Jan Greven

Het denken blijft doorgaan

Maand: februari 2012

Is rouw depressiviteit?

Nieuw-1

Lijd ik aan een depressie als ik rouw om de dood van mijn dochter? Het is nu zeven weken geleden sinds ze stierf. Nog steeds is droefheid het eerste dat ik voel als ik wakker word. Op de meest ongelegen momenten – pas nog bij de kaasboer op de markt – kan ik mijn tranen niet bedwingen. Ik voel me moe, vergeet dingen, kan me soms moeilijk concentreren. Allemaal symptomen die horen bij een depressie.  

De mondiale lijst van psychische aandoeningen, bekend als DSM 4 (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders), houdt bij rouw twee maanden aan als uitsluitingsgrond voor de diagnose depressiviteit. Ik heb dus nog een week ‘normale rouw’ te gaan. Daarna mag ik mijzelf, als er niks verandert, van DSM 4 depressief noemen en kan ik de dokter om antidepressiva vragen.  

Intussen, zo las ik in het dagblad Trouw, is er een concept DSM 5, dat volgend jaar DSM 4 moet vervangen. Het concept gaat een stap verder en schrapt iedere uitsluitingsgrond. Wie rouwt zoals rouwenden al eeuwenlang rouwen, is voortaan depressief. Waarom zou je iemand die lijdt aan een echtscheiding wel depressief mogen noemen en iemand die rouwt niet?  

De DSM lijsten zijn belangrijk, omdat ziektekostenverzekeraars zich erop baseren voor het toekennen van vergoedingen. Met de diagnose ‘depressiviteit’ kunnen rouwenden vanaf dag één aan de antidepressiva. De verzekering betaalt en dat is goed nieuws voor de farmaceutische industrie. Er zijn nogal wat rouwenden in de wereld. 

In het laatste nummer van het tijdschrift The Lancet (www.thelancet.com) protesteert psychiater Arthur Kleinman, hij is hoogleraar in het Amerikaanse Harvard, tegen deze ontwikkeling. Wat hij schrijft, is me uit het hart gegrepen. In maart 2011 stierf Kleinmans vrouw na een huwelijk van 46 jaar aan de ziekte van Alzheimer. Nu, bijna een jaar later, voelt hij nog het verdriet. Een deel van hemzelf is weg  Hij wil haar niet kwijt, koestert zijn herinneringen. Zo blijft ze hem nabij. Is dat verkeerd? Duidt zijn hardnekkig niet willen vergeten op iets zieks? Iets pathologisch? Iets voor de psychiater? 

Hij vindt van niet. De twee maanden van DSM 4 waarin rouw niet als depressiviteit gediagnosticeerd mag worden, vindt hij al schokkend kort. Laat staan helemaal geen termijn, zoals DSM 5 voorstelt. Na de dood van zijn vrouw was niets meer zoals het was. Hij moest zijn weg zoeken naar een andere tijd, een nieuwe levensperiode, een andere manier van leven. Hij had er niet om gevraagd. Hij moest. Het leven gaat door. Het klinkt hard. En het is hard. 

De dood van een geliefde duwt een mens uit zijn bestaan. De vanzelfsprekendheid is weg. Waarom leidde ik mijn leven, zoals ik deed voor de dood er een krater in sloeg? Ons geluk lijkt iets uit een ver verleden. Alles is verschoven. De dood dwingt het leven opnieuw te formuleren. Contrecoeur. We willen niet. We lijden er aan. 

Maar dat niet alleen. We moeten er aan lijden. Het moet pijn doen. Onder de titel Een verlangen naar ontroostbaarheid  heeft de Belgische filosofe Patricia de Martelaere (ze overleed in 2009 aan een hersentumor) over dat moeten een mooi essay geschreven. Zij legt een verband tussen de weigering om afstand te doen van de pijn en de betekenis die ‘het verloren object’ (met excuus voor de technische term) voor de rouwende heeft. Die betekenis kan zo groot zijn, dat rouwenden weigeren het verlies te boven te komen. Ze willen niet dat de rouw ooit voorbij gaat, omdat ze het verloren object dan pas echt zouden verliezen. Het zou uiteindelijk toch vervangbaar zijn. Deze mensen troost je niet door te zeggen dat het verdriet op den duur voorbij zal gaan. Integendeel, het is het ergste dat ze zich kunnen voorstellen. Het onuitputtelijke verdriet is het laatste teken dat het verloren object nog niet helemaal verloren is. 

Als deze rouwenden niet meer lijden aan het verlies, is er voor hen niets meer. Niets meer om voor te leven. Precies hier is het omslagpunt van rouw naar melancholie en depressiviteit. De rouwende gaat verder. De melancholicus weigert verder te gaan.  

Bijna twee maanden na de dood van mijn dochter moet ik aan verder gaan nog niet denken. Het is nog niet te bevatten dat het leven zonder haar doorgaat. Dat mijn leven zijn loop zal hernemen. De gedachte alleen al voelt als ontrouw. Aan haar. Aan mijzelf. 

Voor de één ligt dat anders dan voor de ander. Kleinman is bijna een jaar onderweg en het is vallen en opstaan. Anderen pakken na een paar maanden de draad weer op. Ieder heeft recht op zijn eigen weg, op zijn eigen ontroostbaarheid. 

Toch heeft De Martelaere gelijk: rouw eindigt in achter laten. Een achter laten van wat je zo lief had. Het leven gaat door. Is dat ontrouw? Ten diepste heb je iemand lief om wie hij of zij is, of was. Niet om wat hij of zij voor jou betekent. Na de dood is dat niet anders. Door onze gestorvenen los te laten, tonen we dat we van hen hielden om wie ze waren. Dat we hen niet beminden vanwege ons eigen geluk. Dat we hen los kunnen laten. Omdat we zo intens van hen hielden, kunnen we verder zonder hen. Kunnen ze tenslotte van ons wegfladderen als vlinders uit een tuin. Maar wat een pijn! Er wordt iets losgescheurd. De meest verschrikkelijke en tegelijk meest menselijke pijn. Wat een ontkenning van liefde en verbondenheid om die pijn met pillen te willen verzachten. 

 

Patricia de Martelaere, Een verlangen naar ontroostbaarheid. 

Uitgeverij Meulenhoff  € 12,50

Religie begint met een schreeuw

Als het aan Alain de Botton ligt, krijgt religie eerherstel. Nee, niet vanwege alle leerstelligheden die bij religie horen. De Botton is atheïst en geen haar op zijn hoofd die denkt aan verandering. Het gaat hem om wat religie doet. 

Zo is religie heel goed in het scheppen van saamhorigheid en gemeenschapszin. Uit zichzelf zijn mensen egocentrisch en agressief,  maar kijk eens wat er gebeurt tijdens een katholieke eucharistieviering. Wildvreemden begroeten elkaar met een vredesgroet alsof ze elkaar al jaren kennen. Verdriet, menselijk falen, verlies, je hoeft je er dáár niet voor te schamen. Ze horen bij het mens zijn. Niemand hoeft zich uitgesloten te voelen. Tussen de vier muren van de kerk gelden andere regels, andere tafelmanieren. Zo ontstaat gemeenschap. 

Natuurlijk ligt aan de eucharistie een hele stapel leerstelligheden ten grondslag. Van De Botton mag je die allemaal schrappen. Als je maar bij elkaar blijft komen rond een tafel, waar tafelmanieren gelden die zijn afgekeken van de eucharistie. Waar bepaalde vragen niet (‘Wat doe je?’) en andere vragen (‘Waar ben je bang voor?’) wel gesteld mogen worden. In een verindividualiseerde cultuur als de onze is zo’n maaltijd heel belangrijk voor de gemeenschapszin. Doodzonde om niet te benutten wat je van de eucharistie kunt leren, enkel en alleen omdat je bepaalde leerstelligheden niet meer gelooft. 

Nog iets. De huidige mens ziet zichzelf als middelpunt van het heelal. Met het eigen leven als toppunt van de geschiedenis. Gevolg: grote ontreddering bij verlies en bij dood. Religies zijn er goed in om mensen terloops bij hun eindigheid te bepalen. Je kunt van ze leren hoe een besef van nietigheid vast te houden. Ook dit maal hoef je daar niet religieus voor te zijn. Kijk eens naar de sterren! Voel je nietig! Wijd een aparte dag aan VY Canis Majoris in het sterrenbeeld De Grote Hond. De grootste en helderste ster van ons heelal. Negenenveertighonderd lichtjaren verwijderd. Besef dat je maar een stofje bent. Misschien spaart dat straks ontreddering.  

Interessante voorstellen. Zouden ze werken? Ontstijgt een liefdesmaal zonder religieuze kern de ambiance van een buurtbarbecue? Boordevol goede bedoelingen. Goed voor de saamhorigheid. Maar meer dan één keer per jaar moet je ’t niet doen. Is niet juist de religieuze kern de ziel, het geheim van het wekelijks eucharistisch samenzijn?

Werkt een besef van eindigheid als de nood echt aan de man komt? Bij acuut verdriet om plotselinge dood? Eindigheidsbesef is filosofische troost. Filosofische troost werkt, zij het filosofisch. Als idee. Als er niet getroost hoeft te worden, omdat alles goed is.  

De Botton ziet religies als bedachtzame menselijke constructies. De mens bedenkt een theorie en construeert een praktijk om problemen als saamhorigheid en kwetsbaarheid op te lossen. Schrap de theorie maar houd de praktijk in ere. Dat is zijn boodschap. 

Daarmee mist hij de kern, want religie begint niet met kalme bespiegeling en theorievorming. Religie begint met een schreeuw. Een wanhopige, ongearticuleerde schreeuw. Van verdriet. Van wanhoop. Om dood. Om onrecht. Daarna is het een hele tijd stil. Doodstil. Bij ontreddering heb je niet zo maar woorden bij de hand. Langzaam, pas heel langzaam ontstaat er na de breuk iets als heling. Daagt er weer iets van betekenis.

Drie dagen bleef het doodstil rond Christus in zijn graf. En dan nog wordt de opgestane Heer eerst nog aangezien voor de tuinman. Veertig jaar trok Israël door de woestijn op weg naar de belofte. Toen ze er waren, bleek het beloofde land bewoond door anderen.  

Heel veel later bouwden priesters en theologen leerstellige constructies om en over zulke religieuze oer gebeurtenissen. Wil je die oer gebeurtenissen op het spoor komen, dan moet je te werk gaan als een archeoloog. De constructie steen voor steen deconstrueren om tenslotte te raken aan de oorspronkelijke emotie. Verder dan dat kom je niet.  

Dat is wat anders dan de bulldozer van De Botton die alle leerstelligheid in één keer opzij schuift. In religie zoals De Botton die ziet, zit geen pijn. Ze is het product van opgewekte ratio vanuit de filosofische leunstoel. Met een goed glas onder handbereik. Volkomen ontoereikend als kwaad en dood toeslaan. Als de verbijstering te groot, de duisternis te intens, de stilte te diep is. Religie begint met wachten.. Met verlangen naar nieuw licht, naar doorbreking van de stilte na de klap. Religie begint met geloof. Tegen beter weten in. 

Alain de Botton, Religie voor atheïsten. Een heidense gebruikersgids.

Uitgeverij Atlas € 22,95

© 2017 Jan Greven

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑

%d bloggers liken dit: