Jan Greven

Het denken blijft doorgaan

Maand: mei 2012

Op Bonaire

Sinds drie weken ben ik op het Antilleneiland Bonaire. Als predikant van de Verenigde Protestantse Kerk van Bonaire (VPKB). Een debuut, want verder dan een afgeronde studie theologie ben ik nooit gekomen. 

Het eiland is vacant sinds 2010, toen de toenmalige dominee met emeritaat ging. Er werd haast gemaakt met de benoeming van een opvolger, want op 10 oktober van dat jaar (10/10/10,  hier een begrip) zouden, als onderdeel van de nieuwe Koninkrijksovereenkomst, op de Antillen voor het eerst in de geschiedenis kerk en staat gescheiden worden. Tot 10/10/10 benoemde de overheid predikanten en priesters en betaalde hun traktement. Na die datum was dat afgelopen. Althans voor de nieuwkomers. Vanwege hun rechtspositie, ze waren immers ambtenaren, kregen de zittende, of liever gezegd staande, geestelijken hun traktement doorbetaald tot het einde van hun dienstverband.  

Begrijpelijk dus dat de VPKB  alles op alles zette om voor 10/10/10 een nieuwe predikant benoemd te krijgen. Dat leek te lukken. Er werd een predikant gevonden en een maand voor de bewuste datum stuurde de Kerk een voordracht tot benoeming naar Curaçao. Helaas, de overheid is soms even grillig als ondoorgrondelijk. Ondanks alle smeekbeden om een beslissing verdween de voordracht in een la en bleef daar tot na 10/10/10, zodat Bonaire op die beslissende dag vacant was en ‘dus’ de salariskosten van de nieuwe predikant zelf moest dragen. 

Gezien de omvang van de gemeente en het ontbreken van een systeem van Vrijwillige Bijdragen, een onmogelijke opgave. De beoogde predikant zag van zijn benoeming af en het is aan de fractie van de Christen Unie in de Tweede Kamer te danken dat toenmalig verantwoordelijk minister Donner, na intensief lobbyen,  zijn hand over zijn hart streek en als compensatie Bonaire alsnog wat geld ter beschikking stelde.

De Kerkenraad besloot dat geld maar even vast te houden en voorlopig te werken met tijdelijke predikanten. Met een voorkeur voor gepensioneerden. Ze zouden een huis ter beschikking krijgen en een auto en verder ook figuurlijk pro deo werken. Bij het zoeken naar dit soort tijdelijke waarnemers kwam ik, totaal onverwacht, in beeld en zo ben ik hier twee maanden, van 1 mei tot en met 2 juli, waarnemend predikant. 

Ik kijk mijn ogen uit en dat komt vooral door de bijzondere voorgeschiedenis van de VPKB. De Antillen zijn voor negentig procent katholiek. De protestantse kerk is tot op grote hoogte de kerk van de Nederlanders. Zo had Bonaire omstreeks 1940 5725 inwoners (thans zo’n 14.000). Daarvan waren er 5475, meer dan negentig procent, katholiek.  Er waren twee katholieke kerken. Een in de hoofdplaats Kralendijk en één in het dorpje Rincon. De pastoor van Rincon kreeg het begin jaren dertig van de vorige eeuw aan de stok met een deel van zijn parochianen. Volgens sommige bronnen weigerde de pastoor een onwettig  kind te dopen van een religieus gemengd (protestant en katholiek) stel. Volgens andere wilde een groep parochianen, behorend tot een paar families en allen afkomstig van het gehucht Playa Grandi, niet ver van Rincon, de bijbel in hun eigen taal, het papiamento lezen. Toen ze met een papiaments Nieuwe Testament bij de pastoor kwamen en hem hulp vroegen bij de uitleg, was zijn reactie dat daar niets van kon komen, waarna de geestelijke het boek voor hun ogen verscheurde. Beide versies lijken waar. 

In Kralendijk stond in die jaren ds. A. van Essen. Van Essen had een zendingsachtergrond. Toen de groep uit Playa Grandi bij hem kwam met hetzelfde verzoek als ze eerder aan hun pastoor gedaan hadden, reageerde hij positief. Dat was in juli 1932. Binnenkort precies tachtig jaar geleden

Daarna ging het snel. Met eigen handen bouwde ‘Playa Grandi’ een protestants kerkje in Rincon. Twee jaar later, in 1934, was het klaar. Het staat er nog steeds en er zijn nog steeds diensten. 

Zo heeft de Protestantse kerk van Bonaire behalve Nederlandse ook Bonairiaanse wortels en beschouwen de Bonairiaanse protestanten Rincon als hun geestelijke bakermat, terwijl de Nederlanders op Kralendijk georiënteerd zijn. 

Onder die Nederlanders vind je alle schakeringen van het Nederlands protestantisme. Van de Protestanten Bond tot de bevindelijke kant van de Gereformeerde Bond. Je merkt het aan de liederen in de dienst. Vrolijke opwekkingsliederen in het Papiamento, afgewisseld met liederen uit het Liedboek of uit de bundel van Joh. de Heer. 

Ik laat me overspoelen door die diversiteit. Ik zie hoe een kerk, ondanks grote culturele verschillen, kan functioneren als gelovigen elkaar de ruimte geven. 

Mensen die tijd en energie investeren in de kerk, investeren iets van zichzelf. Dat doen ze ook in hun beroepsmatige leven. Al krijgen ze voor dat laatste een salaris. In de kerk krijgen ze dat niet. Dat voelt alsof ze aan de kerk iets van zichzelf, een geschenk in de vorm van tijd en aandacht, geven. Wie een geschenk geeft, is kwetsbaar. Het geschenk moet niet te groot zijn, maar ook niet te klein. Het moet in overeenstemming zijn met de relatie tussen degene die geeft en degene die ontvangt. De ontvanger moet het met de juiste toon accepteren. Niet te overdreven, maar ook niet te koeltjes. 

Het besturen van een kerk, maar voor iedere vrijwilligersorganisatie geldt hetzelfde, is daardoor geen sinecure. In Nederland niet, maar in een multiculturele omgeving als Bonaire al helemaal niet. 

Vandaar mijn fascinatie. Ondanks het feit dat de Kerk hier nu twee jaar vacant is, leeft ze. Er is enthousiasme. Er is saamhorigheid. Ik zie nu eens van binnenuit, en niet als langstrekkende gastprediker, hoe belangrijk de zondagse diensten voor het functioneren van de kerk zijn. Als een moment van samen zijn. Een moment van de Geest.

Het is alsof deze nieuwe Bonairiaanse wereld wordt opgetrokken naast mijn andere, persoonlijke wereld. De wereld van het gemis, het verlies. Het is een merkwaardig gevoel, waar ik nog geen vat op heb. Mijn persoonlijke wereld wordt bepaald door de dood van Aartje, mijn lieve dochter die ik iedere dag mis. Tranen in de ogen als ik alleen maar aan haar denk. Ondanks al het nieuwe en de inspiratie die het me geeft, blijft het gemis onverdragelijk en even moeilijk te bevatten als vlak na haar dood. Ook al is het nu al weer bijna vijf maanden geleden. 

Zou het zo gaan? Zou het zo gaan dat je geleidelijk aan een nieuwe wereld om je heen schept en dat los daarvan de wereld van het verdriet blijft bestaan? 

Zou het daardoor komen dat echt diep genieten, genieten vanuit het besef ‘alles is goed’, niet meer lukt. Hoe zeer ik ook geniet van de zee, de zon en de wind van Bonaire, van de geestelijke diversiteit in de kerk, van de ontmoetingen en van de mensen, het blijft genieten in een beperkte wereld. Er is iets weg, iets definitiefs verloren. Tegelijk gaat het leven door. 

Soms denk ik: wat zou het allemaal mooi geweest zijn, als de dood niet had toegeslagen. Een onzinnige gedachte, want de dood heeft wel toegeslagen. Hoe leven we verder nu de dood zo intiem bij ons is binnen gedrongen? Ik zoek, denk, heb het nog niet gevonden. Ik leef in twee werelden. Misschien wel voorgoed. 

De irritatie van Bert Keizer

 

Bert Keizer is geïrriteerd.  Hij ergert zich aan wat hij noemt neurosofen. Neurosofen zijn hersenonderzoekers die menen dat ze het eeuwenoude probleem van de verhouding tussen lichaam en geest definitief hebben opgelost. Dick Swaab, schrijver van “Wij zijn ons brein”, is zo’n neurosoof. 

Swaab wil af van de ziel. Ons geestesleven ziet hij als gesputter, de term is van Keizer, tussen neuronen. Zo’n visie stemt nederig en haakt in op een algemeen aanwezige behoefte klein van de mens te denken.  

Net als Swaab vindt ook Keizer dat wij het idee moeten opgeven dat zich ergens in ons binnenste zo iets als geestelijk leven afspeelt.  Alsof er ogen achter onze ogen zitten. Alsof ergens een inwendige stuurman aan het roer zit. Maar daarmee houdt de overeenkomst tussen hem en Swaab wel op. 

Sinds kort bestaat er zo iets als een godhelm. Zet de helm op, richt elektrische impulsjes op een specifiek hersengedeelte en de helmdrager heeft een godservaring.  Prachtig, vindt Keizer. Maar probeer eens een lentehelm. Kun je met hulp van zo’n helm ook lentegevoelens reduceren tot neuronen gesputter? En kun je omgekeerd uit de neuronenactiviteit een beeld krijgen van de lente zoals de helmdrager zich die voorstelt? 

Nee natuurlijk en dat komt doordat onze hersenen werken volgens een strikt persoonlijke procedure. Eerst zijn er onze belevingen. Later vindt de neurosoof, op onze aanwijzingen, daar de passende hersenactiviteit  bij. Keizer vergelijkt de hersenscan met een landkaart van Frankrijk. Zonder het reëel bestaande Frankrijk geen landkaart. Zonder van te voren ervaren belevingen van de lente, of van God, geen hersenscan van lentegevoelens of Godservaring.  

Gedachten lezen met hulp van hersenscans is volgens Keizer een begripsmatige onmogelijkheid. Neuronen nemen geen besluiten. Je kunt het stokje van het geestelijk leven niet aan ze doorgeven.

Toch wordt dat laatste wel geprobeerd. Keizer ziet vooral onder psychiaters een grote behoefte zich van de geest  af te maken. Een ontmoeting met patiënten gaan ze bij voorkeur uit de weg. Liever beperken ze zich tot het uitschrijven van medicijnen om het brein te reguleren. Een pijnlijk en beschamend gevolg van het neurosofisch gedachtengoed, aldus Keizer. 

Swaab en andere neurosofen zijn volgens hem blijven steken in het denken van Descartes. Voor Descartes was het denkend subject het begin en einde van het denken over de wereld. Swaab heeft dat denkend subject vervangen door het brein.  Zoals ooit Descartes’ subject de wereld interpreteerde, zo doet dat nu “het brein”.

Alsof ons brein het primaat heeft. Maar zo is het niet. Keizer vertelt over een experiment met jonge poesjes waarvan de ogen direct na de geboorte werden dichtgenaaid. Toen de oogjes later weer open mochten, bleken de poesjes ongeneeslijk blind.  Conclusie: niet het brein, niet de ogen, maar de wereld heeft het primaat. Vanuit de wereld licht onze geest op. En niet andersom. Ik moest bij dat verhaal denken aan Eskimo’s die wel  dertig benamingen hebben voor sneeuw. Niet omdat ze dat in hun brein verzonnen hebben, maar omdat hun wereld hen dat ingeeft. 

Geestelijk leven, zo blijkt uit de poesjes en de Eskimo’s, is geen bezigheid die zich alleen in het innerlijk afspeelt.  Ons zien is wat anders dan het maken van een afdruk van de wereld in ons hoofd. Ons zien is een manier om in de wereld te zijn. Het is de wereld die ons de mogelijkheid geeft om te zien. Wordt ons die mogelijkheid onthouden, dan blijven we blind. Net als de poesjes.

Ziel, bewustzijn, is niet iets dat in ons gloeit of op ondoorgrondelijke wijze in ons verwijlt. Het is iets dat we doen. Om te overleven hebben we brein,  lichaam en wereld nodig. Tussen brein en wereld vindt een permanente wisselwerking plaats. In die wisselwerking spelen ook geestelijke begrippen als angst, honger, zelfbehoud en seksualiteit, een rol. 

Hoe? Daar blijft ook Keizer het antwoord op schuldig. Uiteindelijk weet hij ook niet wie of wat wij zijn. Maar in elk geval niet ons brein. 

Anderzijds doet hij daar niet moeilijk over. Dat we onszelf nog niet begrijpen, is eerder een kwestie van filosofie dan van neurologie. Ons mankeert het nog aan filosofisch gereedschap om onszelf zo verbonden met de wereld te denken dat wereld, lichaam en geest in elkaar overvloeien. Maar dat die verbondenheid er is, staat voor hem vast. 

Waar Swaab zoekt naar eenheid en uniformiteit in het menselijk brein, zoekt Keizer naar verscheidenheid en individualiteit. Eerst het levensverhaal. Ieder mens uniek en de moeite waard persoonlijk gezien en gehoord te worden. 

Heel anders dan de culturele hoofdstroom. Gelukkig maar.  

 

Bert Keizer, Waar blijft de ziel. Lemniscaat.

€ 4,95

© 2017 Jan Greven

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑

%d bloggers liken dit: