Jan Greven

Het denken blijft doorgaan

Maand: oktober 2012

Waarom het opruimen van een huis zo moeilijk is.

Vermoeden

met Funda Müjde en Bright Richards bij 10 jaar het Vermoeden, rechts Annemiek Schrijver.

 

In het Turks kun je iemand een half jaar later nog condoleren met het verlies van een geliefde. Het Turks heeft daar een speciale zin voor. Mooi is dat. Het voorkomt dat je wat verder in de tijd  gevraagd wordt of je het verdriet al een plaatsje hebt kunnen geven. Wat moet je daar in hemelsnaam op zeggen? Ook voor na een jaar kent het Turks zo’n zin. Ook dan hoef je dus niet naar woorden te zoeken. Actrice Funda Müjde vertelde me dat en betuigde mij haar medeleven. In het Turks. Dat ontroerde me. Ik sprak haar op een bijeenkomst bij het tien jarig bestaan van het IKON-televisieprogramma Het Vermoeden van Annemiek Schrijver. 

De redactie had drie mensen uitgenodigd die eerder in Het Vermoeden hadden gezeten en met wie sinds die tijd iets gebeurd was dat hun leven radicaal veranderde. Funda had een auto-ongeluk gekregen in Turkije en daar een dwarslaesie aan over gehouden. Ze zit in een rolstoel.  Naar het zich laat aanzien voor de rest van haar leven. Ik was gevraagd in verband met de dood van mijn dochter Aartje, nu negen maanden geleden. De derde was Bright O. Richards, een vriendelijke man uit Liberia, die tijdens de burgeroorlog in dat land de gruwelijkste dingen heeft meegemaakt en nu hier een carrière als theatermaker opbouwt. ’s Nachts, vertelde hij, komen de schimmen langs van vroeger. De zwarte schaduwen van dood en verderf. Ze jagen hem op. Toch kan hij niet zonder. Zonder zijn schaduwen is hij niet compleet. Ze gaan met hem mee de rest van zijn leven. 

Voor Funda en mij was dat heel herkenbaar. Funda’s vroegere onbekommerd gezonde leven blijft haar net zo bezig houden als de Liberiaanse verschrikkingen Bright bezighouden en Aartje’s dood mij bezig houdt. Hoe zou het leven gegaan zijn, als dat ongeluk niet gebeurd was?, vraagt Funda zich dagelijks af. Zo gaat er geen dag voorbij of ik vraag me af hoe mijn leven eruit gezien had als Aartje geen hartaanval gehad had en alles was gebleven zoals het was. 

Wat is gelijk gebleven? Wat veranderd? Alles? Daarover praatten we. De IKON had alle gasten van tien jaar Het Vermoeden uitgenodigd en wat mensen daar omheen. Bij elkaar een zaaltje vol. Voordat we aan bod kwamen, zagen we onszelf terug in onze eigen Vermoeden aflevering. Het mijne was van oktober 2008. Ik hoorde mezelf over de herfst van mijn leven, over de goede vruchten van dat jaargetijde. Over mijn eigen dood en het accepteren van de eindigheid van mijn leven. Ik had het programma nooit meer terug gezien. Een golf van melancholie sloeg over me heen. ‘Ach’, dacht ik, ‘ach, zo was dat toen.’ Gelukkige tijd. Tijd dat alleen mijn eigen dood een probleem was. Niet leuk, natuurlijk. Maar onvermijdelijk en behorend bij het leven zoals een schuldaflossing hoort bij een schuld. Zo zag ik mijn dood. Als een afronding van het leven die mij ooit zou overkomen. Zoiets als een peer die valt als hij rijp is. Of als een allerlaatste penseelstreek van het schilderij. De dood komt. Dat is zeker. Maar voorlopig, hopelijk, nog niet.  

Die afstandelijke opvatting van de dood is me hard uit handen geslagen. Ineens was de dood er. Niet als een onvermijdelijke  afronding maar als een brute breuk. Hoe verder?

Lang geleden, eind jaren zestig van de vorige eeuw, las ik Sein und Zeit, het boek waarmee de Duitse filosoof Heidegger wereldberoemd werd. Het boek gaat over het menselijk bestaan – door Heidegger steevast als het Dasein aangeduid. Maar vooral ook over de dood. 

De dood, schrijft Heidegger, moet je niet zien als iets dat weliswaar hoort bij je leven, maar verder niemand toebehoort. Nee, de dood hoort bij je bestaan. Of je nu drie bent, veertig of tachtig jaar, zodra een mens begint te leven, is hij oud genoeg om te sterven. De dood is zo intiem verweven met ieders bestaan, met mijn bestaan, dat de dood altijd mijn dood is.

Heidegger ziet het menselijk bestaan dynamisch. Als iets dat open is naar de toekomst. Waarin het er om gaat te worden wat je nog niet bent. Zo lang er leven is, is er een ‘nog niet’. Is alles nog mogelijk. Heideggers Dasein is één aaneenschakeling van mogelijkheden om niet meer te zijn wie je was en te worden wie je zou kunnen zijn. Gehuwd, of juist niet. Homoseksueel of heteroseksueel. Wel die nieuwe baan of liever de oude routine. 

Iedere keus voor verandering vereist een beslissing. Stel je werkt al jaren in dezelfde baan. Je kent de routine. Iedereen kent jou. Je weet, zoals dat heet, hoe de hazen lopen. En dan, ineens, krijg je de mogelijkheid van baan veranderen. Wil je dat? Alles achterlaten? Alle onzekerheid die je je nog goed herinnert van toen je aan deze baan begon, nog eens meemaken? Over hoe je nu functioneert, ben je zeker. Maar hoe zal dat straks gaan? Ongewis maakt bang. Roept angst op. Kiezen voor een nieuwe baan heeft altijd iets van angst overwinnen. Angst voor een stap in het ongewisse. Kleine angst voor kleine stappen. Grote angst voor grote stappen. En daarachter de allergrootste angst. Angst met een hoofdletter. Angst voor het grote ongewisse. Angst voor de dood. Angst hoort bij het menselijk bestaan.

Bij een nieuwe baan, maar voor een nieuwe relatie geldt hetzelfde, om maar te zwijgen van wat er met je gebeurt als je vader wordt of moeder, laat je iets achter. Wie je vroeger was, ben je niet meer. Wie je zult worden, weet je nog niet.  Daarom is voor iedere nieuwe stap moed nodig. Moed om achter te laten. 

Toch is er, hoe groot de veranderingen ook zijn, altijd continuïteit. Als je je leven overziet, zie je dat. Je ziet hoe je veranderd bent, maar je bent ook jezelf gebleven. Al kost het nog moeite genoeg te zeggen waar die continuïteit in bestaat. 

Maar bij de dood? Bij de dood neem je niets mee. De dood, zegt Heidegger, is louter en alleen wat je zou kunnen: je kunt sterven. Maar daarna is er niks meer. De band met vroeger is verbroken. De continuïteit is weg. De dood is de meest eigenlijke, nergens op betrokken, en daardoor volledig onbepaalde, niet te overtreffen mogelijkheid van het bestaan. Daarom is de dood mijn dood. 

Heideggers Sein und Zeit verscheen voor het eerst in het voorjaar van 1927. De basis ervoor werd gelegd tijdens de colleges die hij in de jaren daarvoor had gegeven. Het waren de jaren van na de Eerste Wereldoorlog. Een oorlog die de wereld had veranderd en waarin een hele Europese generatie was weggevaagd. Rudiger Safranski beschrijft in zijn biografie hoe Heidegger in die eerste jaren na de oorlog stamelend college gaf. Stamelend zoekend naar nieuwe betekenis na alle zinloze verspilling van menselijk leven.  

Die nieuwe betekenis van het leven vindt hij paradoxaal genoeg via de dood. Door te laten zien dat de dood, als mijn dood, ligt binnen mijn eigen mogelijkheden. Menselijk leven is zelf beschikken over je mogelijkheden, inclusief de mogelijkheid van de dood. Dat kan. Sterker nog: zo zit het menselijk bestaan in elkaar.

In de Eerste Wereldoorlog was die zelfbeschikking verloren gegaan. Massaal waren Heideggers (geb.1889) generatiegenoten de dood in gestuurd. Of het nu was door de Duitse Keizer of door generaals van de higher upper class. De dood overkwam hen. Zoals de dood vee overkomt in het abattoir. Als een onpersoonlijke gebeurtenis waar ze zelf part noch deel aan hadden. Heidegger noemt de wereld van die massale anonimiteit waarin massaal gestorven en geleefd wordt de wereld van Das Man, Het Men. In de wereld van Das Man wordt niet geleefd vanuit een nog niet. Alles is daar nu eenmaal zoals het is. Heidegger noemt het Verfallenheit. De dood komt er als een gebeurtenis die ons overkomt van buiten ons zelf. Heidegger zet die opvatting over de dood op zijn kop. Maakt de dood tot iets dat bij ons zelf hoort. Tot een mogelijkheid voor onszelf. 

Mijn vrouw ruimt het huis op van onze dochter. Dat is loodzwaar. Ik heb er lang over nagedacht waarom dat zo zwaar is. Waarom ik het tot op dit ogenblik niet kan opbrengen haar te helpen. Door wat ze me vertelt over wat ze tegen komt, en door Heidegger, denk ik het te begrijpen. In het huis vinden we de wijze waarop zij haar mogelijkheden realiseerde. Hoe zij haar leven, haar bestaan inrichtte. Hoe ze haar angsten overwon en zichzelf staande hield. 

In het normale bestaan spelen we rollen met elkaar. We vertellen elkaar maar een enkele keer, maar meestal niet, over onze angsten en wat wij doen om die de baas te blijven en als het moet te bezweren. Een gestorvene kan haar rol niet meer spelen en is daardoor weerloos. Haar leven ligt open. Wat komen geliefden je nabij als je ziet hoe ze werkelijk waren. In wat ze deden, in de wijze waarop ze hun huis inrichtten, in de wijze waarop ze zich kleedden. Je ziet hun zwaktes, hun angsten. Je ziet ook hoe ze die overwonnen en daardoor zie je hun kracht. Je ziet de peuterigheid en de grootsheid. Zo ontroerend. Je ziet wat je altijd al vermoedde: om wie ze was, om de wijze waarop ze leefde hebben we zo veel van haar gehouden. Het komt ineens tastbaar dichtbij en het verdriet om het gemis slaat als golven over je heen. Daarom is dat opruimen van een huis loodzwaar. 

Bright Richards moet verder met de verschrikkingen van de burgeroorlog waar hij middenin zat. Funda Müjde moet verder na haar auto-ongeluk. Ik moet verder na de dood van Aartje. Ooit bepaalden we zelf wat de moeite waard was in het leven. Je keek naar je leven als een tuinman naar een goed onderhouden tuin. Betrokken maar op afstand. Die vrijblijvendheid is ons uit handen geslagen. Het dwarse is totaal onverwacht in onze levens gekomen en we moeten zelf beslissen hoe we dood, ongeluk, gruwelijkheden opnemen in ons bestaan.  

Noodgedwongen moet ik achterlaten wie ik was, toen ik vier jaar terug, in 2008, in Het Vermoeden zo tevreden sprak over de herfst van mijn leven en mezelf al een hele Piet voelde dat ik mijn eigen sterven onder ogen durfde zien. Tenzij ik wil berusten in zinloosheid, moet ik opnieuw bepalen wie ik ben. Moet ik de dood als zinloze gebeurtenis omvormen tot een mogelijkheid voor mij zelf. 

Merkwaardig genoeg weet ik nu meer van mijn dochter dan voordat zij stierf. Wat ik nu meer van haar weet, maakt mijn liefde voor haar alleen maar dieper. Ze is kwetsbaarder geworden en tegelijk sterker. Ik moet door het vergrote verdriet van deze diepere liefde heen om te kunnen leven met haar dood. Ik moet haar dood opnemen in mijn dood. Voor zover dat ooit mogelijk is. 

De Geest op de Benedenwinden

Het blad Kerkinformatie van de Protestantse Kerk vroeg me over mijn ervaringen op Bonaire. Het artikel verscheen in het oktober nummer van het blad.

Nieuw-1

In gesprek met oudste gemeentelid Salomons

 

De vraag kwam totaal onverwacht. Of ik zo’n twee à drie maanden (waarnemend) predikant op Bonaire zou willen zijn. Predikant? Bonaire? Ooit heb ik na een zogenaamd preparatoir examen in de classis Hengelo een gereformeerde preekbevoegdheid gekregen. Maar van het ambt is het nooit gekomen. Maak je geen zorg, zeiden ze. Het gaat om pastoraat en zondagse erediensten. Doop en avondmaal doen echte predikanten. 

Geleidelijk aan begon ik te wennen aan het idee. Ik werd nieuwsgierig. Zou de manier waarop ik hier, her en der in het land, preek zo maar op Bonaire toepasbaar zijn? Hoe lopen pastorale gesprekken in een totaal andere cultuur? 

Het begrip ‘10/10/10’ zegt ons hier in Nederland niks. Op de Antillen is dat heel anders. Op tien oktober 2010 werd de nieuwe Koninkrijksovereenkomst van kracht. Curaçao en Sint Maarten werden aparte landen, zij het binnen het Koninkrijk. Aruba had die status aparte al. Bonaire koos tegengesteld en werd met Saba en Sint Eustatius een bijzondere Nederlandse Gemeente. Voor de kerk op Bonaire was de Overeenkomst vooral van belang omdat zij Kerk en Staat van elkaar scheidde. Tot 10/10/10 betaalde de Overheid het salaris van de geestelijken. Na die datum niet meer. Zij het dat als overgangsbepaling alle geestelijken, die op 10/10/10 in dienst waren, worden doorbetaald tot vertrek of emeritering. 

De protestantse gemeente van Bonaire had pech. Op 10/10/10 was zij vacant. De laatste predikant vertrok eind 2009 naar een andere gemeente. Er was een opvolger. De kerkenraad had haast gemaakt en de benoemingsbrief ruim voor 10/10/10 ter tekening naar Curaçao gestuurd. Er was gebeld, geschreven, gesmeekt en gebeden, maar de benoemingsbrief bleef in een la tot na 10/10/10 en toen hoefde het niet meer. De kerk moest voortaan zelf het salaris van de predikant opbrengen. 

Dat lukte niet. Er was nauwelijks geld in kas. Een systeem van vrijwillige bijdragen was er nooit geweest en stamp je ook niet zo maar even uit de grond. De beoogde dominee zag af van zijn benoeming en bleef in Suriname. De gemeente bleef vacant en stond voor de vraag: Hoe nu verder?

Zo kwam ik in beeld. Als tijdelijke kracht, voor wie de gemeente alleen de reis en de huisvesting hoefde te betalen. Met drie andere, kersverse, collega’s van mij is de waarneming nu tot 1 januari 2014 geregeld. Die drie zijn de huidige Apeldoornse Doopsgezinde predikante Wilma de Groot-van der Linden, oud luchtmacht predikant  Ben Hengeveld, die er nu is, en de Noordwijkse PKN gemeentepredikant Broer Roolvink. 

De kerkdienst op mijn eerste zondag op het eiland had een bijzonder karakter. Mijn voorgangster Wilma de Groot nam afscheid. Ik mocht preken en me zo aan de gemeente voorstellen. De dienst werd niet in het kerkgebouw aan het Plasa Reina Wilhelmina in Kralendijk gehouden, maar bij een van de gemeenteleden thuis. Onder een pergola was een opstelling gemaakt van houten stoelen voor een tafel die met een kleed, wat groen en kaarsen in een glazen potje – de steeds waaiende passaat maakt korte metten met ‘los brandende’ kaarsen – tot liturgische tafel was omgetoverd. Op de houten stoelen, bij elkaar, zaten de Bonaireaanse gemeenteleden. Er om heen, op zelf meegebrachte stoelen, in aparte groepjes de Nederlanders. Meer op afstand, toch betrokken. Toen ik de gemeente beter leerde kennen, begreep ik hoe kenmerkend die opstelling was. De kern van de kerk zijn de Bonaireanen. De Nederlanders vormen de ring om hen heen. Ze komen en gaan. Sommigen zijn gepensioneerd, hebben hun huis in Nederland aangehouden en zijn er een half jaar. Anderen wonen er permanent maar gaan op den duur toch ook weer terug. Weer anderen hebben er een baan. Tijdelijk of vast. Slechts voor een enkeling is Bonaire de eindbestemming. En dan zijn er de vakantiegangers die binnenlopen als ze toevallig zondag op het eiland zijn. 

De Bonaireaanse gemeenteleden zijn de nazaten van een paar families die in 1932 ruzie kregen met de pastoor van Rincon, een dorp noordelijk op het eiland zo’n twintig minuten rijden van de hoofdstad Kralendijk. De Antillen zijn in hoofdzaak (85%) katholiek. Deze families waren dat ook. Over de reden van de ruzie lopen de meningen uiteen. Weigerde de pastoor de doop van een onecht kind zonder dat er schuld beleden werd? Waren er al spanningen en kwamen die tot uitbarsting toen de pastoor een Nieuwe Testament in het Papiamento in stukken scheurde voor de ogen van een aantal parochianen dat hem had verzocht om hulp bij het lezen? 

Hoe ook, de dissidenten pikten het niet en zochten contact met ds. A. van Essen, de toenmalige predikant van Kralendijk. Die ontving hen met open armen. Achteraf gezien kwamen ze precies op het goede moment. In februari van datzelfde jaar 1932 had de kerkenraad een vertrouwelijke brief gekregen van de Gouverneur op Curaçao. Het was de crisistijd van de jaren dertig van de vorige eeuw en de Gouverneur moest bezuinigen. Hij had gehoord dat het kerkbezoek op Bonaire tot minimale proporties was ineen geschrompeld. Als er toch geen belangstelling was, zo vroeg hij zich schrijvende wijs af, was het dan wel nodig de betaling van het predikantentraktement door de overheid voort te zetten? Zelden heb ik een opgewektere, tevredener brief gelezen dan die welke de kerkenraad in november van datzelfde jaar terug schreef aan de Gouverneur. Hoezo geen belangstelling? De zaak bloeide als nooit tevoren. Tientallen Bonaireanen hadden zich bij de kerk aan gesloten. Er kwam een nieuw kerkgebouw in Rincon. De kerk had een totaal ander karakter gekregen. En zo was het. De kerk was een mix geworden tussen Bonaireanen en Nederlanders. Nergens op de Antillen vind je een protestantse kerk buiten de hoofdstad, de plek van de elites en de Nederlanders. op Bonaire, in Rincon wel.  

Dat eigen karakter merk je tot de dag van vandaag. Muziek speelt een belangrijke rol in de kerkdienst. Er wordt prachtig en meeslepend gezongen. Tijdens een dienst staan alle ramen open. De altijd waaiende wind blaast de liederen het Wilhelminaplein over richting zee. Op Bonaire kennen de mensen elkaar. Het hele eiland telt maar 16.000 inwoners. In Ermelo wonen er 26.000, 10.000 meer. De ledenlijst van de Protestantse kerk telt zo’n 160 namen. De Bonaireaanse lidmaten voelen zich in het bijzonder verantwoordelijk voor de kerk: wat hun grootouders begonnen, willen zij voortzetten.

Tussen Bonaireanen en Nederlanders zijn flinke culturele verschillen. Veel dingen, en tot die dingen hoort zeker de besluitvorming, zijn anders, gaan anders dan in Nederland. Soms is dat wennen. Maar als je zorgt dat je over je verbazing heen bent, voordat je iets zegt, is daar goed over te praten. Er is meer iets van overlaten, over je heen laten komen. Je merkt het ook in de pastorale gesprekken. Mensen daar zijn niet anders. Eenzaamheid, verdriet, rouw, zoeken naar geluk vind je daar net zo goed als hier. Maar soms lijkt het tastbaarder. Er zit melancholie in de lucht. Komt het door de wind, die er altijd waait? Komt het door het slavernijverleden, dat zo veel lijden heeft gebracht? Je proeft ook fierheid. Iets van de krijgsbanier tot in Gods handen dragen. Het protestantisme is er wat meer een manier van leven, wat minder alleen een kwestie van geloof. 

Met een paar vrienden ben ik bezig een Stichting op te richten. De Stichting Vrienden van de Verenigde Protestantse Gemeente van Bonaire (VPGB). Begin eens met solidariteit dichtbij huis, dachten wij. Begin eens met een kerk waar behalve in het Papiamento ook in het Nederlands gepreekt en gezongen wordt. Iets exotisch en tegelijk iets vertrouwds. Vrolijker, levenslustiger, gelovig op een meer vanzelfsprekende wijze. Onderhoud die band zoals je met vrienden banden onderhoudt, verbaas je over de diversiteit van de Geest en ervaar opnieuw dat de Geest waait waarheen Hij wil.  

 

© 2017 Jan Greven

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑

%d bloggers liken dit: