Jan Greven

Het denken blijft doorgaan

Categorie: Uncategorized (pagina 1 van 10)

Pleidooi voor een dorpse doe-democratie

Het is stil geworden rond de herindeling die Blaricum, Laren en Huizen boven het hoofd hangt. De plannen zijn niet van tafel, maar de Provincie, drijvende kracht achter de plannen, heeft even gas terug genomen en dat komt doordat er een nieuw kabinet is. Met een nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, die herindelingen op haar manier wil aanpakken. In een ander beleidskader, zoals dat heet in jargon. Met als mogelijke uitkomst een andere rol voor de Provincie. Misschien bepalender dan tot nu toe. Misschien minder bepalend. Niemand die het nog weet. Vandaar die stilte.

Omdat er deze zomermaanden geen raadsvergaderingen zijn waarover geschreven kan worden, ben ik via Google maar eens in het archief Herindelingen gedoken. Geen vrolijke kost voor wie de plaatselijke democratie ter harte gaat. Neem de samenvoeging, in 2001, van de gemeente Vleuten-De Meern bij de stad Utrecht. Zo goed als alle bewoners (98% met een opkomst van 83%) hadden zich er tegen uit gesproken. De politiek trok zich er niets van aan. Of neem de samenvoeging van het Groningse Haren met de stad Groningen. Gemeente en bewoners hebben zich daar jarenlang met alle beschikbare middelen tegen verzet. Vergeefs: één januari a.s. wordt de gemeente Haren opgeheven.

Een onderzoek uit 2013 (titel: Lichte Evaluatie Gemeentelijke Herindeling) praatte met betrokkenen over 39 herindelingen in de provincies Limburg, Overijssel en Gelderland. Wat bleek? Bestuurskracht, ambtelijke organisatie en dienstverlening verbeterden. Tot tevredenheid van de colleges van B & W, de top van het ambtelijk apparaat en de Provincie. Gemeenteraden, burgers en maatschappelijke organisaties waren minder tevreden. De afstand tussen politiek en burger was gegroeid. De gemeentelijke belastingen waren gestegen. De zogenaamde frictiekosten, kosten als gevolg van de reorganisatie, waren fors hoger geweest dan begroot.

Samengevat: herindelingen zijn goed voor bureaucratische en bestuurlijke ambities. Bestuurders kunnen efficiënter en effectiever aan de slag. Uiteindelijk, kun je zeggen, profiteert de burger daar van. Wel groeit de afstand tussen burger en politiek.

Zouden bestuurders zich omwille van de band met de burger inhouden als er efficiency- en kwaliteitsslagen te maken zijn? Ik ken er geen voorbeelden van. Wel van het omgekeerde, zie Vleuten en Haren.

Op grond van dit onderzoek ga ik er vanuit dat ook “onze” herindeling negatief zal uitpakken voor de betrokkenheid van de Blaricumse burgers bij politiek en bestuur. Dat lijkt me geen goede ontwikkeling. Discussies over herindeling zouden daarom zeker ook, en misschien wel vooral, moeten gaan over de betrokkenheid van de burgers en niet alleen over bestuurskracht, kwaliteitsverbetering van het ambtelijk apparaat en efficiency. Er zou een concreet plan moeten komen voor een dorpse doe-democratie. Met, binnen de nieuwe kaders, een eigen verantwoordelijkheid van de Blaricummers voor de leefbaarheid en woonkwaliteit van hun dorp. Zo zou voorkomen moeten worden dat burger en bestuur straks nog meer op afstand van elkaar staan, dat de onverschilligheid toeneemt en de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen nog verder zal teruglopen. Het is jammer als straks gezegd wordt : Als je die ontwikkelingen had kunnen voorzien, waarom heb je er dan niets aan gedaan?

De honderdjarigen van Okinawa

Ik was altijd al een liefhebber van tips voor gezond leven. Fris in het hoofd zonder ziekte of handicap oud worden, wie wil dat niet? Zo kwam ik aan mijn fascinatie voor het Japanse eiland Okinawa. Toneel van een van de bloedigste slagen uit de Tweede Wereldoorlog die daar tussen 1 april tot 23 juni 1945 aan 250.000 mensen het leven kostte. Geen plek waar je aan denkt in verband met heel oud worden. Toch wonnen juist op dat subtropische eiland in de Stille Oceaan bovengemiddeld veel honderdjarigen.
Vooral het dorpje Ogimi springt eruit. Van de tweeëndertighonderd dorpsbewoners zijn er 1200 boven de 65. Dat is 37,5%. Ter vergelijking: de bevolking van Velp, een van de meest vergrijsde gemeentes in ons land, bestaat voor 27% uit vijfenzestigplussers. Landelijk is 19% 65+. Op het hoogtepunt van de vergrijzing, die we rond 2040 verwachten, zal 26% van de Nederlandse bevolking boven de vijfenzestig zijn. Met zijn 37,5% zit Ogimi daar nu al ruim boven.
Maar liefst vijftien van die twaalfhonderd 65plussers in Ogimi zijn boven de honderd. Dat is bijna 0.45% . Als we zo’n percentage honderdjarigen in mijn dorp (ruim 10.000 inwoners) zouden hebben, zouden er vijfenveertig honderdjarigen moeten wonen. Er is er zegge en schrijve één.

Dat hoge percentage honderdjarigen is niet onopgemerkt gebleven. Uit de hele wereld komen ze naar Ogimi om te kijken hoe ze dat voor elkaar krijgen. Is er een geheim? Is het het aangename subtropische klimaat? Is het de voeding?

Ogimi is niet de enige plek op aarde waar opvallend veel honderdjarigen wonen. Er zijn vijf plekken die er uit springen. In het jargon van de mensen die zich met longevity (lang leven) bezig houden heten die plekken Blauwe Zones (Blue Zones). Het zijn : Griekse eiland Ikaria, bij Samos. De Barbagia regio in het midden van Sardinië. Loma Linda, een door Zevende dag Adventisten gesticht stadje in het Zuiden van Californië. Het schiereiland Nicoya in Costa Rica. En natuurlijk Ogimi op Okinawa. Dat de Blauwe Zones langzamerhand wereldberoemd zijn, komt voor een groot deel door Internet. Google “Blue Zones” en je krijgt een stroom van informatie. Bovendien maakte de BBC een romantische documentaire over “mysterieus Okinawa” die de hele wereld is over gegaan. Dat hielp enorm. Blue Zones in het algemeen en Okinawa in het bijzonder appelleren op algemeen gekoesterde wensen gezond en fit heel oud, wel honderd, te worden.

Ook bij mij en zo kwam ik op Okinawa. Gelukkig had ik Angelina bij me. Een Chinese vriendin, die vloeiend Japans spreekt. Zonder haar was ik als iedere toerist aan de buitenkant blijven steken. Meteen de eerste dag na aankomst huurde Angelina een taxi van de hoofdstad Nara naar het dorpje Ogimi. Tweeëneenhalf uur rijden. De rit voelde aan als het slot van een pelgrimage. Maar zoals altijd in pelgrimsplaatsen, we waren de enige pelgrims niet. Schrijvende journalistiek, televisie, radio en internet, uit de hele wereld komen ze naar Ogimi. Toen wij er waren, hield een Spaanse journalist een tafel naast me zijn interviews met dorpsbewoners.
Het dorp bleek gewend aan journalistieke belangstelling. Er zat, hoe kan het anders in Japan waar ze alles goed willen regelen, routine in de ontvangst. Het kloppend hart van de publiciteit is het restaurant Eminomise. Het woord Emi heeft iets met smaak en glimlach. Mise staat voor restaurant. Het restaurant van de glimlach. De eigenares, Emiko Kinjovan, heeft het te druk voor een gesprek, maar neemt ons tussen de middag wel mee haar tuin in. Ze laat ons zien hoe ze groente snijdt voor de maaltijd van die avond. Alles vers. Alles uit eigen tuin. Product van eigen inspanning.

 


Emiko Kinjovan in haar tuin

In haar restaurant draait permanent een film op een groot tv-scherm die Emiko’s boodschap van puur natuur en werken in de tuin bevestigt. We zien een stoet van fitte, tot zeer fitte ouderen. Op de fiets. In de tuin. Aan de wandeling. Een enkeling boven de honderd, al is de honderdtwee jarige die we op de film nog ontspannen zien fietsen, intussen overleden. Een ambtenaar van de gemeente die zich bezig houdt met de publiciteit organiseert voor ons een gesprek met dorpsbewoners. Boter bij de vis. Drieduizend yen (een kleine € 25) per gesprekspartner.
Kikue Okushima is begin negentig. Ze komt koket aan lopen. Kleine vrouw, heldere ogen, zorgvuldig opgemaakt, tasje in de hand.
Aan buitenlandse belangstelling is ze langzamerhand gewend. Vier tot vijf jaar geleden is die begonnen, vertelt ze. Ze denkt door het Internet. De bezoekers zoeken het bijzondere in wat voor het dorp normaal is. Moeilijk genoeg voor haar om op dat bijzondere de vinger te leggen. Het begin van haar verhaal is niet anders dan wat zeer oude vrouwen in Nederland over zichzelf vertellen. Ze is weduwe. Een dochter die ook in het dorp woont, komt iedere dag even langs. Een andere dochter, die wat verder woont komt geregeld. Tot zo ver alles als gebruikelijk. Maar dan. Ze is niet eenzaam. Eat and meet, zegt ze. Eet samen, zoek elkaar op. Toen mijn moeder zo oud was als zij, vertel ik haar, had ze er moeite mee de allerlaatste van haar generatie te zijn. Daar verbaast Kikue zich over. Ze voelt zich niet achtergelaten, omringd als ze is door de geesten van wie stierven.
Moria Taira (83) schuift aan. Hij is oprichter en drijvende kracht van een club van tachtigers en negentigers. Samen doen ze aan sport. Ze koken geregeld samen. Hun voedsel verbouwen ze zelf. In eigen tuin. Zelf planten, zelf oogsten. Ze bewegen veel. Kikue danst graag op de dansavonden van de club. Ze kijkt weinig televisie. Eigenlijk alleen als ze, alleen thuis, zit te eten. Ze leest veel.
Later praten we verder met Izena Kazuyo. Ze is als ambtenaar Sociale Zaken belast met de zorg voor oudere mensen in Ogimi. Ze ontvangt ons in een gebouw dat speciaal voor mensen boven de 65 is gebouwd. Voor dagelijks gebruik. Er is een gymzaal. Een diëtiste geeft er eetadviezen en een praatje maken als ze daar behoefte aan hebben. Haar verhaal verschilt niet veel van dat van een Nederlandse ambtenaar Bejaardenzorg.
De speciale zorg voor ouderen stamt van zo’n dertig à veertig jaar geleden. Veel mensen kwamen er toen alleen te staan. Kazuyo probeert ze uit hun huis te krijgen, isolement te voorkomen. Iedere oudere, zegt ze, heeft haar of zijn eigen probleem. Ze drukt zich voorzichtig uit, maar tussen de regels door merk je wel dat ze dat gedoe om die Blue Zones een beetje overdreven vindt. Een beetje een hype die bovendien al over haar hoogtepunt heen is. Het is intussen al weer tien jaar geleden dat de ontdekking van Blue Zones voor opwinding zorgde, zegt ze. In die tien jaar is er veel veranderd. Belangrijkste verandering is wel dat de mensen veel makkelijker aan dingen kunnen komen die ongezond zijn en waarvoor ze niet meer in de tuin hoeven te werken.
Want, zegt ook zij, die combinatie van simpel voedsel en lichamelijk werk was toch de basis van het honderd jaar worden. Het voedsel dat ik Emiko Kinjovan een uurtje eerder in haar tuin had zien afsnijden. Zelf verbouwd, zelf de grond bewerkt. Enthousiast noemt Kazuyo ook het vlees van het eigen Okinawaanse varken en de geneeskrachtige werking van het sap van citrusvruchten. Sober eten, beetje vlees, beetje citrussap. En dat alles in combinatie van lichamelijk werk en veel bewegen.
Voedsel is inderdaad belangrijk, zegt de professor You Xianxun, die, zelf Chinees, vanuit Tokyo het Japanse oud-worden onderzoekt. Want niet alleen op Okinawa zijn veel honderdjarigen. De prefectuur Nagano, die wij alleen kennen van de Winterspelen van 1998 met de twee gouden medailles voor Gianni Romme, heeft de hoogste levensverwachting van heel Japan. Hoger nog dan Okinawa. Toch zijn voedsel en bewegen niet het hele verhaal.
In Ogimi leven de mensen in verbondenheid. Verbondenheid met de grond. Ze eten wat de grond oplevert aan voedsel. Maar ook verbondenheid met elkaar als dorpsgemeenschap. En verbondenheid met de geesten van hun voorouders. Op alle daken in het dorp staat de shisa, de mythische kruising tussen hond en leeuw. De shisa verbindt met de voorouders en waakt, weert het boze, zorgt voor vrede. Kikue Okushima voelde de voorouders om haar heen, als goede, beschermende geesten.

Shisa’s op het dak

Honderd worden, begrijp ik, is niet een kwestie van willen, dieet, oefeningen of ascese. Honderd worden is niet los verkrijgbaar. In Ogimi is het de uitkomst van vele jaren leven op een bepaalde manier. Een leven met natuur en seizoenen, met elkaar. Sober ook. Jaar na jaar, na jaar, na jaar. Met veel zelfredzaamheid. Met honderd worden kun je niet vroeg genoeg beginnen.
Aan al die beschouwingen voegt Satoshi Uchima nog de zijne toe. We ontmoeten hem op een historische plek. Bij de ruïnes van het Nakijin kasteel. Uchima is er manager van museum en kasteel. Het kasteel staat op de Werelderfgoedlijst van de Unesco. Uchima was een gewone, doorsnee Japanse salaryman, vertelt hij. Maar hij kreeg steeds meer last van de stress, wou daar vanaf en vond, nu een jaar geleden, een stressloos bestaan op Okinawa. Hij heeft er wel offers voor moeten brengen. Zijn vrouw is, met haar werk, achtergebleven in Kobe. Zijn kinderen zitten in het buitenland. Hij is alleen. Maar ZONDER STRESS. Hij benadrukt het keer op keer.
Voor hem is het dan ook glashelder waarom er zo veel honderdjarigen zijn op het eiland. Het is het ontbreken van stress. Hand in hand met het ontbreken van een behoefte aan meer. Meer geld, meer eten, meer luxe goederen. Wat ze nodig hebben om te leven, vinden ze in Okinawa om zich heen. Je voelt hoe belangrijk dat inzicht voor hem is. Ook welk offer hij er voor heeft moeten brengen. Hij maakt een eenzame indruk.

Ik had nooit van de serie gehoord. Maar ik ben ook geen volger van de Koreaanse TV. It’s Okay, It’s Love, heet de serie. Een romantische serie over de liefde. Een klein, maar belangrijk deel is opgenomen in huis en tuin van Miyagi Reicho (71), niet ver van Ogimi. De tuin moet een belangrijke plek in de serie hebben gespeeld, want Reicho’s tuin is een pelgrimsplaats geworden voor Koreaanse stellen, die hier, in Reicho’s huis en tuin komen om samen te mediteren over hun liefde. Als om zijn woorden te bevestigen meldt zich op de stille zondagochtend dat we hem opzoeken, een Koreaanse familie. Reicho weet wat ze willen : naar boven om op de eerste verdieping, in de kamer, waar in de serie “alles gebeurde” samen te zijn Man, vrouw, twee kinderen. Hij is er aan gewend. Voor een gering bedrag mogen ze boven hun gang gaan.


Miyagi Reicho en zijn vrouw Miyagi Yoshi

Reicho gelooft niet zo veel in die bijzondere verhalen over oud worden. Je voelt bij hem dezelfde scepsis als bij gemeenteambtenaar Izena Kazuyo. Zijn vrouw Miyagi Yoshi (65) en hij kunnen ook niet zeggen waardoor dat lange leven dan wel zou komen. Na lang nadenken komen ze op gezond water. Maar vooral denken ze toch dat de wereldwijde belangstelling veroorzaakt is door de schitterende documentaires die BBC en ABC maakten van de regio. Reicho ziet zijn tuin als een door hemzelf gerealiseerde droom van healing. Ook hij was, net als Satoshi Uchima, salaryman. Met alle stress die daar bij hoort. Zijn besluit te leven van zijn tuin, zijn koffiehuis en de verkoop van aardewerk, was een doorbraak. Hij voelt zich verbonden met zijn grond, al ziet hij heel goed dat hij met zijn 71 jaar langzamerhand voor de vraag komt hoe lang hij het onderhoud van tuin en huis volhoudt. Zeker niet tot zijn honderdste.

De laatste dag in Okinawa is gewijd aan het Okinawa Peace Memorial Park. Een plek van de dood. Ter herinnering aan de slag van 1945. Groot, uitgestrekt. Het park bevindt zich op de plek waar de laatste gevechten plaats vonden. Behalve aan 110.000 Japanse en ruim 12.000 Amerikaanse soldaten kostten de gevechten een derde van de bevolking (ruim honderdduizend) het leven. Nog af gedacht van de ontelbare gewonden aan beide zijden. Ik was al bepaald bij de slag tijdens mijn gesprek met Moria Taira, de initiatienemer van de Ouderenclub in Ogimi. Tussen neus en lippen door vertelde me dat zijn beide ouders bij de slag waren omgekomen. Hij praatte er verder niet over. Het bepaalde me er wel bij hoe zeer die slag nog leeft. Zeker bij de ouderen. Van het eiland was eind juni 1945 weinig meer over. De hoofdstad Nara was totaal verwoest. De heftigheid van de slag was aanleiding voor de Amerikanen, die een herhaling van dit bloedbad verwachtten bij de verovering van de grote Japanse eilanden, serieus te gaan nadenken over de inzet van atoombom. Er loopt een rechtstreekse lijn van Okinawa naar Hiroshima en Nagasaki.


Marmeren lijsten met namen

Het Memorial Park is vooral groot. Je kunt er zo een uur lopen. Op marmeren platen staan de namen van alle gestorvenen, Japanners én Amerikanen. Honderden platen, kleine letters, allemaal namen. Zo veel, veel te vroeg afgesneden levens. En dan ineens die honderdjarigen. Raadselachtige paradox. Raadselachtig als het leven zelf.

Wie zou zo’n bestuur willen missen?

November 2007 organiseerde het toenmalige Gemeenschapsfonds (nu Activiteitenfonds) een gesprek met vrijwilligersorganisaties over de Blaricumse dorpsgemeenschap. Een belangrijk thema, vonden de aanwezigen (zo’n 25 man). Jammer alleen, klaagden ze, dat de (lokale) overheid vooral haar eigen belang behartigde en dat dat slechts zeer ten dele samenviel met wat de vrijwilligers als hun belangen zagen. Zelfs de imkers van bijenschans Steegland wilden in die tijd niets meer met de politiek te maken hebben. Er was een gapende kloof tussen lokale overheid en deze lokaal actieve burgers.

Dat dat elf jaar later heel anders is, blijkt als je het Coalitieakkoord leest, dat 24 april j.l. door de Raad met grote meerderheid is aangenomen. Centraal in het Akkoord staan verbetering en uitbouw van de dorpsgemeenschap. Het gaat over kroonjuwelen en kernwaarden. Over veiligheid, groenonderhoud en openbaar vervoer. Over evenementen, sportvoorzieningen, duurzaamheid en een woonbeleid waardoor alle inkomensgroepen hier kunnen wonen. En, natuurlijk, over gezonde financiën, goede communicatie en burgerparticipatie.

Vier van de zes partijen in de Raad (Hart voor Blaricum, De Blaricumse Partij, CDA en Democratisch Alternatief Blaricum, dat trouwens graag had willen meedoen) stemden voor. De andere twee partijen, D66 en VVD, waren niet tegen, maar wachtten liever even af.

Met haar brede akkoord en haar aandacht voor wat burgers willen past Blaricum in de landelijke trend. Want de zaak is aan het verschuiven in de gemeentepolitiek. Enerzijds komen er steeds meer partijen. De zaak fragmentariseert, zou je zeggen. Maar kijk, partijen zijn veel meer dan vroeger gaan samenwerken. Sombere voorspellingen dat regeren met zoveel kleine partijen onmogelijk zou zijn, zijn tot nu toe niet uitgekomen. Overal zie je coalities gedragen door vier, soms zelf vijf partijen.

Die ontwikkeling leidt tot een andere vorm van bestuur. Ging het er eerder om, zoals in 2007, dat je de macht had om legitiem je plannen uit te voeren. Tegenwoordig gaat het om representativiteit – de vele partijen zorgen ervoor dat de Raad met haar besluiten de samenleving in al haar facetten moet representeren. Vanzelfsprekend dat ze bij die besluitvorming de burgers betrekt. Terecht dan ook dat aandacht voor burgerparticipatie speciaal in het Coalitieakkoord vermeld wordt. Jammer voor de imkers dat het in 2007 zover nog niet was.

Tussen twee haakjes, deze ontwikkeling in de gemeentepolitiek staat haaks op het voornemen van de Provincie de Gooise gemeentes samen te voegen. Centraal punt in die plannen is de bestuurskracht. Precies het begrip dat tien jaar terug hoog in het vaandel stond en zorgde voor de kloof tussen burgers en politiek. De ontwikkeling in de lokale politiek is juist de andere kant op. Het moet representatiever worden, dichter bij de burgers, minder van bovenaf gestuurd.

Voor het zover is, is er trouwens nog wel wat huiswerk te doen. Hoe komt de politiek erachter wat de burgers willen? Goed idee in dat verband om een onafhankelijk bureau te laten onderzoeken hoe burgers tegen de samenvoeging van Huizen, Laren en Blaricum aan kijken. Een bestuur dat echt luistert maakt zichzelf sterk. Wie zou zo’n bestuur willen missen?

Mens en procedure, overdenking bij een kunstgrasveld

In 2016 stond het er niet lekker voor bij de Blaricumse Voetbalvereniging BVV ’31. Goede kans dat de KNVB haar kunstgrasveld zou afkeuren met als gevolg geen competitievoetbal meer. Wat is je bestaansrecht nog als je niet meer tegen andere clubs mag voetballen?

In die zorgelijke tijd meldde zich een redder in de nood. Hij reed nog net niet op een wit paard, maar verder leek het wel een sprookje. !lij bood aan uit eigen zak 600.000 euro voor te schieten voor twee nieuwe kunstgrasvelden en het, met hulp van de BVV-Ieden, opknappen van de kleedkamers. Of de Gemeente, eigenaar en verhuurder van het Sportpark, wilde meedoen met deze reddingsactie.

Fantastisch natuurlijk, er was alleen één maar BVV ’31 gaf aan dat er snel geschakeld moest worden, heel snel. De KNVB kon immers het oude veld afkeuren en dan stond het voortbestaan van de club op het spel. Nu kun je bij projecten van de overheid aan alles denken behalve aan ‘snel schakelen’. Alleen al de verplichting meerdere partijen offertes te laten uitbrengen bij overheidsaanbestedingen kost tijd. Die tijd was er dus niet. Daar kwam nog bij dat geldschieter en BVV al een bedrijf gevonden hadden dat de velden tegen een redelijke prijs wilde aanleggen. Wilde de Gemeente ‘ja’ zeggen tegen het plan, dan moest ze haar eigen aanbestedingsregels opzij zetten en, als consequentie daarvan, alle stukken, waaruit zou blijken dat ze dat bewust gedaan had, geheim moeten verklaren tot de velden er lagen.

Een duivels dilemma

Mogelijkheid I: Je kiest voor de procedure en laat je kennen als een bureaucraat die regels belangrijker vindt dan de eigen dorpsclub.

Mogelijkheid 2: Je kiest voor de dorpsclub en laat daarmee zien dat je (vriendjespolitiek”) soepel kunt zijn met procedures waarmee je als bestuurder niet soepel zou moeten zijn.

Een diepe kloof, met aan het einde toch nog iets van verzoening Een rapport van de BEL Rekenkamer die de zaak van de Kunstgrasvelden onderzocht, was er glashelder over. College en Coalitiepartijen hebben gekozen voor Mogelijkheid 2. Met een felle Raadsminderbeid tegen. Vooral de VVD zat het hoog. De overheid beeft een voorbeeld functie. Wat is de zin van je raadslidmaatschap, als de overheid zelf maar wat aan rommelt? Op een speciale Raadsvergadering, helemaal gewijd aan het Rekenkamer rapport kwam het er allemaal uit. Met tegenover de boze woorden van de oppositie sussende woorden van de Coalitie: de schoonheidsprijs verdient het niet, maar iedereen is nu toch blij met het resultaat en er was toch geen sprake van misleiding. Een diepe kloof, met aan het eind toch nog iets van verzoening. Laten we leren van de kunstgrasaffaire. Laten we het een volgende keer anders, beter doen.

Principiële discussie

Mooi! Toch had ik graag ook iets van een andere, meer principiële discussie geboord: zijn procedures altijd onaantastbaar, ook als handhaving ervan de oplossing blokkeert van een probleem dat al jaren de verhoudingen verziekt en onoplosbaar leek?

Als niemand zich verrijkt, als alle betrokkenen blij zijn met het resultaat, als verloederd verandert in spic&span, als er een beetje meer geluk is gekomen, zou de mens dan niet moeten gaan boven de
procedure?

Het stadse dorp

Heerlijk Internet! Een druk op de knop en hup, daar heb je alle raadsvergaderingen van 2017 op je scherm. Wat een onderwerpen! Bestemmingsplannen, Snelle Bus, samenwerking in Gooi, Vecht en BEL, een fi etsbrug, Bijvanckpleinen, begrotingen, woonvisies, rechtsposities, geheimhoudingen, Blauwe Zones, alcohol en jeugd, belastingen, leges en zo kan ik nog wel even doorgaan.

Een enkele keer gaat het om zaken (snelle bus/blauwe zone) dichtbij de burger. Vaker komen de onderwerpen uit de verre wereld van bestuur, politiek en bureaucratie. In de Raad komt de burger zelf aan het woord in de Rondetafelgesprekken. Of we eindelijk eens rechtsaf mogen als we vanuit Huizen over de LeCoultredreef naar het oude dorp willen. Dat er in de Eerste Molenweg 32 Japanse Notenbomen zonder vergunning gekapt zijn. Dat een buurman niets aan de erfafscheiding doet. Dat de OBB te veel schuift met haar hoogbegaafde leerlingen. Dat er iets niet klopt met de Koningsdagvergunning van Moeke. Enzovoorts, enzoverder.

Doe-democratie
Het geeft de Raadsagenda’s iets van hollen of stilstaan. Of abstract en van ver. Of concreet, maar dan ook wel heel dichtbij. Zou er niets tussenin zitten? Sinds een paar jaar is de term Doe-democratie in zwang gekomen (zie van het Sociaal Cultureel Planbureau (www.scp.nl): De Dorpse Doe-democratie (2016)). In een Doe-democratie geven bewoners zelf vorm aan hun dorp en regeert het volk mee door dingen ‘simpeltjes’ te doen. Bijvoorbeeld door met een ‘zelfredzame inzet’ een speeltuin te onderhouden. Of een dorpsfeest te organiseren. Wie mee doet, heeft invloed op wat tot stand komt.

Zeven types dorpsbewoners
Het SCP heeft uitgezocht wat de inwoners van een dorp belangrijk vinden. Onderling verschillen die dorpsbewoners sterk. Het SCP onderscheidt maar liefst zeven types dorpsbewoners. Van de autochtone, kerkelijke bewoner, die hecht aan binding en sociale contacten. Tot de dorpsgenoot die hier kwam voor de rust en bij binding denkt aan landschappelijk en niet aan sociaal. Toch, hoe verschillend ook, alle zeven types willen hetzelfde: een schoon, heel en veilig dorp, met basisvoorzieningen als school, winkel en bus, mogelijkheden voor jong en oud elkaar te ontmoeten, financieel bereikbare woningen, een goed ondernemersklimaat, en belevingskwaliteit door natuur, fietspaden en historische bebouwing. In een Doe-democratie zet het lokale burgerschap zich in voor die kwaliteiten.

Soms wel, vaker niet
Volgens het SCP vindt trouwens minder dan de helft van de dorpsbewoners dat de Gemeenteraad open staat voor initiatieven van bewoners. Kijk de Raadsagenda’s van 2017 er op na en je ziet het voor je. Als onderdeel van het politiek/bureaucratisch bestuurssysteem lijkt me de Raad dat nauwelijks te verwijten. Dat systeem meet leefbaarheid en kwaliteit op eigen wijze. Met de gewone werkelijkheid van de burgers heeft dat slechts in verder weg liggend verband te maken. Zie hierboven wat dorpsbewoners belangrijk vinden en vlooi de raadsagenda’s van 2017 er eens op na hoe vaak het daar praktisch en effectief over ging.

Soms wel, vaker niet.

Blaercom en Vitus

Sinds september 2012 heeft buurgemeente Laren een Gemeenschapshuis. Open, toegankelijk, multifunctioneel. Het wordt gedragen door vrijwilligers. Het Brinkhuis is een aanwinst voor de Larense gemeenschap. Zou zoiets ook in Blaricum kunnen?

Wij hebben twee gemeenschapshuizen, Blaercom en Vitus. Met Blaercom gaat het niet goed. Het Bestuur kwam onlangs met een berekening dat het zonder ingrijpende veranderingen over vijf jaar  over en uit is met Blaercom. Voor het Vitus ligt dat door feesten, partijen, bruiloften en uitvaarten iets anders, maar wat meer aanloop en activiteit zou ook daar niet slecht zijn.

Één dorpshuis?

In een dorp ken je elkaar. Dat helpt. De besturen van Blaercom en Vitus besloten samen naar hun problemen te kijken en de mogelijkheden voor één nieuw Dorpshuis te onderzoeken. Bijvoorbeeld in het Vitusgebouw, dat dan wel een stuk groter moet worden. Dat zou kunnen door het stuk grond ernaast (eigendom van de RK-Kerk) te bebouwen. Weliswaar zegt het bestemmingsplan van die
plek: ‘Bouwvlek voor gelaagde appartementen’, maar misschien kan daar nog eens naar gekeken worden. Wat komt bij zoiets kijken? Wat voor functies wil je hebben? Een gymzaal voor binnensport,
(waar veel behoefte aan is)? Of vooral een ontmoetingsplek? Maar moet je voor zo’n ontmoetingsplek niet in het hart van het dorp zitten (zie Laren)? En, maar dat terzijde, zouden de omwonenden van de Vitus ook zo blij zijn met zo’n nieuw centrum? Vragen, vragen die je allemaal moet onderzoeken. Zulk onderzoek kost geld. Geld dat de besturen van Blaercom en Vitus niet hebben. En dus klopten ze aan bij het college van B & W. De reactie van het College deed me denken aan de serie Frozen Planet van de BBC, maar dan nog iets killer. Onderzoek prima, maar geen cent van ons en reken je
ook niet rijk. Jullie kochten de grond van Blaercom ooit van ons, in 1976, voor omgerekend € 30.630. Met een recht van terugkoop door ons voor datzelfde bedrag. Meer krijg je niet. En met dat
Bestemmingsplan doen we voorlopig ook nog helemaal niets. Hoe demotiverend wil je het hebben? Op haar laatste vergadering in het oude jaar besloot de Raad alles maar eens even op zijn beloop
te laten. Misschien voorgoed.

Particulier initiatief

De weinig empathische reactie van het College heeft in elk geval de charme van de duidelijkheid: als jullie iets willen met dat Dorpshuis, reken dan niet op ons. Ik vond dat eerst wel wonderlijk. In de vorige vergadering van de Raad ging het over Blaricumse kernwaarden om te bewaren als de gemeente Blaricum ophoudt te bestaan. Een vergadering later worden plannen voor een nieuw en vitaal Dorpshuis (is dat dan geen kernwaarde?) door een poolwind weggeblazen. Dan begrijp ik politiek niet goed. Het lijkt zo willekeurig. Maar later dacht ik dat het eigenlijk wel goed is dat bestuurders en politici nul thuis geven. Zo’n Dorpshuis is een zaak van burgers. Van burgerinitiatief. Niet iets dat ons moet worden aangereikt door de Overheid. Kijk naar Laren: allemaal particulier initiatief. Particulieren genoeg in ons dorp. Initiatief ook. Wie pakt het op?

Kernwaarden

Stel dat de Provincie haar zin doorzet en dat er straks een nieuwe gemeente Blaricum/Huizen/ Laren komt. Wat zijn dan de typisch Blaricumse waarden die niet verloren mogen gaan in het nieuwe grote geheel?

Allerhoogste tijd ons daarop te bezinnen, vonden VVD en D66 en vroegen in de raadsvergadering van 28 november j.l.. per motie aan het College om een lijstje kernwaarden. Met nul beginnen hoeft niet, zeiden ze. In de strategische visie Blaricum, een authentiek dorp in het Gooi van 2010 staan die kernwaarden al. Vraag aan Raad en bevolking welke waarde ze prioriteit geven en klaar is Kees. Aan de slag dus. En gauw een beetje.

Sommige partijen, zoals Hart voor Blaricum, ging dat veel te snel: ‘Zo’n beladen onderwerp kun je niet in zo korte tijd regelen’. Andere waren positiever: ‘We willen hetzelfde, maar verschillen over welke stappen we moeten zetten’ (CDA). Geleidelijk aan werd steeds duidelijker dat tegen de motie stemmen gezien zou worden als ‘de zaak maar op zijn beloop te laten’. Geen goed signaal zo vlak voor de verkiezingen. Zo namen uiteindelijk alle partijen het initiatief van VVD en D66 over.

Blijft de vraag wat de Blaricumse kernwaarden zijn. Toen ik daarover nadacht moest ik denken aan de schrijver P. H. van Moerkerken en zijn boek De ondergang van het dorp uit 1913. Hoewel het boek over Laren (Aarloo) gaat en slechts in de marge over Blaricum (Nierode) en Huizen (Merum), is er voor Blaricummers genoeg te herkennen. Een van Moerkerkens hoofdpersonen is Dirk Boersink (Jan Hamdorff). Oorspronkelijk een ober uit Amsterdam. Als Holtmark (Het Gooi) een spoorverbinding krijgt, ziet Boersink als eerste de mogelijkheden voor het armelijk, achter gebleven Aarloo: ‘Uit de steden reed de Holtmarkse stoomtram al voller zomerwagens op den brink. De herbergiers vertimmerden hun zolders met kleine vertrekjes, bouwden veranda’s en serres uit. En jaar na jaar werden de boeren slimmer, de optrekjes talrijker, de prijsen hoger.’ Boersink ontwikkelde een wijk met villaatjes voor welgestelde Amsterdammers, terwijl zich intussen ‘kunstenaars en kunstnijveren, simpele vereerders van kunst en dichterlijke minnenden van de landelijke eensaamheid, strevenden naar een reiner samenleving volgens vegetaries en kommunisties beginsel’, in Aarloo en Nierode vestigden. Deze kunstzinnigen ontwierpen hun eigen huis ‘zodat elk huisje het eigen persoonlijk karakter droeg van den sierkunstenaar, den geleerde, den schilder, de dichteres. Doch alle hadden deze woningen gemeen het rustiek-onbezorgde, het luchtige, het vrij-zijn van elke stijl-traditie.’

Van Moerkerken onderscheidt drie lagen in de bevolking van Aarloo. De oorspronkelijke bewoners; arm, eenvoudig, katholiek, maar slim genoeg om hun graantje mee te pikken. De eigenzinnige kunstenaars. En de welgestelde burgers van elders. Zijn boek laat zien hoe Hamdorff en andere projectontwikkelaars het dorp overnemen. Hoe het geld alle woestheid en ongereptheid weg vreet en
er villaatjes voor in de plaats zet. En toch houden oorspronkelijke bevolking en kunstenaars hun plek.

Die speciale mix van geld, kunst en oorsprong lijkt mij tekenend voor Blaricum. Het bewaren van dat wankele evenwicht (want niets is agressiever dan geld) lijkt mij de kernwaarde van ons dorp.

In memoriam Gerard Dekker

Vorige week plaatste ik op deze site een bespreking van Verlicht geloof van godsdienstsocioloog Gerard Dekker. Het was een eindbalans van zijn geloof. Hoe geloofde hij? Wat geloofde hij (nog)? Het was letterlijk een eindbalans. Maandag 27 november is Gerard (86) na een korte ziekte overleden. De email waarin ik hem attent maakte op mijn bespreking heeft hij niet meer gelezen. Hij lag toen al op de Intensive Care van het ziekenhuis. Jammer. Gerard had graag dat je, eens of oneens, reageerde op wat hij schreef. Naar aanleiding van mijn recensie zou hij me zeker gebeld hebben en me hebben uitgenodigd voor een nagesprek bij hem thuis. Daar zou hij mij aandachtig aangehoord hebben om me daarna vriendelijk en vasthoudend uit te leggen waarom hij had geschreven wat hij had geschreven.

De laatste keer dat we elkaar zagen, in mei van dit jaar, praatten we over Verlicht geloof dat toen op punt van verschijnen stond. Maar ook over zijn gezondheid (die goed was) en het permanente, stapje voor stapje, achteruitgaan. In tegenstelling tot vroeger toen het niet bon ton was om over je gezondheid te praten tenzij er echt iets heel ergs was, is gezondheid een onderwerp als mannen op leeftijd elkaar treffen. Dat komt natuurlijk door de dood die steeds dichter bij ons komt.

Gerard sprak er nuchter over. Hij zat nog iedere dag in zijn studeerkamer waar alles piekfijn op orde en opgeruimd was. Beschouwde Verlicht geloof wel als zijn laatste boek, maar hield een slag om de arm. Over dood en sterven had hij lang nagedacht. Sterven hoort bij leven. Onvermijdelijk. Aftakeling, daar maakte hij zich meer zorgen over.

Gerard had altijd iets op het oog. Iets dat hij wilde uitzoeken. Een stelling, een probleem. Vaak iets sociologisch, zoals de vraag of de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt de zelfde ontwikkeling doormaken als de Gereformeerde Kerken waarvan zij zich in 1944 met veel lawaai en ruzie afscheidden. Alleen dan vijftig jaar later. Hij vond van wel en schreef er een boekje over. Hij hield van zijn vak, de godsdienstsociologie. Maar meer nog hield hij van de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer. En niet zonder reden. Bonhoeffer wees hem de weg om zijn geloof vast te houden. Om te blijven geloven. En Gerard zou Gerard niet zijn geweest als hij daar de buitenwereld niet over had verteld in het ene boek na het andere. Onderzoek alle dingen en wees trouw aan jezelf. Zo was Gerard. Ik zet hem bij op mijn eigen kerkhof. Bij al die andere doden die daar al liggen. Ook hem zal ik missen.

Jacobine op zondag – Hoe ga je verder na het overlijden van je kind?

Afgelopen zondag was Jan met het verhaal over Aartje op de televisie (17.10 NPO 2, Jacobine op zondag)

Door op de onderstaande link te klikken kan de uitzending worden bekeken.

https://npo.nl/KN_1693892

Verlicht geloven?

Is geloof nog iets voor deze tijd of is onze cultuur dermate veranderd, dat je niet meer tegelijk modern mens en gelovig kunt zijn? Gerard Dekker (emeritus hoogleraar godsdienstsociologie aan de Vrije Universiteit) is er helder over: de combinatie van modern mens en traditioneel geloof is niet langer mogelijk. Daar zijn een paar redenen voor. Dekker somt ze op.

  1. In het traditionele christelijk geloof boog de mens voor God, accepteerde dat de Kerk optrad als hoedster van Waarheid, en boog zich daarom in één adem door ook voor Paus of Synode. Voor dat buigen is de mens te autonoom geworden.
  2. Inhoudelijk ging geloven over eeuwige zaken. Over God, zijn Zoon, de hemel en, niet te vergeten, de zaligheid van de menselijke ziel. Het aardse leven was voorbereiding op een eeuwig bestaan in de hemel bij God. Intussen is de hemel verdampt en de mens, net als alles wat leeft op deze aarde, het (voorlopig) eindpunt van een alles bepalend evolutionair proces.
  3. In onze moderne cultuur draait het om praktisch handelen. Om wat je doet. Om leven en niet meer om leer. In de Kerk daarentegen ging het over eeuwige waarheden als Verkiezing, Verzoening of Voorzienigheid. Tegenwoordig is daar geen interesse meer voor. Ook in de Kerk niet. Ook in de Kerk gaat het in deze tijd om praktische zaken als homoseksualiteit, euthanasie of bewust omgaan met het milieu.

Als godsdienstsocioloog heeft Dekker deze ontwikkelingen in Kerk en cultuur zijn lange leven lang bestudeerd. Met als conclusie: wil een modern mens nog geloven, dan moet hij anders geloven. Hoe dat “anders” er uit ziet, leerde hij van de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer. Bonhoeffer pleitte voor een geloof betrokken op praktisch handelen, geloven was voor hem gehoorzamen. Dekker noemt zulk geloof verlicht in een dubbele betekenis. Verlicht omdat dit geloof enerzijds de Verlichting in zich heeft opgenomen. Waarbij Verlichting staat voor menselijke autonomie en het verdampen van een God in de hemel die ons leven stuurt en leidt. Daardoor is dit geloof ook in een tweede, letterlijke betekenis verlicht, lichter geworden.

Verlicht geloof is gericht op onze alledaagse werkelijkheid. Verlichte gelovigen leven alsof er geen God bestaat. Geloven is voor hen handelen, doen, het doen van Gods wil. Ook de verlichte gelovige bidt en mediteert, maar hij doet dat om praktische redenen, om helder te krijgen wat God van hem wil. Zijn geloof verwijst hem naar de wereld en de naaste.
Daartegenover is het traditionele geloof “een zeker weten”. Lees de Heidelbergse Catechismus er maar op na. Natuurlijk moet dat ‘zeker weten’ ook volgens de Catechismus praktische consequenties hebben maar de nadruk ligt op het weten, het beamen. Bonhoeffer noemt zulk geloof “religie” en dat bedoelt hij niet gunstig. Religie staat voor rust, voor berusting. Het is risicovol, want het kan maken dat je weg kijkt bij onrecht, en vlucht in geborgenheid bij een God die voor je zorgt. Ook als de wereld in brand staat.
Bonhoeffer leefde in een tijd waarin dat laatste het geval was. De Nazi’s waren in zijn vaderland de baas. De verschrikkingen van hun regime vroegen om duidelijke keuzes. Wie de keus voor zich uit schoof en maar berustte, was zo maar meeloper of, ernstiger, medeplichtige. Geloven betekent in zo’n tijd praktische inzet, gehoorzamen. Als je je geloof serieus neemt tenminste. Bonhoeffer deed dat en heeft het met de dood moeten bekopen.

Intussen zijn we sinds zijn dood tweeënzeventig jaar verder en komt, met alle respect voor Bonhoeffer, de vraag op of deze praktische visie op geloof nog aansluit op deze tijd.
In Dekkers vakgebied, de godsdienstsociologie, is de laatste jaren een stoet van studies verschenen over het verschijnsel religie. Religie wordt er in beschreven als iets dat bij de mens hoort vanaf het allereerste begin van zijn bestaan. Onze vroegste voorouders, de nomadische jagers/verzamelaars hadden al goden. Maar na de overgang van die nomadische periode naar de periode van land- en stedenbouw bloeiden de religies pas echt op.
In onze streken, het Westen, ontwikkelde religie zich in leerstellige richting, werd steeds sterker een zaak van God en eeuwigheid. Het lijkt me onjuist, en ook te Westers centralistisch gedacht, om die Westerse manier van denken over religie te zien als hét model van religie. Religie is net zo divers als menselijke culturen divers zijn.
Ik, en van Dekker geldt hetzelfde, ben opgevoed in één strakke variant van de christelijke religie. In die variant lag de nadruk op het Wat van het geloven. Op inhoud en eeuwige Waarheid. Pas na het Wat kwam het Hoe, het doen. Het Wat is intussen goeddeels verdampt. Zo is het Hoe overgebleven en is geloven handelen geworden. Mij is dat te mager.

De laatste tijd besef ik steeds sterker dat ik ben blijven geloven omdat ik dat wil. Ik wil geloven. En met geloven bedoel ik iets ervaren van eeuwigheid. Dat kan op heel verschillende manieren. Bijvoorbeeld in een gedicht. Of in liefde die me geschonken wordt. Of ik ervaar iets van eeuwige welwillendheid als ik een wandel in een zomers bos.. Ik wil blijven geloven in een Kerk die ingebed is in een eeuwige traditie van liefde en zorg. In de symbolen van brood en wijn wil ik de paradox ervaren van Gods Zoon die sterft aan het kruis. Ik wil geloven dat die traditie na mij zal doorgaan zoals ze er voor mij was. Ik wil, nu ik ouder geworden ben, nadenken over al die ervaringen van eeuwigheid en me (jawel heel “religieus”) koesteren in de geborgenheid die deze me geven.

Waarschijnlijk ben ik te zeer een romanticus voor Dekkers geloof. Het is door en door fatsoenlijk, maar voor mij te koel. Misschien wel te helder. Geloven is voor mij een ervaring te midden van raadsels, vaak zelf een raadsel, een rimpeling, en veel te diffuus om te functioneren als uitgangspunt voor een handeling. Want schrijf je dan anderen de waarheid toch weer niet voor?

Gerard Dekker, Verlicht geloof. Geloven in de geest van Dietrich Bonhoeffer.
Uitgeverij Kok € 13, 50

Oudere berichten

© 2018 Jan Greven

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑

%d bloggers liken dit: