrof. Steeds gereed onmiddellijk bij te sturen. Weinig vertrouwen in laissez faire.

Uitgerekend door haar dood heb ik, eindelijk, geleerd het leven niet zo ernstig te nemen. Het is zo vluchtig. Zo maar voorbij. Wees daarom blij met wat er is. Later is iets voor later. Toch is dat ingewikkeld. Hoe blij kan ik nog zijn met een gat in mijn ziel?

Ik kijk met gemengde gevoelens terug naar het geluk van vroeger. Zo veel in dat geluk was gebaseerd op wat ik had, wat ik kon zien, kon aanwijzen. Op wat mij overkwam. Zo kon ik gelukkig worden van een melodie of een ervaring die verbonden was met gelukkige herinneringen. Ergens in me was een antenne om die muziek of die beelden op te vangen, door te sturen en om te zetten in geluksgevoel. Die antenne is stuk. Ze hangt er half afgebroken bij.

Soms heb ik dezelfde ervaringen als vroeger. In de polder, met het blauw van de hemel en het groen van de weilanden. Toen dacht ik: het leven is goed zo! Omdat het zo goed was, kon ik loslaten. Ik begreep dat het goede en het schone hand in hand gaan met het vergankelijke, met wat voorbij gaat. Maar nu? Dezelfde ervaring. Dezelfde polder. Hetzelfde groen en blauw. Maar als de antenne het gevoel dat dat oproept nu doorgeeft, gaat het mis. In plaats van geluk, ervaar ik verlies. Besef ik dat ik niet meer voel wat ik vroeger voelde toen alles goed was. Zou ik ooit naar dat gevoel terug kunnen? Eigenlijk denk ik van niet.  Wat vroeger leidde tot innerlijke rust, confronteert me nu met mijn verdriet.

En toch wil ik daar niet bij blijven stilstaan. Ik moet verder. De dood mag niet winnen. Om haar niet. Om mijzelf niet. Ik moet haar dood accepteren. Als iets dat hoort bij het leven. Ik moet leren dat denken over het leven zonder te denken aan de dood onvolledig denken over het leven is. Ik moet de dood accepteren. Er is geen andere keus. Wat heeft het voor zin iets niet te accepteren waar je geen enkele zeggenschap over hebt maar dat je wel overkomen is?

Ik moet ook verder, omdat ik niet alleen ben. Niet alleen op de wereld en ook niet alleen met mijn verdriet. Er zijn anderen. Anderen die van haar hielden. Anderen van wie ik houd. Die van mij houden. Met hen moet ik verder. Het kan toch niet zo zijn dat zij mij niets aan levensmoed kunnen bieden, omdat ik na haar dood alle moed verloren heb.

Daarom moet ik op onderzoek uit. Onderzoek in mijzelf. Ik moet mijn levensverhaal opnieuw vertellen. Eerst vertelde ik het, argeloos en zonder dat ik er erg in had, met haar erin verweven. Alles in één kleur. Nu moet ik het, niet meer argeloos, opnieuw vertellen met haar als duidelijk zichtbare, onderscheiden draad er door heen. Rouwverwerking is hervertelling van het eigen levensverhaal in relatie tot de afwezige. Wie was ik? Wie was zij voor mij?

Door de liefde te benoemen die ik voor haar had, door te beschrijven hoe die liefde zich ontwikkelde, kan ik mijn liefde omschrijven als een groot en onverliesbaar goed. Kan ik aangeven wat niet verloren ging bij haar dood. Kan ik haar trouw blijven omdat de liefde sterker is dan de dood.

Zo ver ben ik na twee jaar. Nog niet zo ver, eigenlijk. Maar voor mij toch al een heel eind.

Leven in de stilte

In de vroege ochtend loop ik met de hond op het Franse platteland. Eerst omhoog, over een heuvel. Dan naar beneden over een veld in de richting van een dal, waar tussen groene bomen onzichtbaar een riviertje loopt. Over het veld hangt een grijze mist. Het is doodstil. Er hangt iets onvergankelijks in de lucht. Ik voel de tijd als een punt in het Nu. Een Nu dat voelt als eeuwigheid. Ik voel me verbonden met het ogenblik. Het ogenblik waarin eeuwigheid zich concentreert.

Later, als ik terug loop naar huis, denk ik aan de eeuwigheid. Ik word daar altijd melancholiek van omdat ik onvermijdelijk denk aan de verloren eeuwigheid. De eeuwigheid die er was, onafhankelijk van ons. Als een eeuwige bovenwereld die bepaalde hoe het toegaat in onze tijdelijke beneden wereld. Wat voor ons onbegrijpelijk is, was vanuit die eeuwigheid begrijpelijk. Wij, hier op aarde zien alleen de onderkant van het borduurwerk. In de eeuwigheid zien ze de goede kant. Zien ze de structuur, waar wij alleen maar losse draden zien. Ik denk aan God, die zorgde, als een eeuwige Vader. Aan het verlies van die Vader. Doodgebloed, zoals Nietzsche zei, onder de messen van onze redenaties. Diep in ons hart weten we het. Tegelijk ontkennen we het. Zoals we een slecht bericht ontkennen. We doen alsof. Alsof de eeuwigheid nog bestaat.  Een ruimte die ons omgeeft en waarin ons bestaan zich afspeelt. Een hemel die ons overkoepelt. Alsof er nog Iemand is daar buiten die ons lief heeft en om ons geeft. Iemand die de onverschillige natuur op afstand houdt. Alsof er nog een horizon is van ons bestaan.

Ik denk aan dominee Carel ter Linden die niet meer gelooft in een persoonlijke God, maar tegelijk de eeuwigheid niet vaarwel wil zeggen en die hervindt in de eeuwige natuur die verloopt volgens de wetten van de evolutie. Twee vliegen in één klap. Aan de ene kant volop modern in het accepteren dat wij ons ontstaan danken aan de evolutie. Aan de andere kant de eeuwigheid behouden in de eeuwige wetten van de evolutionaire natuur. Als we ons in ons handelen maar houden aan die eeuwige wetten hoeven wij zin en betekenis niet kwijt te raken, schrijft Ter Linden. Heeft ons handelen, heeft ons leven zin.

Vroeger, als ik zo’n dal met bomen zag in de ochtendmist, voelde ik verbondenheid. Ik snoof de frisse lucht van de morgen in en rechtte mijn rug. Genoeg te doen! Mijn levensplan was gericht op toekomst. Mijn leven was ontwerp. Nu bepaalt de mistige sfeer van het dal me bij mij zelf zoals ik ben. In sta daar. Hier en nu. Zonder verwijzing naar later. De bomen in het dal bepalen me bij mijn plek in de wereld. Een plek die is zoals hij is. Het is zoals het is.

Die omslag in mijn denken komt door de dood. De dood heeft me duidelijk gemaakt dat leven zo voorbij kan zijn. Dat er dan niets overblijft van wat vroeger was. De dood neemt alles weg en geeft niks terug. Wat rest zijn de herinneringen aan de gestorvenen bij de overlevenden tot ook zij sterven en met hen ook die herinneringen verdwijnen.

Ooit voelde ik mij geborgen in God. Geschreven in de palm van Zijn hand. In Zijn hand, in de knuist van God, aan het werk. Opbouw. De toekomst in. Om er nog te zijn, ook als we er niet meer zouden zijn. Om herinnerd te worden. Merkwaardig: het leven ontleende zijn zin voor een belangrijk deel aan de betekenis die het nog zou hebben, als het leven er niet meer zou zijn. Dragers van die betekenis zijn in de eerste plaats onze kinderen. Met de dood van een kind sterft daardoor ook de betekenis die het leven nog zou hebben na onze dood. Zo kom je na de dood van een kind dichter bij het Nu, leef je meer in het ogenblik. Dat merk ik tijdens zo’n wandeling in de ochtend.

Dat is niet alleen maar negatief. Er is óók iets van mij afgenomen. Een last om boven mijzelf uit te stijgen. Ik hoef niet meer te worden dan ik uit mezelf ben. Het is goed zoals het is. Het streefniveau is tot realistische proporties teruggebracht, zo niet geheel verdwenen. Niet dat ik vroeger de lat altijd te hoog legde. Eerder was er altijd wat te wensen. Het kon altijd meer. Het móést altijd meer. Het kon altijd beter. “De glans is er af”, zeggen we nu. “Helder blauw is oud blauw geworden”, las ik ergens. Of is dit pas het leven zoals het echt is en heb ik voordat de dood me trof in een illusie geleefd?  Is de horizon nu pas weggevallen, zodat er alleen nog losse brokken tijd overblijven? Of was dat altijd al zo, maar kon ik me de illusie permitteren dat dat niet zo was? Nu kan dat niet meer. Ik neem de dingen zoals ze zijn. Ik ervaar een ochtendwandeling op het Franse platteland zoals het is. En meer is er niet.

Gegarandeerd is er niks. Gewild van hogerhand ook niet. De last komt op de persoon. Op onszelf. Maar hoe? Als het alleen neer komt op onszelf en op wat wij van ons leven maken, waarom zouden we ons dan niet beperken tot ons eigen belang. Waarom zouden we dan iets willen dat verder reikt dan dat belang? Dat zou je kunnen doen, zegt de filosoof Immanuël Kant, omdat je een redelijk wezen bent. Als redelijk wezen kun je er naar streven zo te handelen dat de regel waaruit je handelt altijd zou kunnen gelden als principe van algemene wetgeving, of als principe van een algemene natuurwet. Behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden. Handel zo dat je de mensheid, zowel in je eigen persoon als in de persoon van ieder ander, altijd als einddoel en nooit alleen maar als middel gebruikt. Aldus Kant.

Leef als een wijs mens. Aristoteles zei het al veel eerder dan Kant. Een wijs mens is vrij, onafhankelijk. Gericht op het goede, ware en schone. Betracht de deugden, maak de deugden jezelf eigen. Wees altijd bereid jezelf, het eigen denken tegen het licht te houden. Jezelf te ondervragen. Door jezelf of door anderen. Aldus Aristoteles.

Is een held ook wijs? Echte helden staan op plekken waar ze zich niet meer laten bevragen. “Hier sta ik, ik kan niet anders”.

Denk je dat Luther op die plek was blijven staan nadat hij zich een paar uur door Socrates had laten ondervragen of hij werkelijk niet anders kon? Voor de held is het principe belangrijker dan de consensus. De held heeft zich in het labyrint begeven. Alleen. Zonder te weten waar de uitgang is. Hij poneert zichzelf. Zoals Abraham die op weg gaat om zijn zoon te offeren. Zonder de afloop te kennen.

Nietzsche zegt dat de mens zo moet leven dat hij zichzelf zo veel mogelijk de vrije teugels laat tot op het randje van de beheersing. Het beeld dat hij er voor gebruikt, is dat van een kundige ruiter op een woest paard. De ruiter laat het paard zichzelf zijn tot het uiterste. Tot hij het paard nog net de baas kan. Tot de grens. Nooit er over heen. Zo kunnen ruiter en paard een eenheid vormen. Of zoals Freud het beschrijft: diep in de mens is een breuk. Onder die breuk gisten en bruisen de driften. Daarboven heerst de ratio. Het individu is het evenwicht tussen beide. Of het gebrek aan evenwicht. Of ergens daar tussen in.

Zo heb je al twee opvattingen van het Ik. Een ethisch Ik, zoals Kant wilde. En een Ik waarin het draait om macht, om evenwicht op een zo hoog mogelijk, zo bruisend mogelijk niveau.

Sinds Darwin is daar een derde opvatting bijgekomen. Voor de evolutiebioloog is de mens het product van een wetenschappelijk beschrijfbaar proces. Bij alle mensen gelijk. Het individu is een illusie. Ik ben mijn brein. Alleen de werking van fysiologische processen blijft over.

En Ik zelf? Hoe kijk ik aan tegen het Ik, tegen mijn Ik? Welke kant wil ik op? Zal mijn Ik verdwijnen naar mate biologie en hersenwetenschappen meer in kaart brengen over de wetmatigheden van het menselijk denken en handelen? Kies ik voor de ethische opvatting van de filosoof Kant, zoals ds. Carel ter Linden? Of kies ik voor de macht, zoals Nietzsche en anders, maar daarmee verbonden Freud. Kan ik zo maar, als in een supermarkt, kiezen wat mij het meest aanspreekt? Of is er ook iets van discipline, iets van gehoorzaamheid? Bijvoorbeeld omdat ik me wil houden aan de wetten van de rede. Of omdat ik me wil houden aan wat ik geloof?

Heeft mijn geloof iets met die keuze te maken? Is er een opvatting over het Ik, over mijzelf, af te leiden uit de bijbel? De bijbel is een boek van helden. Helden als Noach die, onbegrepen door alle mensen, midden op het land een ark bouwen. Die als Abraham met zijn zoon als beoogd offer moederziel alleen een berg op klimmen. Die als David alleen gewapend met een slinger en een steen een tot de tanden bewapende reus verslaan. Die als Jeremia en andere profeten koningen tegenspreken en daarvoor boeten met gevangenis, ballingschap of de dood. Met als hoogtepunt Jezus de held die vrijwillig de kruisdood op zich neemt. Bijbelse helden zijn mannen die leven op de rand van leven en dood. Vrouwen in de bijbel zijn, een enkele uitzondering daargelaten, geen helden, maar doorgevers van het leven. Bij voorkeur als dat kansloos lijkt.

Bijbelse helden zijn eerder helden in de zin van Nietzsche dan redelijke burgers in de zin van Kant. Voorzichtig zijn ze ook niet. Vaak maken ze een keus die niemand begrijpt en waarvan ze zeggen dat God dat wil. Een keus tegen de mensen en wat die van God maken. De bijbelse God zelf lijkt ook meer op een Nietzscheaanse held dan op een kantiaanse burger: absoluut, radicaal, ook in zijn liefde.  De bijbelse helden hebben mij beïnvloed. Ze hebben mij bevestigd in mijn individualiteit.

Dat laatste kwam mij goed uit. Ik kom namelijk uit een milieu waarin de groep belangrijker was dan het individu. Ik ben de enige niet. Of je nu uit een sociaaldemocratisch, katholiek, gereformeerd, communistisch of liberaal milieu komt, altijd ging de groepsmoraal boven de individualiteit. Alles werd voorgeschreven. Ook in mijn groep. Niet dat mijn ouders zich aan alles hielden, maar het stond wel op papier. Hoe we de zondagen moesten doorbrengen. Dat we sober moesten leven. Maar ook dat het verkeerd was aan gezinsplanning te doen, omdat we dan Gods scheppingsorde, die nu eenmaal in een maandelijkse cyclus vruchtbaarheid aan de vrouw gegeven had, in de weg liepen. Dat de vrouw onderworpen was aan de man. Dat homoseksualiteit een zonde was voor Gods aangezicht. Dat we ons moesten onderscheiden door onze levenswandel. Die levenswandel noemden ze “christelijk” en tot op zekere hoogte was het dat ook. Maar het was toch vooral een negentiende-eeuws product van een zich afzetten tegen het vroege kapitalisme en tegen de rationaliteit van de Verlichting.

Het irriteerde me dat ons al die gedragsregels als door God gewild werden voorgehouden. Ik denk dat mijn moeder bij die aversie tegen een als door God gewild opgelegd denken en handelen een belangrijke rol heeft gespeeld. Ze was luthers en weigerde indertijd gereformeerd te worden vanwege de hoge toon waarop bij de voorbereiding van haar huwelijk met mijn gereformeerde vader van haar geëist werd te beloven dat ze zich aan de gereformeerde leer zou houden en haar kinderen gereformeerd zou opvoeden.

Wonderlijk. Mijn ouders hielden intens van elkaar en zouden hun kinderen altijd vanuit beider instemming opvoeden. Die intentie was niet genoeg. Er werd onderworpenheid geëist. Gehoorzaamheid. Mijn moeder paste ervoor. Ik vond dat flink van haar en verdrietig. Het had haar duidelijk gekwetst. Weg uit de overheersing is, ik denk vooral daardoor, altijd een belangrijk thema voor mij geweest. Maar het zat ook in de tijd. De tijd van de zelfontplooiing, van de eigen verantwoordelijkheid iets van het leven te maken. Daarvoor risico’s te nemen en de geborgenheid van de groep daarvoor te verlaten. Ruimte geven aan eigen gevoelens. Luisteren naar de eigen ratio en die niet laten overheersen door de groep.

Ik herinner me drie momenten van persoonlijke opgewektheid. De eerste was toen ik hoorde, dat Abraham Kuyper zijn opvattingen over de kerk als een organisme voor een belangrijk deel had ontleend aan de verlichtingsfilosoof Schelling.

Abraham Kuyper (boven)  en Friedrich von Schelling

Ons was Kuypers opvatting altijd gepresenteerd zonder enige historische context,  als een eeuwige, regelrecht aan Gods Woord ontleende waarheid. Door de verwijzing naar Schelling werd het van die glans van eeuwigheid ontdaan. Kuypers opvattingen waren niet als door engelen aangedragen uit de hemel komen vallen. Het was ontwikkeld in het spoor van andere denkers. Ook Kuyper stond op de schouders van anderen.

De tweede ervaring kwam door het lezen van Das sogenannte Böse, Zur Naturgeschichte der Agression van de Duits-Oostenrijkse bioloog Konrad Lorenz. Lorenz beschreef erin hoe dieren in groepsverband met elkaar omgaan. Meeuwen, ganzen, honden, wolven. Hoe kwam de pikorde in de groep tot stand? Wie handhaafden de regels? Vooral dat laatste interesseerde me. Groot was mijn voldoening toen ik las dat dat gebeurde door dieren net onder de top. Zij waren het die de na dagen eenzame omzwervingen teruggekeerde wolf onderzochten op vreemde geuren. Soortgelijke mechanismen zag ik bij afwijkende meningen in mijn eigen kring. Het was nooit helemaal duidelijk wie de orthodoxie bewaakte, wie vaststelde wat er precies geloofd en gedacht moest worden. Het leek of dat gebeurde door een anonieme groep die opereerde onder de naam ‘synode’. In die synode speelden dominees en vooral gepromoveerde dominees, die niettemin  nooit hoogleraar geworden waren een dominante rol. Zij waren de zwaargewichten van wie afwijkers het het zwaarst te verduren kregen. Niet van de top. Niet van de hoogleraren theologie. Nee, net als bij de wolven, wisten degenen net onder de top het beste wat goed was en wat verkeerd. Zij voelden zich bij uitstek verantwoordelijk voor het erfgoed en lieten van zich horen in synodes en in de kerkelijke publiciteit.  

Konrad Lorenz met zijn ganzen

Bij Lorenz’ overlijden op 27 februari 1989 schreef ik in mijn krant Trouw een in memoriam. Ik trok Das sogenannte Böse nog zo uit de kast. En nu, bijna 25 jaar later, nog steeds. Ik las het in 1966. Net nadat ik mijn kandidaatsexamen theologie had afgelegd. Ik las het, zo schreef ik in 1989, uit behoefte aan rationele opheldering over wat me in de theologische opleiding als geloofswaarheid was gepresenteerd. Ik wilde alles wat ik tijdens mijn theologiestudie bestudeerd had over God, mens, menselijk gedrag, schepping, natuur, de vrije wil, goed en kwaad, de menselijke persoon, nog eens bestuderen maar dan met hulp van andere wetenschappen. In dat proces van mijn eigen ‘verlichting’ (ik gebruikte die term toen, in 1989 ook al), speelde het ‘zogenaamde kwaad’ van Lorenz een belangrijke rol. Uit het gedrag van dieren trok Lorenz conclusies over gedrag van de mens. Want, zo was zijn standpunt, de menselijke soort is niet zo uniek en verheven dat mensen zich aan de wetmatigheden kunnen onttrekken die dieren in hun gedrag ten toon spreiden. Wie weigert dat in te zien, maakt zich volgens Lorenz schuldig aan hoogmoed. Het bevestigde bij mij een afkeer van hoge woorden en hoge waarden.

De derde ervaring van opgewektheid tenslotte was het proefschrift van een vriend van me. Een socioloog. Hij onderzocht een sociologische groepswetmatigheid. Kinderen van de elite, zo luidde die wetmatigheid, treden uit de groep waaraan hun ouders, meestal hun vaders, leiding geven.  Hij onderzocht of die wetmatigheid ook voor de gereformeerde groep en de kinderen van de gereformeerde elite gold en concludeerde dat dat het geval was.

Ook daarin onderscheidde mijn groep zich dus niet van andere groepen en ik begon me steeds sterker af te vragen wie of wat werd gediend met de handhaving van de geëiste uniformiteit. Meer en meer begon groepsgehoorzaamheid aan te voelen als overheersing. Losmaken uit de groep wilde ik niet. Afstand en recht op eigen denkbeelden wilde ik wel.

Ik moet wel zeggen dat die levenshouding me makkelijker valt sinds ik gepensioneerd ben. Salarismensen, mensen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van het salaris dat ze verdienen, zijn nu eenmaal minder vrij. Ze moeten rekening houden met het bedrijf. Of de organisatie. Of de chef. Of de aandeelhouders. Toch speelt ook daar, op het werk, de vraag van de vrijheid. Hoe vrij ben je in het volgen van je eigen hart? Tot hoe ver gaat aanpassing?

Soms is dat een moeilijke vraag, want de groep brengt ook veiligheid. Geborgenheid. Ik denk dat het aspect van de geborgenheid in mijn geloof, ik had het daar al over als het gevoel geborgen te zijn in Gods hand, daar uit voort komt. Uit de geborgenheid die ik voelde als ik op zondagmorgen in de kerk op onze vaste plaatsen dicht tegen mijn vader aan zat. Wat kon me gebeuren?

Voor die geborgenheid betaalde je wel een prijs. Om je veilig te voelen, moest je je plaats kennen. Je houden aan de regels. God had je op die positie gezet. Rang en stand. Man en vrouw. Daar zat iets in van buigen. Buigen op gezag. Dat beviel me niet. Gezag van wie? Namens wie? Namens God?  Ik wilde mijn eigen Ik op de been zetten. Mij zelf bevrijden van de groep. De groep moest ontdaan van zijn goddelijk gezag, onthuld als mensenwerk. Daarbij hielpen mij bovengenoemde inzichten en studies.

De hierboven al genoemde verlichtingsfilosoof  Kant omschreef de Verlichting als de uittocht van de mensen uit hun ‘selbstverschuldigte’ onmondigheid. Onmondigheid die mensen aan zichzelf te wijten hebben. Kant schreef dit in 1784. We zijn intussen 230 jaar verder, maar nog steeds is die beweging uit de onmondigheid gaande. Voor velen betekende Kants uittocht afscheid van God en geloof. Voor mij betekende het in de eerste plaats dat ik me onttrok aan de dwang van de groep. Dat ik niet meer geloofde in de aanspraak op goddelijk waarheid die de groep claimde.

Zo uniek, zo uit de hemel gevallen was de groep dus niet. Die ‘Verlichting’ luchtte op.

Maar al gaf ik veel op van wat in de groep gedacht en geloofd werd, iets anders, iets dat óók bij de groep hoorde, gaf ik niet op. Ergens in het centrum van de groep vermoedde en vermoed ik iets dat zich aan ons onttrekt. Een kern. Moeilijk om te bepalen waar die kern voor staat. Maar die kern hoort bij mijn groep, en niet alleen bij de mijne. In het centrum van oude steden of dorpen vind je altijd een kerk. Een gebouw waarin het om andere dingen gaat dan waarover het gaat in stad of dorp om de kerk heen. Je voelt het zodra je de kerk binnenloopt. Je duwt de deur open, loopt naar binnen, de deur valt achter je dicht. Het is er donker. Je bent in een andere wereld. Een wereld van stilte.

In mijn groep hadden ze altijd moeite met de stilte. Als kern van hun samenzijn zagen ze het Woord van God. Ze sloegen het open om eruit te lezen, om uit te leggen. Te vertolken. In woorden te vatten. Om stilte te vullen. Maar soms was die stilte er wel.

Tijdens een gebed. Of tijdens een preek als de dominee iets zei dat het hart raakte. Doodstil kon het worden. Maar de stilte was niet leeg. Het was of de dienst daarom begonnen was. Om stilte op te roepen. Niet om die meteen weer met eigen of andermans gedachten te vullen. De woorden moesten wegdrijven. Als wolken naar de verte. Zodat alleen het lege blauw overbleef.

Ik voel het als ik een kerkgebouw binnen kom. Ik ervaar de stilte die er de kern van is. Eeuwenlang pogingen in woorden te vangen wat ten diepste ongezegd blijft. Zoals C. O. Jellema dichtte over het kerkje in Fransum:

………..Stille klankkast voor buiten, voor grutto’s/in juni, het loeiende melkvee bij ’t hek -/zo gesloten, een avond, ik zit in het gras/tussen jouw zerken, zo ben je het mooist:/dicht, van het uitblijvend antwoord de schrijn.

Religie is voor mij ontvankelijkheid voor stilte. Hoe, wanneer die ontvankelijkheid zich manifesteert, is voor iedereen verschillend. Soms ervaar je het als je alleen bent, soms ervaar je het midden in een groep.  Misschien ben ik daardoor wel ongeneeslijk religieus.

In 2010 hield ik hier ook een voordracht. Het was het seizoen waarin het ging over Jezus beelden. Ook toen sprak ik over stilte. Begin met stilte, zei ik toen: “Stilte, geen angst voor het absurde, eigen verantwoordelijkheid voor de invulling, niet bang zijn als het oog ineens iets anders ziet dan voorheen.”

Het ging over stilte die voorafgaat aan invulling. Toen, in 2010, om de invulling van Jezusbeelden. Stilte om in op te leven. Om door gesterkt te worden. Om inspiratie van te krijgen zodat je diep kunt inademen. Inspirare betekent letterlijk inademen.

Toen, drie jaar geleden, keek ik vanuit het leven naar de dood. Ik zag de dood als een eindpunt, een nu eenmaal onvermijdelijk eindstation. Nu kijk ik vanuit de dood naar het leven. Wat valt er van het leven te zeggen als het gevuld is met verdriet om wat voorgoed voorbij is?

Opnieuw begin ik met stilte.  Maar de stilte is veranderd. Vroeger kwam me vanuit de stilte iets tegemoet. Iets van opgenomen worden. Iets van bevestiging. Nu blijft de stilte bewegingloos hangen. Ik sta alleen. Omringd door een zwijgend heelal.  Ik heb niets meer te verliezen. Het is een andere stilte dan toen de stilte mij droeg. Die stilte kwam van buitenaf. Deze stilte komt van binnenuit.

Toen ik dit schreef, keek ik naar een landschap met heuvels in de verte over het dal van een rivier. Het dal is breed. De heuvels zijn wel twintig kilometer ver.

De heuvels hebben daar al eeuwen gelegen. Al eeuwen is er vanaf de plek waar ik ben naar die heuvels gekeken. Ze zullen er zijn als ik er niet meer ben. Anderen zullen vanaf hier naar de heuvels kijken. Door hun onbeweeglijkheid bepalen de heuvels mij bij mijn tijdelijkheid. Ik heb geleerd die gedachte op me te laten inwerken, er niet aan voorbij te gaan. Al is dat moeilijk genoeg. Op zulke momenten van confrontatie met mijn tijdelijkheid heb ik altijd de neiging iets te gaan doen. Op te staan. Een boek te pakken. Een klusje. Alsof de blik op de bergen me inspireert iets aan te pakken. Maar dat is het niet. Het is een vlucht. Blijf bij de bergen. Denk na wat de stilte van hun onbeweeglijkheid zegt.

In de Griekse tragedie stelt de held zich op tegenover het noodlot en aanvaardt het als onontkoombaar. Door de aanvaarding van het onvermijdelijke is hij een held. Hij krijgt iets groots. Iets nobels. Hij aanvaardt zijn noodlot in volle bewustzijn.

Oedipus en Antigone

Bij Jezus is dat onderscheid tussen lot en de aanvaarding van het onontkoombare er niet. Jezus neemt het lijden niet op zich als een noodlot dat van buitenaf op hem afkomt. Het lijden overkomt hem als de consequentie van zijn manier van leven. Zijn leven is liefde. Liefde voor mensen meer dan voor wetten en geboden. Liefde voor God. In tegenstelling tot het noodlot dat onontkoombaar de helden van de Griekse tragedie treft, sterft Jezus uit vrije wil. Zijn dood aan het kruis, stond niet in de sterren geschreven. Het gebeurde. God schreef niks voor. God wachtte af. Tot het allerlaatste moment. Daarom stierf  Jezus niet als een held. Maar als een gebroken mens.

Daarom heeft zijn dood ook niets triomfantelijks en is er na zijn sterven alleen een diepe stilte. De stilte is even diep als eindeloos. Stille Zaterdag noemen we die dag.

Ik ken die stilte van binnen uit. Geen woorden. Alleen machteloosheid. Kop noch staart. Geen betekenis.

De theologie is die stilte al gauw te machtig is geworden. Ze heeft de stilte opgevuld met woorden. Jezus, zegt de theologie, is gestorven om onze zonden. Als je niet oppast is de opgestane Christus daarmee zo maar veranderd in een Griekse held. Een held die zijn lot op zich neemt. Die zijn taak vervult. Dapper. Standvastig.

Ik voel meer voor de stilte na het sterven van een gebroken mens. Punt uit. Niks meer. Alleen nog stilte. Tot de stilte doorbroken wordt.

Ineens treft me dat het de opgestane Heer zelf is die in de evangelie verhalen over de verschijningen na de opstanding die verschijnt. De stilte van de Stille Zaterdag is klaarblijkelijk zo intens dat mensen haar niet meer kunnen doorbreken. In het verhaal van Emmaüsgangers wordt heel veel gesproken. De hele Schrift wordt uitgelegd te beginnen met Mozes en de profeten. Tot het stil wordt bij het breken van het brood. In de stilte herkennen ze de Opgestane. Later komt de gemeente samen rond de symbolen van zijn gestorven lichaam. Zwijgend breken ze het brood, delen de wijn, nemen ze deel aan zijn sterven, nemen ze de stilte van de dood op in hun eigen leven. Doorbreken in hun eigen leven de stilte. Hoe?

Door in beweging te komen, bij elkaar te komen. Als groep. Daarom ben ik bij die de groep, bij de kerk gebleven. Het breken van het brood en het delen van de wijn biedt ruimte om geritualiseerd, symbolisch, op het diepste, meest tragische niveau stil te zijn bij de dood en vanuit die stilte ruimte te krijgen om verder te gaan.

Vroeger liep dat verder gaan uit op ‘navolging’. Achteraf zeg ik (niet als verwijt, ik wou dat ik nog zo kon denken) : het was een beetje een ‘goed weer’ navolging. Je moest er een beetje geluk voor hebben. De dood moest niet te nabij komen en de betekenis van het leven helemaal onderuit halen.

Iemand die heftig ongelukkig verliefd is, kan weigeren verder te gaan. Kan menen het leven zonder de geliefde niet aan te kunnen. Zo iemand heeft zich afhankelijk gemaakt van degene op wie hij verliefd is. De ander is zo uniek dat hij ontroostbaar is als deze er niet meer is. Zo is het bij de dood van een nabije geliefde. De dood breekt het geluk in stukken. Ik kan zo maar niet verder. Ik ben ontroostbaar als een ongelukkig verliefde.

Om mij heen de stilte. Toch wordt de stilte doorbroken. Ook de stilte van de eigen ontroostbaarheid. Hoe de stilte doorbroken wordt, is voor ieder anders. Rouwen doen we zoals we zelf zijn. Rouw is iets persoonlijks, iets dat hoort bij onze eigen biografie. Rouwen is gaandeweg veranderen terwijl we onszelf blijven. Rouwen verschilt daarin niet van andere veranderingsprocessen die we meemaken.

Soms kun je met melancholie terug denken aan vroeger toen mensen getroost werden door de gedachte aan een hemel en eeuwig leven. Alsof alles, na onze dood, op ons stond te wachten. Bij mij is het accent verschoven. Als ik denk over overleven, denk ik niet over een eventueel verder leven na mijn eigen dood. Dat zullen we te zijner tijd wel zien. Bij overleven denk ik aan verder leven in dít leven. Na de dood van wie je lief was. Overleven na de dood betekent dat ik voor mezelf moet verwoorden wat zin en betekenis nog inhouden als de dood zin en betekenis onderuit gehaald heeft.

Ik begin met stilte. In die stilte komt ruimte om te ontdekken wat leven betekent. Ruimte om het uit te houden als je van binnenuit weet hoe zwaar het leven kan zijn. Hoe diep het leven ons kan verwonden. Gevoeligheid, mededogen. Leven in het Nu. Bewust kiezen om bewust te leven. De regie over het leven weer in eigen hand nemen, als de regie door de klap van de dood uit handen geslagen is. Gewond, maar vrij. Misschien is dat nog wel het moeilijkste. Opnieuw te leren vrij te zijn. Het verdriet meedragen, maar er niet meer aan vast zitten.

Lopen in de ochtendmist. Uitkijken over de bergen. Verdriet voelen opkomen en niet weerstaan. Het daarin uit houden. En ineens merken dat er anderen zijn, die met mij mee oplopen. Die me helpen mijn verdriet te dragen, ook al kunnen ze mij daar niet van verlossen.

De kunst van het overeind krabbelen.

Image

“In de filosofie gaat het erom ‘de fenomenen te redden’.”, aldus de openingszin van Leven is een kunst van de Nijmeegse filosoof Paul van Tongeren. De uitdrukking wordt aan Plato toegeschreven. Het ‘fenomeen’ dat Van Tongeren met zijn filosofische boek wil redden is de levenskunst, de kunst van het goede leven.
De vraag naar het goede leven begint met zelfonderzoek. Of liever met twijfel. Is het goed wat ik doe? Is het juist wat ik voel? Is mijn leven op orde? Op z’n eentje komt een mens met zijn twijfel niet verder. Daarom gaat hij in gesprek. Om met anderen te onderzoeken wat zijn mening over zichzelf waard is en zich te laten bevragen op de juistheid ervan. Bij dat zelfonderzoek helpt de ethiek. Niet in de zin van een richtlijn voor goed en kwaad handelen, maar als hulp bij het vinden van het juiste denken, het goede leven.
Op het titelblad van het boek staat een portret. In enkele lijnen, maar wel zo dat de schrijver er in herkend wordt. Mijn boek, legt Van Tongeren uit, is als die tekening. Het laat in zo weinig mogelijk woorden zien wat zelfonderzoek aan betekenisvinding heeft opgeleverd. In die zin is het boek behalve een filosofische studie ook een zelfportret.
Waarom zou de levenskunst gered moeten worden? De Griekse filosoof Aristoteles, die in zijn Ethica de grondslag legde voor de kunst van het goede leven, zag de natuur als iets dat volgens eeuwige wetten ‘goed in elkaar zat’. Deugdzaam leven betekende volgens hem leven volgens die eeuwige wetten. Als je dat deed, leidde je het ‘goede leven’ en was geluk je deel. Weliswaar moest je daarbij ook nog wat mazzel hebben – hoe kun je, ondanks je deugdzaamheid, gelukkig zijn als het noodlot je treft? – maar de nadruk lag toch op de deugdzaamheid. De Stoïcijnen gingen nog een stapje verder. Mazzel hadden ze helemaal niet nodig. Voorspoed of tegenspoed, keizer of slaaf, ziek of gezond, maakte niet uit. Wie maar leefde overeenkomstig de eeuwige logos, leefde een goed en betekenisvol leven.
De vorige keer besprak ik hier het boek van ds. Carel ter Linden. Na lezing van Van Tongeren begrijp ik nog beter dat Ter Linden na zijn afscheid van een persoonlijke God zoekt naar een nieuwe eeuwige fundering van het goede leven. Hij vindt die eeuwigheid terug in de natuur zoals de evolutietheorie die heeft bloot gelegd. Wie daarmee in overeenstemming leeft, leidt het goede leven. Zo is de mogelijkheid van een goed leven, en daarmee het menselijk geluk, na het verdwijnen van God, toch weer eeuwig gegarandeerd.
Verlies van eeuwigheid, of het nu de eeuwigheid is van God of van de natuur, is kenmerkend voor de moderne tijd. Moderne mensen kijken daardoor anders tegen de natuur aan. Ze zien de natuur als onttoverd. De natuur gaat haar eigen gang zonder zich te bekommeren om goed of kwaad. Zonder eeuwige bedoeling. Het betekent het einde van het goede leven in overeenstemming met de natuur. Het betekent het einde van het goede leven als voltooiing van wat de mens van nature is. Er is geen eeuwige natuur. Ook geen eeuwige menselijke natuur. Maar als zowel de eeuwigheid van God als de eeuwigheid van de (menselijke) natuur is weggevallen, wie redt dan de levenskunst? Wie redt de fenomenen?
Wie het verdampen van de eeuwigheid werkelijk serieus neemt (en niet alleen met de mond belijdt), zal anders over de natuur moeten denken, stelt Van Tongeren. Zelf zag hij ‘in het kader van dit boek’ geen kans zo’n nieuwe visie uit te werken. Maar een voorbeeld van zo’n andere, moderne manier van denken kan hij via de Franse filosoof/psychanalyticus Lacan wel geven.
Dieren hebben instincten, zegt Lacan. Maar de mens is geen dier. Mensen hebben verlangens. Ergens is er klaarblijkelijk iets veranderd. Wat? Een verbod op incest, zegt Lacan in het spoor van Sigmund Freud. Dat verbod plaatste de oorspronkelijke, instinctieve krachten onder de wet. Het bracht cultuur in plaats van natuur. In de cultuur leven we niet meer volgens de eeuwige wetten van de natuur. Maar eenvoudig is dat niet. Freud spreekt in dat verband van ‘het onbehagen van de cultuur’. De oorspronkelijke instincten zijn namelijk niet verdwenen. Daardoor zit er in ons Ik een breuk. Aan de ene kant dragen we de amorele instincten van de oorspronkelijke natuur met ons mee. Aan de andere kant voelen we de morele verlangens van na het verbod.
Het Ik van Lacan voelt zijn individualiteit doordat hij diep in zich die breuk voelt. Soms blijkt dat. Als voorbeeld noemt Van Tongeren een situatie waarin hij zich diep schaamt. Bijvoorbeeld omdat hij zich laat zien van zijn aller ijdelste kant. En nog erger: hij wordt er bij betrapt. Hij voelt zich naakt, of tenminste in zijn hemd. Hij verfoeit zijn ijdelheid. Maar moet tegelijk erkennen dat hij zich getoond heeft zoals hij eigenlijk is. Doordat hij zich schaamt, beseft hij dat hij anders had kunnen zijn. Tegelijk ervaart hij machteloosheid om iets aan zichzelf zelf te doen en voelt hij zich overgeleverd aan de blik van anderen die hem betrapten in zijn ijdelheid.
Ze oordelen over hem. Maar daar hoeft het niet bij te blijven. Ze kunnen hem ook helpen zijn schaamte te boven te komen, zijn futiliteit, kleinzieligheid, falen onder ogen te zien. Er kan hem iets geschonken worden.
Ik voeg daaraan toe: wat voor schaamte geldt, geldt ook voor verdriet. Ik ervaar iets van anderen, iets dat me tegemoet komt, als ik mezelf laat zien in hopeloos verdriet. In hun hulp om te gaan met mijn verdriet ontwaar ik ook iets van God. Er wordt me iets geschonken. Liefde. Hoop, ondanks alles. Geloof, tegen beter weten in. Overeind krabbelen, helpen overeind te krabbelen. Wie het goede leven niet meer verankert in de eeuwigheid zal het daarmee moeten doen.

Paul van Tongeren, Leven is een kunst. Over morele ervaring, deugdethiek en levenskunst.
Klement / Pelckmans € 17,50

Komt geloven neer op ethisch handelen?

Image

De man leeft niet meer, maar ds. Carel ter Linden ziet hem nog zo voor zich. Het was tijdens een groothuisbezoek en ze spraken over het geloof. De man was een trouwe kerkganger. Maar geloven? “Ik geloof niet in een diepere zin van het leven”, zei hij. “Waarom is alles zoals het is? Ik weet het niet. Maar ik wil wel een zin aan mijn leven geven.”
In de loop van de jaren is Ter Linden (1933), vroeger dominee van de Haagse Kloosterkerk en bekend als predikant bij koninklijke plechtigheden, zich steeds meer in deze man gaan herkennen. De gedachte dat in deze wereld een zin zit ingebakken en dat dat Gods werk is, heeft hij geleidelijk aan laten varen. De wereld is een raadsel.
Kop noch staart dus? Nou, dat ook weer niet helemaal. We gedragen ons in elk geval niet zo. Iedere dag staan we op, poetsen onze tanden. Gaan op pad. Dat doen we niet willekeurig. We volgen bepaalde spelregels, hanteren bepaalde waarden. Die waarden zijn niet kant en klaar uit de lucht gevallen. We hebben ze met vallen en opstaan moeten leren. Vanuit een diep geworteld besef dat we niet alleen op de wereld zijn. Dat we anderen moeten helpen. Al was het maar om, als de nood aan de man komt, zelf ook geholpen te worden. Het zijn elementaire leefregels, zo zeer met leven en samenleven verbonden, dat, schrijft Ter Linden, “ men ze ging zien als in wezen door God zelf met dit leven ‘gegeven’”.
Met dat ‘men’ doelt hij op het oude Israël, het volk van de door God gegeven Tien Geboden. Al moet je dat ‘gegeven’ niet letterlijk nemen. Daarom zet hij het tussen aanhalingstekens. Van buitenaf doorgegeven werd er namelijk niks. Van binnenuit ontdekt des te meer. De Tien Geboden zijn niet meer, maar ook niet minder, dan elementaire in het leven ingebakken regels.
Zorg voor kinderen, is zo’n regel. Trouw aan mensen, een andere. Zoeken van recht en tegengaan van onrecht, een derde. Ter Linden noemt ze essentieel, want ze maken het bestaan mogelijk. Voor kennis van deze regels put hij niet uit eigen inzicht, maar uit “de wijsheid van het oude Israël…”. “Dat is”, schrijft hij, “wat ik geloof: dat het oude Israël …..vanuit een zeldzame intuïtie gezien heeft waarop het in dit leven aankomt.’ De mens leeft om het Essentiële, de met het leven zelf verbonden leefregels, het Geheim van het bestaan, God te ontdekken en zo zelf zin te geven aan zijn leven.
Ter Linden gelooft niet meer in een persoonlijke God. Moeilijk, spannend ook, voor een predikant die zijn leven lang over God gepreekt en met God getroost heeft. Maar net als het lijkt of hij God definitief reduceert tot een stel essentiële leefregels, doet hij een stap terug. Het ‘Geheim van het bestaan’ doet iets persoonlijks. Het zoekt contact met ons. Als een appèl. ‘God’ is een “innerlijk ervaren, beslissend appèl tot verantwoordelijk mens zijn”. In mijn ogen, aldus Ter Linden, is God, zoals Israël dat begrepen heeft, ethisch van karakter. Dus geloof gaat op in ethiek?
Nee, dat ook weer niet. Er is namelijk een levenshouding denkbaar die boven de moraal uitgaat. Iemand kan in toewijding aan een zaak zijn eigen belangen, zijn persoonlijk leven, zelfs de ethiek op het spel zetten. Kijk naar Bonhoeffer, naar de Zuid-Afrikaanse dominee Beyers Naudé. Zij kozen tegen de ethiek van hun eigen omgeving. Ze ervoeren Gods geest als een geestelijke kracht.
Persoonlijk denk ik niet dat ‘geloof’ staat of valt met een persoonlijke God. Zo betwijfel ik of de grote mystici geloofden in een persoonlijke God. Essentieel voor geloof lijkt me eerder dat er iets van buitenaf, God, een Geest, een mogelijkheid, een oplichten van het bestaan, op ons toe komt. Zo’n geloof hangt samen met gevoel. Meer dan met de daad. Het gevoel van de zachte koelte, die de profeet Elia ervoer op de berg Horeb: de koelte kwam op van buiten, maar werd van binnen uit ervaren.
Ter Lindens verbinding van geloof met wil en ethiek geeft zijn boek iets rationalistisch. De mens moet het allemaal van binnen uit zelf ontdekken. Met aan de randen toch nog iets van mysterie. Een goddelijk appèl. Maar wat dat is – is het meer dan alleen een startknop? – blijft in de lucht hangen. Beetje dubbelzinnig. Erg? Wel nee. Het boek leeft. Je voelt de worsteling. Het klopt niet allemaal, het kán ook niet kloppen. Ter Linden wil het geloof niet kwijt. Maar zijn redelijkheid ook niet. Ik zou niet kiezen als ik hem was, want dan legt het geloof het altijd af tegen het verstand en blijft er uiteindelijk niks over. Misschien is dat wel geloven: je er bij neerleggen dat het alleen vanuit de ratio gezien niet allemaal klopt en je toch openstellen voor iets van Geest, als de zachte koelte van Elia. Een mogelijkheid. Een verder gaan. Zelfs waar de ethiek is vast gelopen.

Carel ter Linden, Wat doe ik hier in GODSNAAM. Een zoektocht.
Uitgevrij De Arbeiderspers – Utrecht € 17,50

Rouwen is een baan.

Ik herinner nog goed dat ik voor het eerst gegrepen werd door de filosofie. Ik las Kierkegaard. Er sloeg een golf van opwinding door me heen. Ik voelde: dit gaat ergens over. Dit gaat over mij zelf. Over angst, moed, vrijheid. Over het offer van Abraham, de held. De gelovige. Over de grenzen van de ethiek.
Later las ik Sein und Zeit van de Duitse filosoof Heidegger. Over in de wereld zijn en verbondenheid met de dingen en de mensen. Zo lang alles goed gaat, zijn we ons nauwelijks van die verbondenheid bewust. Alles is vanzelfsprekend. Pas als er iets breekt, kapot gaat of verdwijnt, blijkt die vanzelfsprekendheid een illusie te zijn. Het voorbeeld dat Heidegger noemt, is de hamer van de timmerman. Jarenlang gedachteloos door hem gebruikt. Tot de steel breekt. De woorden die we dan gebruiken, verwijzen naar verbondenheid: de timmerman is onthand. De hamer, zo blijkt uit dit woord, was deel van zijn handen geworden. Een verlengstuk van hemzelf. Als de hamer kapot is, beseft hij wat de hamer voor hem betekende. Hij beseft dat hij niet als autonoom persoon op zichzelf staat, maar dat hij samen met zijn hamer en zijn andere gereedschap een eigen wereld vormt. Waarbij het de vraag is of de timmerman zelf de waarde van zijn wereld bepaalt of dat zijn gereedschappen hem die betekenis aanreiken.
Het is mij gegaan als met de timmerman met zijn goed werkende hamer. Volop vanzelfsprekendheid. Als ik dacht over mijn bestaan, zag ik het als een kunstwerk waar ik voor eigen rekening en verantwoording iets van moest maken. Ik was me bewust van de grenzen van dat kunnen, maar, om maar bij de timmerman te blijven, ik timmerde er lekker op los.
Naarmate ik ouder werd, voelde ik steeds sterker dat er een open einde is aan ons zoeken naar betekenis en samenhang. Dat je niet veel verder komt dan je openstellen voor een belofte van vervulling. Af en toe waait zo’n vleug van belofte je tegemoet. Soms in de kerk, bij een psalm. Maar het kan ook gebeuren op een mooie zomeravond bij een glas wijn in de tuin. Of bij het horen van muziek die spreekt tot het hart.
De belofte zegt dat het mogelijke verder reikt dan het werkelijke. Dat we meer zijn dan een onontkoombaar natuurlijk proces. Dat we iets van ons leven kunnen maken. Maar wat we er van maken, is uiteindelijk niet van onszelf afhankelijk, maar ontvangen we door ons open te stellen voor wat ons als gave overkomt.
Het eerste waarbij ik dacht aan religie is dankbaarheid. Met als goede tweede bescheidenheid. Religie gaat over verlangen. Verlangen naar wat anders kan zijn. Verlangen dat ontstaat uit het gevoel dat er iets niet goed is.
Maar gelukkig was alles goed. Toen. En als er iets niet goed was – de dood van een goede vriend of vriendin – fietste ik dat gat in de harmonie altijd wel weer dicht.
Zo ging het tot die dag van het grote verdriet. Door de dood van mijn dochter hoorde ik plotseling bij een andere categorie. Bij hen die weten wat het is om te huilen bij een graf.
Ik ontdekte hoe diep ingrijpend het sterven van een geliefde is. Het verbaasde me dat ik dat nu pas voelde, want eerder had ik voor mijn besef vaak en intens over de dood nagedacht. Ik ervoer wat het is om met lege handen te staan. Om op ongelegen momenten tranen in je ogen te krijgen als er iets gezegd of gevraagd wordt dat je raakt. Om pas heel geleidelijk aan weer controle te krijgen over de eigen emoties.
Intussen ben ik anderhalf jaar verder. Hoe is het mij vergaan? Wat heb ik te zeggen aan wie een soortgelijk verlies over komt?
Als allereerste zou ik zeggen, dat de ene dood nooit met de andere is te vergelijken. De ene dood werpt ook geen licht op de andere. Wat hieronder volgt geldt daarom vooral voor mij. Maar misschien herkent een ander zich er in.
Gun je verdriet plaats en tijd. In het begin komt het op als braken. Met golven uit je binnenste. Heel vervelend. Ik liet het toch maar over me heen golven. Het luchtte op. Maar het was loodzwaar.
Geef, zeker in het begin, alle pogingen op iets van zin of betekenis te construeren. Misschien valt daar later nog iets van te ontdekken. Misschien ook niet.
Natuurlijk weet ik dat er religieuze opvattingen zijn die alles een plek en plaats kunnen geven. Ik heb daarvan afgezien. Religie heeft zeker betekenis voor mij, maar niet in de sfeer van oorzaak en gevolg. In welke zin dan wel, moet ik opnieuw formuleren. Heel veel moet ik opnieuw formuleren.
Het besef van eeuwigheid, eeuwig voorbestaan, eeuwig leven, elkaar straks weer ontmoeten hielp me niet. Ik heb ervaren dat het anderen wel helpt. Ik gun ze dat van harte. Voor mij was de klap het verlies van het leven hier en nu. Geen eeuwigheid woog daar als troost tegen op.
Ik beschouwde mijn leven als gelukkig en geslaagd. In zekere zin is dat nog wel zo, maar in zekere zin ook niet meer. Hoe zit het met dat ‘nog wel’ en hoe met dat ‘niet meer’? Daar denk ik hard over na. Dat is moeilijk. Na zo’n klap kun je moeilijk meer spreken van ‘geslaagd en gelukkig’, maar al het goede is toch niet weggewist door wat er gebeurd is? Wat is gebleven? Wat is weg?
Hard nadenken, hard werken hoort bij rouw. Het Duits heeft daar een woord voor: Trauerarbeit. Het moeilijkst is onder woorden te brengen wat je is overkomen. Wat de ander, de gestorvene voor je betekende. Zoals de timmerman met de gebroken hamer ineens moet formuleren wat de hamer voor hem betekende. Hoe kun je onder woorden brengen wat vanzelfsprekend was?
Verdriet is een gevoel. Rouwen is een bezigheid. Als ik huil bij haar graf, laat ik mijn tranen de vrije loop. Maar op de fiets naar huis denk ik na. Waarom huil ik? Ik mis haar ontzettend, maar hoe mis ik haar? Het denken over die vragen brengt haar naderbij. Dat is zwaar en emotievol. Maar het helpt.
Mijn dochter woonde in de Amsterdamse Jordaan. We hebben net haar huis verkocht. Ik kon er niet meer zijn. Ook in de buurt kan ik nauwelijks nog zijn zonder dat het me diep emotioneert. Sinds ik haar in haar huis gevonden heb, ben ik er niet meer geweest. Mijn vrouw wel. Die heeft opgeruimd. Ik kon dat niet opbrengen. Het huis, en de buurt, herinneren me te sterk aan wat verloren ging door haar dood. Aan wat er allemaal had kunnen zijn, maar nu niet meer is. Hetzelfde heb ik met haar vriendinnen. Als ik haar vriendinnen zie en met hen praat, emotioneert me dat. Ik gun ze zo intens het leven, als ik vroeger nooit iemand het leven gegund heb. Tegelijk krijg ik tranen in de ogen als ik met ze praat, omdat ze mij er bij bepalen dat mijn dochter de toekomst niet meer heeft die zij, godzijdank, wel hebben.
In het begin was ik vooral bezig met mijn eigen verdriet. Maar geleidelijk aan drong het tot me door, dat ik de enige niet was met verdriet om haar. Iedereen om haar heen heeft zijn of haar eigen verdriet. Vraag er naar. Vraag naar het verdriet van hen die haar ook lief hadden.
Accepteer daarbij dat de één anders rouwt dan de ander. En word niet kribbig als je vrouw in huilen uitbarst net op het moment dat jij je tranen met veel moeite hebt teruggedrongen en je weer een beetje ‘boven Jan’ voelt. Laat staan dat je je er aan ergert. Houd altijd ruimte in je binnenste om in het verdriet van anderen mee te gaan en sluit je er niet voor af.
Rouwen is ongemeen vermoeiend. Accepteer dat. Geef je er aan over als dat mogelijk is. Luister naar je lichaam.
Tijdens het rouwen heb je het meest aan mensen die, om zo te zeggen, een eindje met je mee oplopen. Ze praten over mijn dochter, informeren naar mijn verdriet. Maar niet de hele tijd. Het gesprek kan afdwalen en gaan over iets heel anders. Iets triviaals. Ineens merk je dat de tijd verstreken is zonder dat je er op lette. Dat noem ik mee oplopen.
Wees redelijk streng in de eisen die je stelt aan je gesprekspartners. En selectief. Zeker in het begin. Mijd degenen die nergens over kunnen of willen praten. Buiten tijden van rouw kunnen ze uitstekend gezelschap zijn. Maar zo lang je rouwt, mag je bepaalde onderwerpen claimen. In het begin zeker ook qua duur en intensiteit. Wie daar dan over heen praat en zich vast bijt in eigen verhalen, bijvoorbeeld omdat hij of zij de confrontatie met jouw verdriet niet aan kan, is geen goed gezelschap. Datzelfde geldt trouwens ook aan de tegenovergestelde kant. Ook van mensen die het alleen maar willen hebben over jouw verdriet, wordt een rouwend mens niet beter.
Rouwverwerking is een baan. Even geregeld als een baan van negen tot vijf. Het kost je veel energie. Maar aan het eind van de tunnel, wacht je geen lieflijk Märklin-achtig landschap als
Image
een treintje in de bergen (dit beeld ontleen ik aan Levels of Live, het mooie boekje van Julian Barnes dat ik hier boven besprak). Barnes schrijft dat je er uit komt als een golf uit een met olie bedekte zee, getekend door pek en veren.
Image
Dat beeld is me te passief. Met te veel nadruk op wat je ondergaat. Maar gehavend eruit kom je zeker. Nietzsche schrijft in zijn Götzen/Dämmerung: “Wat mij niet ombrengt, maakt mij sterker.” De vraag is of dat bij rouw het geval is. Lang niet iedereen komt sterker uit een rouwproces. Integendeel.
En dan is er de ontroostbaarheid. Wie ontroostbaar is, toont daarmee dat de ander alles voor hem was. Wie zich uiteindelijk laat troosten, laat zien dat zijn verdriet grenzen kent. Dat er verder te leven valt. Dat het unieke bij nader inzien en bij het verstrijken van de tijd toch zo uniek niet was. Dat vervanging en verder gaan mogelijk zijn. Dat kan aanvoelen als verraad. Wie zou een gestorvene, die toch al alles verloren heeft, bij wijze van trap-na ook nog eens willen verraden? Neem de tijd om de ontroostbaarheid te boven te komen en stel je zelf niet in gebreke tegenover de gestorvene als je, met vallen en opstaan, verder gaat met je leven.
Ik leefde ooit heel ver van de dood. Alsof de dood niet bestond. Kan ik ooit terug naar die illusie? Moet ik er ooit naar terug? Is dat het einde van de rouw? Is er een tussenweg tussen blijvend rouwen en verder leven alsof de dood niet bestaat, zoals vroeger? Is het einde van de rouw een prestatie van onszelf of een proces dat zich in de loop van de tijd aan ons voltrekt, omdat we nu eenmaal meedrijven op de stroom van de tijd die alle wonden heelt?
Tenslotte: houd, hoe verdrietig ook, belangstelling voor wat er om je heen gebeurt. Houd interesse in andere mensen. Kruip niet definitief weg in je eigen wereld. Maar besef wel dat deze discipline energie vreet. Rouwen is een moeizame, en vaak eenzame bezigheid. Een baan op zich. Blijf in dat hele proces van jezelf houden. Denk niet gering over je zelf omdat je soms niet verder kunt of wilt. Leef vanuit eigen kracht, ook al is het een geringe kracht.

Dit is de tekst van een Inleiding gehouden op maandag 17 juni 2013 in het Centrum voor Aandachtsontwikkeling van Helma Ton te Amsterdam

Image

Over ballonvaart en verdriet

Image

Op 15 juni 1785 probeerde de fransman Pilâtre de Rozier als eerste mens door de lucht het Kanaal over te steken. Hij had daarvoor een dubbele ballon geconstrueerd. Bovenin één gevuld met zuurstof, om te stijgen, onderop een vuurballon, om te sturen. Helaas, nog voor de kustlijn was bereikt sloegen de vlammen er al uit en stortte de ballon als een vuurbal naar beneden. De Rozier noch zijn copiloot overleefden de klap.

Je voegt twee dingen samen die nog niet eerder samen waren. Soms werkt het. Soms niet. Zoals bij De Rozier, die vuur en zuurstof samen voegde. Maar als het wel werkt heb je ook iets moois. Iets nieuws. Zoals bij een andere vroege ballonvaarder, Félix Tournachon. Onder zijn artiestennaam Nadar een bekend fotograaf. Nadar voegde ballonvaart en fotografie samen en maakte de eerste foto’s van de aarde – een wijk van Parijs – vanuit de lucht. Voor ’t eerst keek de mens, zij het flets en met moeite, vanuit de lucht naar zichzelf (zie hieronder).

Image

De koppeling van luchtvaart en fotografie bereikte een hoogtepunt toen astronaut William Anders, kerst 1968, vanaf een baan om de maan in de Apollo 8, een foto maakte van de aarde die opkomt over de maan. Prachtige foto. Maar Nadar was de eerste.

Dat samen voegen van wat nog niet eerder samen was, soms mét, soms zonder resultaat, geldt trouwens ook voor mensen. Voeg twee mensen samen die niet eerder samen waren en het kan uitlopen op een debacle à la De Rozier. Maar het kan ook gebeuren dat de wereld verandert. Dat ze als eenheid samen groter zijn dan één voor één apart.

Julian Barnes, aan wie ik bovenstaande ontleen, moet zo’n huwelijk gehad hebben. Tot zijn vrouw, nu vijf jaar geleden, in korte tijd aan een ziekte overleed. Hij schreef er een boek over. Met daarin drie essays. Twee over de eerste jaren van de ballonvaart. Eén over zijn rouw en verdriet. Op het oog twee thema’s die niets met elkaar te maken hebben. Maar ook hier: voeg twee zaken samen die niet eerder samen waren en er kan iets bijzonders ontstaan.

Er is een brug in Londen, bij Waterloo Station. Aangelegd voor de EuroStar, de trein die Londen door het Kanaal verbindt met Brussel en Parijs. Als ze over de brug reden, zeiden Barnes en zijn vrouw steevast: “Dat moeten we toch eens doen, met de trein naar Brussel.” Het is er nooit van gekomen. Toen zijn vrouw gestorven was, kon hij niet over de brug rijden zonder dat golven van verdriet over hem heen sloegen. Eerst begreep hij dat niet. Later drong het tot hem door. De brug bepaalde hem bij het wegvallen van toekomst. Van zijn vrouw. Van hen samen. Ze zouden nooit meer naar Brussel gaan.

Er zijn, schrijft Barnes, twee soorten mensen. Zij die van binnenuit weten wat verdriet is en zij die dat niet weten. Als een vader of moeder sterft, ook al is het op hoge leeftijd, is ieder mens verdrietig. Maar dat is, hoe verdrietig ook, toch geen verdriet dat de bodem onder het bestaan weg slaat. Geen verdriet van ‘huilen bij het graf’. Na een verdriet van ‘huilen bij het graf’ is het de vraag of je ooit nog kunt leven in de illusie dat de dood niet bestaat. Vroeger draaide je daar je hand niet om. Integendeel, je indenken dat je vrouw/man/kind dood zou zijn, plaatste je voor zo’n afgrond dat je het denkexperiment meteen maar staakte. ‘Ik zou me geen raad weten’, is alles wat ik mij aan zulke gedachten uit die periode kan herinneren. Nu is dat anders. Ook voor Barnes.

Hij beschrijft een ervaring van de Engelse ballonvaarder Capt. Fred Burnaby.

Image

Met twee passagiers vaart de captain in een ballon over de monding van de Thames. Beneden hen wolken. De zon werpt hun schaduw op een wolk beneden. Alles is uitvergroot te zien. De ballon, de gashandel, de drie passagiers. Aan zijn schouders kun je zelfs zien dat Burnaby net zijn jasje heeft uitgetrokken.  De drie ballonvaarders zwaaien naar hun schaduwen die prompt terug zwaaien. Tot, ineens, een windvlaag de wolk weg blaast.

Zo vluchtig, zo afhankelijk, zegt Barnes, is het met het leven. We maakten de wolk niet. Laat staan dat we macht hebben over de zon om een schaduw van onszelf op de wolk te werpen. Maar toch, als we zwaaien naar ons zelf, hebben we een illusie van vastheid. Tot de wind alles wegblaast en ons verder voert. Zonder te weten waarheen. Net als in een ballon.

Bestaat er zo iets bestaat als ‘succes in rouwen’?, vraagt Barnes zich af. En als het bestaat, is dat dan een succes in vergeten of een succes in herinneren? Het antwoord laat hij in het midden, maar constateert wel dat rouwen in zoverre succesvol kan zijn, dat er een moment komt dat je weer onder de mensen kunt zijn. Dat je eindelijk een jurk, pak of paar schoenen kunt weg doen. Dat je weer geconcentreerd kunt lezen. Dat je zelfs weer iets van vreugde voelt. Al is het een breekbare vreugde, die niet haalt bij de tintelende vreugde van vroeger.

Is dat ‘succes’ het resultaat van een prestatie die we aan onszelf te danken hebben? Of slijt verdriet vanzelf, tot het ons tenslotte verlaat en als een virus overspringt naar een ander, die vers door verdriet is getroffen? Is in onze omgang met verdriet het universum met zijn eigen wetmatigheden aan het werk? Is verdriet zo iets als kanker, die ook volgens eigen wetmatigheden in ons voortwoekert en zich weinig aantrekt van wat wij denken en doen voor onze genezing? Zijn we meer dan de schaduwen van ballonvaarders op een wolk, die hun bestaan danken aan de zon en zo maar verder geblazen kunnen worden naar we weten niet waar?

In ons bestaan, denken, reageren en verwerken van verdriet horen we bij de aarde en haar wetmatigheden. Tegelijk kunnen we van buitenaf kijken naar ons zelf. Zoals astronaut William Anders de aarde fotografeerde.

Image

Daar zit troost in. De gedachte dat wij onderdeel zijn van het universum en onderworpen zijn aan zijn wetmatigheden wordt verbonden met bewustzijn. We kunnen kijken naar ons zelf. Als ballonvaarders boven de aarde. Als astronauten in een baan om de maan. We kunnen denken over wie we zijn. Dat troost. Ook al is het denken vol pijn.

Julian Barnes, Hoogteverschillen.

Uitgeverij AtlasContact € 18,95

Het verdriet van Wotan

Het verdriet van Wotan

Aan het einde van Richard Wagners opera Die Walküre wordt het me toch nog te machtig. Oppergod Wotan heeft zo juist zijn lievelingsdochter, de Walkure Brünnhilde, uit de hemel verstoten. Zijn afscheidslied gaat me door merg en been:  “Je lichtende, stralende ogen, zo vaak lachten ze me toe, zo vaak bemoedigden ze mij, nu kus ik ze voor het laatst, vaarwel, voorgoed vaarwel.”

Tranen over mijn wangen. Verlies maakt gebondenheid voelbaar en omgekeerd. “Onzalige Eeuwige, eeuwig Onzalige, eeuwig leven met gemis, “ zingt Wotan en al ben ik niet eeuwig, ik weet precies wat hij bedoelt.

Leven met gemis, hoe doen anderen dat? Ik lees en praat er veel over. Ik heb nog veel te leren.  Ada de Jong verloor haar gezin, echtgenoot en drie kinderen, door een klimongeluk in de bergen. Een onvoorstelbare ramp. Een van de boeken die ze las in haar zoektocht naar houvast was Overlevingskunst van Christa Anbeek (zie elders op deze site). Ook Christa Anbeek leed kolossaal verlies. Ze verloor op jonge leeftijd ouders en broer. Haar partner, en grote liefde, overleed aan een hartaanval tijdens een bergwandeling. De Jong besloot contact met Anbeek te zoeken.

Uit dat contact ontstond het idee samen een boek over hun ervaringen te schrijven. Ze noemen het een ‘persoonlijk essay’ omdat ze als uitganspunt hun persoonlijke ervaringen namen die ze bovendien door elkaar gezet hebben. De lezer mag zelf uitmaken wie aan het woord is. Met als idee daarachter dat wij, als het gaat om verlies en kwetsbaarheid, veel meer op elkaar lijken dan we denken. Mijn conclusie, ook na dit boek, is anders. Natuurlijk, “de problematiek van verlies” is het zelfde voor iedereen – daarom word ik ontroerd als Wotan zingt over het verlies van zijn dochter. Maar de manier waarop we er op reageren is voor ieder anders. Ook tussen Anbeek en De Jong zijn de verschillen groot. Al lezend hoef je je nooit af te vragen wie er aan het woord is. Rouwen is zoeken naar een nieuwe identiteit. Dat is wat rouwenden bindt. Maar hoe die nieuwe identiteit er uit ziet en of het überhaupt lukt er één te smeden, verschilt van individu tot individu. Dat geldt ook van Anbeek en De Jong. Daardoor is het een nogal dubbelsoortig boek geworden.

Christa Anbeek is de onderzoeker. Ze bevraagt filosofen als Spinoza, gaat te rade bij collega theologen en psychologen, speurt in de christelijke en boeddhistische traditie en kijkt wat er voor haar uiteindelijk aan wijsheid op de zeef blijft liggen. Onderzoeken is haar vak. Ze is verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek en onderzoekt daar de relatie tussen religie/levensbeschouwing en zingevingsvragen. Maar het is ook meer dan haar vak. Het is ook haar manier om in het leven te staan en om te gaan met rouw. Meer zoekend, dan vindend.

Ada de Jong is veel praktischer. Ze beschrijft wat ze bijleerde en afleerde om verder te gaan met haar leven. Concreet, eerlijk. Indrukwekkend. Hartverscheurend.

Anbeek zoekt een habitus om met rouw om te gaan. De Jong beschrijft praktisch wat ze doet. En nalaat.

Om te kunnen zeggen wat het sterven van een dierbare voor ons betekent, moeten we onder woorden brengen wie we in relatie tot hem of haar waren. Onze identiteit was (mede) in hem/haar verankerd. Wie worden we als ze er niet meer zijn?

De Jong schrijft dat ze bestond in relatie tot haar omgeving, haar man, haar kinderen. Nu die er niet meer zijn, is haar oude zelf ook weg. Wie ze nu is, weet ze nog steeds niet goed. Of dat echt goed gaat komen, betwijfelt ze. Haar ontworteling is zo diep, dat ze niet meer aarden kan. Haar echte leven, concludeert ze aan het einde van het boek, is voorbij.

Christa Anbeek lijkt daar anders tegen aan te kijken, al weet ik op dit punt niet goed of wat ik lees haar eigen woorden zijn of de woorden van de Amerikaanse filosoof Judith Butler, die helaas berucht is vanwege haar ondoorzichtig taalgebruik. Relaties, lees ik, maken ons niet alleen tot wie we zijn, ze onteigenen ons ook doordat ze aanpassingen van ons eisen waardoor we onszelf juist niet kunnen zijn. Zo autonoom zijn we niet. Na de dood van een geliefde blijven we achter met een onteigend leven dat onomkeerbaar niet van ons zelf is. Rouw, aldus Butler/Anbeek, doorbreekt het zelfbewuste beeld dat we van onszelf in stand houden. We kunnen ons best wel doen een nieuwe autonomie te vinden. Het zal ons niet lukken. Autonoom waren we vroeger niet en zullen we nooit worden. Meer dan volharden in het eigen, per definitie onteigende bestaan zit er niet in. Hoe dat volharden moet, leert Anbeek van Spinoza, die van flinckheid spreekt. Een flinck mens is in staat zich te verhouden tot zichzelf en tot anderen en zo te volharden. Meer als stuurman van zichzelf dan van binnenuit.

Ada de Jong is alles uit handen geslagen. Voetje voor voetje gaat ze verder. Zonder zekerheid dat het nog gaat lukken zichzelf te herformuleren. De schade is te groot.

Toch is haar voetje voor voetje anders dan Anbeeks stap voor stap. De Jongs twijfel of het nog goed gaat komen is existentieel. Anbeeks twijfel is filosofisch: rouw onthult dat we een onteigend leven leidden dat onomkeerbaar niet van ons zelf is. Daar moeten we het mee doen.

Misschien is dat wel zo. Maar ik heb er niks aan. Het is juist dat de dood me bepaald heeft bij mijn gebondenheid, bij mijn onteigend leven – waarom huilde ik anders bij Wotans lied? Maar ik wil verder. Naar een nieuwe autonomie. Misschien haal ik het niet – ik herken de twijfel van Ada de Jong, al heeft zij veel en veel meer reden voor twijfel dan ik. Maar ik heb zin noch moed de dood het laatste woord te geven.

Christa Anbeek en Ada de Jong, De berg van de ziel. Persoonlijk essay over kwetsbaar leven.

Uitgeverij ten Have. € 17,95

Aan het einde van Richard Wagners opera Die Walküre wordt het me toch nog te machtig. Oppergod Wotan heeft zo juist zijn lievelingsdochter, de Walkure Brünnhilde, uit de hemel verstoten. Zijn afscheidslied gaat me door merg en been:  “Je lichtende, stralende ogen, zo vaak lachten ze me toe, zo vaak bemoedigden ze mij, nu kus ik ze voor het laatst, vaarwel, voorgoed vaarwel.”

Tranen over mijn wangen. Verlies maakt gebondenheid voelbaar en omgekeerd. “Onzalige Eeuwige, eeuwig Onzalige, eeuwig leven met gemis, “ zingt Wotan en al ben ik niet eeuwig, ik weet precies wat hij bedoelt.

Leven met gemis, hoe doen anderen dat? Ik lees en praat er veel over. Ik heb nog veel te leren.  Ada de Jong verloor haar gezin, echtgenoot en drie kinderen, door een klimongeluk in de bergen. Een onvoorstelbare ramp. Een van de boeken die ze las in haar zoektocht naar houvast was Overlevingskunst van Christa Anbeek (zie elders op deze site). Ook Christa Anbeek leed kolossaal verlies. Ze verloor op jonge leeftijd ouders en broer. Haar partner, en grote liefde, overleed aan een hartaanval tijdens een bergwandeling. De Jong besloot contact met Anbeek te zoeken.

Uit dat contact ontstond het idee samen een boek over hun ervaringen te schrijven. Ze noemen het een ‘persoonlijk essay’ omdat ze als uitganspunt hun persoonlijke ervaringen namen die ze bovendien door elkaar gezet hebben. De lezer mag zelf uitmaken wie aan het woord is. Met als idee daarachter dat wij, als het gaat om verlies en kwetsbaarheid, veel meer op elkaar lijken dan we denken. Mijn conclusie, ook na dit boek, is anders. Natuurlijk, “de problematiek van verlies” is het zelfde voor iedereen – daarom word ik ontroerd als Wotan zingt over het verlies van zijn dochter. Maar de manier waarop we er op reageren is voor ieder anders. Ook tussen Anbeek en De Jong zijn de verschillen groot. Al lezend hoef je je nooit af te vragen wie er aan het woord is. Rouwen is zoeken naar een nieuwe identiteit. Dat is wat rouwenden bindt. Maar hoe die nieuwe identiteit er uit ziet en of het überhaupt lukt er één te smeden, verschilt van individu tot individu. Dat geldt ook van Anbeek en De Jong. Daardoor is het een nogal dubbelsoortig boek geworden.

Christa Anbeek is de onderzoeker. Ze bevraagt filosofen als Spinoza, gaat te rade bij collega theologen en psychologen, speurt in de christelijke en boeddhistische traditie en kijkt wat er voor haar uiteindelijk aan wijsheid op de zeef blijft liggen. Onderzoeken is haar vak. Ze is verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek en onderzoekt daar de relatie tussen religie/levensbeschouwing en zingevingsvragen. Maar het is ook meer dan haar vak. Het is ook haar manier om in het leven te staan en om te gaan met rouw. Meer zoekend, dan vindend.

Ada de Jong is veel praktischer. Ze beschrijft wat ze bijleerde en afleerde om verder te gaan met haar leven. Concreet, eerlijk. Indrukwekkend. Hartverscheurend.

Anbeek zoekt een habitus om met rouw om te gaan. De Jong beschrijft praktisch wat ze doet. En nalaat.

Om te kunnen zeggen wat het sterven van een dierbare voor ons betekent, moeten we onder woorden brengen wie we in relatie tot hem of haar waren. Onze identiteit was (mede) in hem/haar verankerd. Wie worden we als ze er niet meer zijn?

De Jong schrijft dat ze bestond in relatie tot haar omgeving, haar man, haar kinderen. Nu die er niet meer zijn, is haar oude zelf ook weg. Wie ze nu is, weet ze nog steeds niet goed. Of dat echt goed gaat komen, betwijfelt ze. Haar ontworteling is zo diep, dat ze niet meer aarden kan. Haar echte leven, concludeert ze aan het einde van het boek, is voorbij.

Christa Anbeek lijkt daar anders tegen aan te kijken, al weet ik op dit punt niet goed of wat ik lees haar eigen woorden zijn of de woorden van de Amerikaanse filosoof Judith Butler, die helaas berucht is vanwege haar ondoorzichtig taalgebruik. Relaties, lees ik, maken ons niet alleen tot wie we zijn, ze onteigenen ons ook doordat ze aanpassingen van ons eisen waardoor we onszelf juist niet kunnen zijn. Zo autonoom zijn we niet. Na de dood van een geliefde blijven we achter met een onteigend leven dat onomkeerbaar niet van ons zelf is. Rouw, aldus Butler/Anbeek, doorbreekt het zelfbewuste beeld dat we van onszelf in stand houden. We kunnen ons best wel doen een nieuwe autonomie te vinden. Het zal ons niet lukken. Autonoom waren we vroeger niet en zullen we nooit worden. Meer dan volharden in het eigen, per definitie onteigende bestaan zit er niet in. Hoe dat volharden moet, leert Anbeek van Spinoza, die van flinckheid spreekt. Een flinck mens is in staat zich te verhouden tot zichzelf en tot anderen en zo te volharden. Meer als stuurman van zichzelf dan van binnenuit.

Ada de Jong is alles uit handen geslagen. Voetje voor voetje gaat ze verder. Zonder zekerheid dat het nog gaat lukken zichzelf te herformuleren. De schade is te groot.

Toch is haar voetje voor voetje anders dan Anbeeks stap voor stap. De Jongs twijfel of het nog goed gaat komen is existentieel. Anbeeks twijfel is filosofisch: rouw onthult dat we een onteigend leven leidden dat onomkeerbaar niet van ons zelf is. Daar moeten we het mee doen.

Misschien is dat wel zo. Maar ik heb er niks aan. Het is juist dat de dood me bepaald heeft bij mijn gebondenheid, bij mijn onteigend leven – waarom huilde ik anders bij Wotans lied? Maar ik wil verder. Naar een nieuwe autonomie. Misschien haal ik het niet – ik herken de twijfel van Ada de Jong, al heeft zij veel en veel meer reden voor twijfel dan ik. Maar ik heb zin noch moed de dood het laatste woord te geven.

Christa Anbeek en Ada de Jong, De berg van de ziel. Persoonlijk essay over kwetsbaar leven.

Uitgeverij ten Have. € 17,95

Wie verlangt er naar ontroostbaarheid?

Wie_verlangt_er_naar_ontroostbaarheid

 

In haar boek De schilder en zijn model beschrijft Patricia De Martelaere de gepassioneerde verhouding van een vrouw met twee mannen die met een tussenpoos na elkaar in haar leven komen. Zo zeer hecht ze zich aan hen dat ze hen als onvervangbaar beschouwt. Onvervangbaar? Twee keer achter elkaar onvervangbaar? Dat kan toch niet! Je kunt denken dat iemand onvervangbaar is. Tot je een ander ontmoet die datzelfde gevoel van onvervangbaarheid bij je oproept. Op dat moment is de eerste onvervangbare per definitie niet onvervangbaar meer. Hij is namelijk vervangen. Zo voelt de protagoniste van De schilder en zijn model dat ook. Ze heeft het er moeilijk mee, dat er na de eerste, nog een tweede man in haar leven kwam. Met dezelfde impact. Ze vindt dat onaanvaardbaar. Het maakt haar onzeker over haar eerste ‘echte’ liefde. Ze wordt er woedend over. Woedend op zichzelf. 

Het ‘hele drama’ schreef De Martelaere later in een toelichting, is dat de twee mannen voor de vrouw achtereenvolgens de onvervangbare functie van God vervullen. “De opeenvolging van twee Goden maakt het absolute compleet ridicuul.” 

Gelukkig liep dat bij het klassieke liefdespaar Romeo en Julia nog anders. Julia stak zich met een dolk door het hart toen ze zag dat Romeo zich van het leven had beroofd. Goed zo! Stel je de afschuwelijke situatie voor dat ze dat niet gedaan had. Dat ze na een periode van intens verdriet uiteindelijk overeind was gekrabbeld en – het leven gaat door – op een ander was gevallen. Even gepassioneerd. Even absoluut – dat zat nou eenmaal in haar aard.  Zou dat niet zijn om te sterven van verdriet? “En dan niet om het verlies van Romeo, maar om zijn vervangbaarheid en dus om het verlies van God.”, schrijft De Martelaere. Geliefde, onvervangbaarheid, God, het absolute. Ze liggen in elkaars verlengde. 

In de boeken van De Martelaere speelt vervangbaarheid een belangrijke rol.  Onvervangbaarheid is het ideaal. Vervangbaarheid de realiteit, al willen de minnenden en beminden in haar boeken daar niet aan. Keer op keer werpen zij zich met een absolutistisch verlangen in een liefdesrelatie. Steeds weer blijkt herhaalbaar wat zij als uniek hebben beschouwd. 

Unieke relaties, unieke eenmalige overgave, gaan hun macht te boven. Vroeger was dat anders. Vroeger geloofde men in overgave die zowel uniek als onvervulbaar was. De Martelaere noemt Teresa van Avila. Ze leefde in mystieke vroomheid. Absoluut gericht op God. In een onvervulbare liefde. Onze tijd gelooft niet meer in onvervulbare liefde. De verlangens van onze tijd zijn binnenwerelds, relatief en vervulbaar. Andere smaken zijn er niet. Teresa’s gerichtheid op de Heer wordt achteraf weg verklaard als gesublimeerde seksualiteit. Niet uniek, ook niet onvervulbaar. 

Over haar roman De schilder en zijn model, schreef De Martelaere dat de roman gaat over “Jeanne d’Arc, die staat te razen en te tieren, niet omdat ze wordt verbrand , maar omdat het vuur is uitgegaan.” 

Marja Pruis, schrijver en recensent van De Groene Amsterdammer,  schreef een boek over Patricia de Martelaere. Een bijzonder boek. Het heeft iets van een biografie, maar ook van een journalistieke speurtocht. Een speurtocht zowel naar De Martelaere ’s privé bestaan als naar haar denkbeelden. Beide zijn niet eenvoudig. Zoekend en tastend vindt Pruis haar weg. Toen ze het bovenstaande citaat over Jeanne d’Arc las, begon haar iets te dagen. In 1993 schreef De Martelaere een essay over Het verlangen naar ontroostbaarheid . Aanvankelijk dacht Pruis dat het een essay was over rouwen. Over verlangen om te blijven in verdriet, zich niet te laten troosten, om daardoor degene om wie getreurd wordt niet kwijt te raken, onvervangbaar te houden. Uniek. Zoals Romeo voor Julia. 

In 1995 verdwijnt de echtgenoot van De Martelaere. Waarschijnlijk pleegde hij zelfmoord door tijdens een oversteek naar Engeland van de veerboot in zee te springen. Zijn lichaam is nooit gevonden. Al bij de eerste ontmoeting tussen hem en Patricia had hij over zelfmoord gesproken. Vier jaar na zijn dood blikt De Martelaere  in een interview terug op haar essay uit 1993. Ze vertelt dat zij na het verdwijnen van haar man grote sociale druk ervaren heeft om te rouwen. Om ontroostbaar te blijven. Ze verzette zich daar tegen. “Ik denk”, zegt ze, “dat Freuds diagnose juist is dat ongelukkige mensen eigenlijk niet willen veranderen, maar houvast beleven aan hun ongeluk. ….Als je je laat troosten stem je in met verandering.” Ze vindt het een ‘volkomen onlogische gedachte’ dat je door je ontroostbaarheid moet bewijzen dat iemand iets voor je heeft betekend. Je moet, zegt ze, van je verdriet geen gebruik maken op een moment waarop het in het leven wat minder gaat. 

Uit wat De Martelaere in dat interview zegt over haar essay, maakt Pruis op dat Het verlangen naar ontroostbaarheid niet over rouwen gaat, zoals zij eerst meende, maar over obsessieve verliefdheid. De obsessief verliefde vrouw uit De schilder en zijn model beschouwt de mannen op wie zij verliefd is als onvervangbaar. Zij is ontroostbaar omdat zij uit haar leven zijn verdwenen. Zo onvervangbaar als haar mannen waren, zo onvervangbaar was vroeger God. Maar dat is voorbij. Niets, niemand is onvervangbaar. Voor alles is troost. We lazen het hierboven: mystiek is gesublimeerde seksualiteit. Het vuur van Jeanne d’Arc is uit. ‘Er daagt iets bij me’, schrijft Pruis: het essay zou wel eens geschreven kunnen zijn door iemand die èn rouwt èn obsessief verliefd is: “iemand die zich er nooit mee verzoend heeft dat God niet zou bestaan, dat de oorspronkelijke liefde voor hem onherhaalbaar is of zou moeten zijn.”.

Kenmerkend voor het leven, stelt De Martelaere in een van haar essays, is verlangen. Ze onderscheidt twee soorten van verlangens. Een klein verlangen dat streeft naar kleine vervulling en van het een hupt naar het ander. En een groot verlangen dat als een motor achter al die kleine verlangens zit. Maar of het nu het kleine verlangen is of het grote, alle verlangens willen uiteindelijk hetzelfde: het bereiken van vervulling en daarmee het einde van het verlangen. Het einde van de onrust. Na een gestild verlangen is het even windstil. Een stilte die je trouwens ook bereiken kunt door alle verlangen uit te bannen. Door helemaal niks te doen. Waarom zou je je inspannen voor een verlangen als het resultaat van je inspanning uiteindelijk op hetzelfde neer komt als wanneer je nergens aan begonnen was: stilstand, rust. En uiteindelijk de dood. 

Via de omweg van het leven zijn we onderweg naar de dood. Kinderen, stelt De Martelaere moet je leren die omweg te willen maken. Je moet ze er zelfs enthousiast voor maken, ze leren op pad te gaan voor vervulling, vernieuwing na te streven, de onzekerheid tegemoet. In plaats van zich vast te klampen aan houvast. 

Maar wie dat niet meer wil, kan kiezen voor een verlangenloos bestaan. Daarmee wapent hij zich tegen verlies. Wat je niet meer wilt, kun je ook niet meer verliezen. Wie ontroostbaar wil blijven, weet dat. Wat hij verloor is onvervangbaar. Hij legt zich daar bij neer en wapent zich op die manier tegen nieuw verlies. De plek van de beminde blijft leeg. Eens verloren, altijd verloren, maar, gelukkig, niet opnieuw verloren. 

En toch. Tegen beter weten in, is er steeds weer de liefde. Het verlangen. En onvermijdelijk, opnieuw het verlies en het verdriet om het verlies.  

Maar als alles verloren kan gaan, is er dan niets dat blijft? In haar zoektocht naar ‘wat blijft’ komt De Martelaere uit op Wittgenstein. Volgens Wittgenstein bestaat er iets als ‘het onuitsprekelijke’ dat voor ons belangrijker is dan de dingen die we wel kunnen zeggen. ‘Wat blijft’ bestaat, dat is het goede nieuws. Alleen kunnen we niet zeggen wat het is.   

De Martelaere gaat een stap verder en probeert via het boeddhisme het onuitsprekelijke van Wittgenstein in te vullen. Dat gaat zo. Er is onderscheid tussen ‘wat blijft’  en wat is. Kijk om je heen: alles wat bestaat, alles wat is, verandert, veroudert, verkleurt, wordt anders. Zijn is worden. ‘Wat blijft’ daarentegen verandert niet en hoort daarom niet tot de categorie van het Zijn.  ‘Wat blijft’ hoort bij eeuwigheid, niet bij tijdelijkheid. 

Nu kun je twee dingen doen. Je kunt zoals de christelijke theologie dat doet tegenover het altijd veranderende Zijn God plaatsen als het hoogste, eeuwig onveranderlijke zijn (wel een Zijn maar een heel ander Zijn dan ons zijn – en vraag me niet dat nu verder uit te leggen) , waarin we uiteindelijk, moegestreden van al onze verlangens om te worden wie we nog niet zijn, kunnen rusten.   

Je kunt ook met het boeddhisme zeggen dat ‘wat blijft’ niet het hoogste zijn is, maar juist het tegendeel: het niet-zijn, het Niets. Die laatste weg kiest de Martelaere. We beschouwen, zegt zij, wat is als waar het leven om draait. Ten onrechte. Het leven draait om het Niets. We komen op uit het Niets en verzinken in het Niets. Het Niets is onze thuishaven. Het is juist het iets dat ons daarvan weg houdt. Leven is leren verliezen, leren loslaten. Leren streven naar het einde van de hartstocht voor iets. Leven uit hartstocht voor het Niets. 

De Martelaere, schrijft Pruis, was een groot bewonderaar van de Japanse schrijver Yasunari Kawabata, die in 1968 als eerste Japanner de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg. In een van zijn boeken beschrijft Kawabata een verhouding tussen een getrouwde man en een geisha, die hij van tijd tot tijd opzoekt ergens in de bergen. Als de man vertrekt, zegt zijn minnares: “Als je weg bent, zal ik ingetogen leven.” Ingetogen. De zin zette zich in het hoofd van Marja Pruis en dat begrijp ik goed. Ingetogen is wat anders dan ‘na een tijdje is er weer een ander’. Wie ingetogen leeft, schreeuwt het verdriet niet van de daken, maar bewaakt het als een kostbare schat. Voor Pruis is het een metafoor voor verlangen naar ontroostbaarheid. 

Ik weet het niet zeker, maar ik heb de indruk dat Pruis met meer enthousiasme aan haar studie over De Martelaere begon dan ze er mee eindigde. De Martelaere lijkt haar steeds opnieuw te ontsnappen. Geleidelijk aan raakt ze meer gebiologeerd door de persoon dan door de denkbeelden. Terwijl ze aan de andere kant, en terecht, keer op keer onderstreept dat de Martelaere juist een strikte scheiding wilde tussen wie ze privé was en haar romanpersonen. 

Vooral met haar boeddhistische ideeën heeft Pruis moeite. Een zin als: Het Alles is het Niets vindt ze net zo iets als van een zwarte deur zeggen dat deze voortaan een witte deur is. Meer een kwestie van woorden – maar wat schiet je er mee op wanneer je dezelfde dingen anders benoemt? “In het boeddhisme”, schrijft ze, “lijkt De Martelaere iets gevonden te hebben wat haar verlies van het godsbesef goedmaakt. Alleen ik kan niet reproduceren wat het is….”

De Martelaere leed aan het verlies van uniciteit dat de mens is overkomen na de dood van God. Het verlangen naar ontroostbaarheid is daardoor ook heimwee naar God. Haar ontroostbaarheid lijkt een kwestie van keus. Je kunt er voor kiezen ontroostbaar te blijven. Is het altijd een keus? Soms zijn mensen absoluut onvervangbaar. Voor de één een man, voor de ander een vrouw, voor een derde een kind. 

De Martelaere ’s romanpersonen weigeren zich ontroostbaar te voelen, verliezen zich steeds weer in relaties, krijgen steeds weer een klap op de kop. Het zijn zwemmers op zoek naar vaste grond, naar ‘wat blijft’. Met als uiteindelijke wijsheid dat je je niet moet verzetten tegen de stroom om maar vaste grond te vinden. Aan de stroom moet je je overgeven, als aan het grote Niets. 

Ik wil ontroostbaar blijven. Maar daar niet in blijven steken. Ik wil verder gaan. In vertrouwen. Zoals Teresa van Avila. Op zoek naar het licht. Hoe het zal zijn in dat licht, weet ik niet. Alleen dat ik beweeg. Ontroostbaar, maar richting het licht. Dat lijkt mij de kern van Pasen. 

 

Marja Pruis, Als je weg bent. Over Patricia de Martelaere.

Uitgeverij Prometheus € 19,95

De EO maakt het verschil

Dekkervrijmaking-1

 

Eind jaren zeventig van de vorige eeuw begeleidde ik uit hoofde van mijn toenmalige functie bij de IKON een televisiekerkdienst  van de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt (GKV) van Bunschoten Oost. In de consistorie trof ik de kerkenraad met alle ouderlingen in zo’n zwart pak, dat je in die tijd alleen nog bij obers zag: gestreepte zwarte pantalon, zwart jasje, wit overhemd, grijze das. De diakenen idem dito op één na. In een scheerwollen donkerblauw pak sprong één er uit. Een zakenman, zo te zien. Ineens was ik terug in de kerk van mijn jeugd. Dertig jaar eerder. Ik zag de ouderlingen weer zitten. Allemaal in het zwart. Tegenover de diakenen. Ook zwart, maar met hier en daar iets alternatiefs. Iets blauws. Heel voorzichtig. Als de olijftak van de duif: voorbode van een nieuwe tijd.

 

 

De kerkenraad in zwart pak 

 

De dresscode van Bunschoten Oost zal intussen wel veranderd zijn. En niet alleen de dresscode. Dertig jaar geleden werkten de vrijgemaakten aan een eigen ‘Proefbundel’ van psalmen en gezangen. Het Liedboek van de Kerken beschouwden ze als ‘een bundel van de valse oecumene’ . Nu doen ze mee aan Het Nieuwe Liedboek. Toen waren ze tegen kindernevendiensten. Kinderen hoorden in de eredienst. Nu zijn overal nevendiensten. Op zondag volgden alle kerken dezelfde liturgie. Nu zijn er plaatselijk grote verschillen.

Elk jaar legt een Jaarboekje vast wat er in de GKV gebeurt. Godsdienstsocioloog Gerard Dekker pluisde veertig van die Jaarboekjes, van 1970 tot 2010, uit. Op zoek naar veranderingen. Met als vraagstelling: zie je bij de vrijgemaakten, dertig jaar later, dezelfde veranderingen als bij de synodaal gereformeerden van wie ze zich in 1944 afscheidden? Zijn conclusie: ja, de parallellen zijn zo opvallend dat je van een zelfde ontwikkeling kunt spreken.

Neem het Gereformeerd Politiek Verbond, de politieke partij van de vrijgemaakten. Opgegaan in de ChristenUnie, zoals de gereformeerde Anti Revolutionaire Partij opging in het CDA. Of hun krant, het Nederlands Dagblad. Het gereformeerde Trouw stelde zich in de jaren zestig van de vorige eeuw open voor niet-gereformeerden. Het Nederlands Dagblad noemde zich vanaf 1993 ‘christelijk betrokken’ in plaats van ‘Gereformeerde krant van christelijk Nederland’ . ‘Synodale’  vrouwen kregen in 1965 kerkelijk stemrecht, vrijgemaakte vrouwen in 1993. Voor de synodalen was 1975 de top. Sindsdien daalt het ledental. Bij de vrijgemaakten kwam de top in 2005. Vanaf dat jaar daalt het ook bij hen. Allemaal dertig jaar later.

De vrijgemaakten, zo bleek bij de presentatie van zijn boek in hun Kampense Theologische Universiteit, waren niet blij met Dekkers bevindingen. Logisch. De ‘synodalen’ hebben zij altijd als afschrikwekkend voorbeeld beschouwd. Vooral hun rapport ‘God met ons’ uit 1980 dat afstand nam van het letterlijk Schriftgezag, zagen ze als een dieptepunt. Nooit te beroerd voor hoge woorden zagen zij in hun eigen kerken God zelf aan het werk. En nu zou bij hen dezelfde verdamping  plaats vinden?

Helaas, Dekkers parallellen zijn te opvallend voor toeval. De ontwikkelingen lijken sprekend op elkaar. Toch bleef ik op één punt haken. Vrijgemaakten, schrijft Dekker, denken over het algemeen conservatief over abortus en euthanasie. Dat is niet gereformeerd.  Het is niet toevallig dat twee gereformeerde hoogleraren (de onlangs overleden Utrechtse gynaecoloog Haspels en de VU ethicus Kuitert) een belangrijke bijdrage leverden aan het denken in ons land over resp. abortus en euthanasie. Gereformeerden willen, zoals de stichter van hun kerk Abraham Kuyper zei, ‘in rapport zijn met de tijd’. Ontwikkeling is uitdaging.

Een conservatieve, anti abortus en euthanasie opvatting hoort bij Pro Life. Pro Life is Amerikaans en hoort bij de evangelische beweging. In 1970, toen de gereformeerde verdamping begon, bevond die beweging zich in de marge. Bezwaarde gereformeerden konden in 1970 weinig anders dan hun kerk verlaten voor christelijk gereformeerd of baptist. Dat dat nu anders is, komt door de EO, die het evangelicale geloof als volwaardig alternatief op de kaart heeft gezet. Bovendien is er met de EO jongerendagen een verbinding gelegd met jongeren. Evangelicale vrijgemaakten hoeven door die ontwikkeling hun kerk niet uit. Integendeel, meer en meer nemen ze hun kerk over. Maar minder gereformeerd, minder ‘in rapport met de tijd’,  zijn ze wel. Dekker heeft gelijk: de gereformeerde smaak van de vrijgemaakte kerken zal meer en meer verdwijnen. Maar de evangelicale stroming komt op. Bunschoten Oost zal nog galmen van de gospelsongs, als het zover al niet is. De kerkenraad komt swingend op. De naam is gebleven. Als geschiedenis.

Gerard Dekker, De doorgaande revolutie. De ontwikkeling van de Gereformeerde Kerken in perspectief.

Uitgeverij Vuurbaak. ADChartareeks nr. 23.  € 19,90

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2020 Jan Greven

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑

%d bloggers liken dit: