Jan Greven

Het denken blijft doorgaan

Maand: maart 2014

Zou het met religie anders zijn dan met seks?

Antropoloog André Droogers (www.andredroogers.nl) is op zoek naar een nieuwe God. Hij noemt hem God 3.0, opvolger van God 1.0 en God 2.0. God 1.0 was de God van de voormoderne tijd. De God die de wereld schiep en sindsdien bestuurde vanuit de hemel. Na de voormoderne tijd kwam de moderne tijd. Waar die omslag serieus werd genomen, kwam God 2.0. De fundamentalisten namen de omslag serieus, maar voor hun Godsbeeld maakte dat niks uit. Hun God bleef de Schepper en Bestuurder. Dat Droogers hun God toch God 2.1 noemt, komt omdat ze Hem wél in bescherming namen tegen moderne ideeën zoals van Darwin en zijn volgelingen en hun godsbeeld daar onvermijdelijk de sporen van draagt. En dan is er God 2.2, de God van de vrijzinnigen. In tegenstelling tot God 2.1 is God 2.2 wel aangepast aan de moderne tijd. Na Darwin noemen de vrijzinnigen God niet langer Schepper. Ook zien ze Hem niet meer als manlijk bestuurder maar onderstrepen juist zijn vrouwelijke kanten. Tegelijk blijven ze in de christelijke traditie. God 2.2 is monoreligieus. Een eigen, christelijke God. Met God 3.0 wil Droogers op dit punt verder. God 3.0 is niet meer de God van één bepaalde religie. Wie of wat is God 3.0 dan wel?

In zijn antwoord op die vraag legt Droogers de nadruk op wat deze God doet, niet op wie Hij is. Voor een goed begrip: dat doen is natuurlijk geen ‘doen’ zoals de voormoderne God iets deed. Met het ‘doen’ van God 3.0 doelt Droogers op de rol die Hij, aanwezig of afwezig, speelt in de menselijke zoektocht naar zingeving. Ieder mens, atheïst, gelovige en alles daar tussen in, zoekt naar zin, schuift met betekenissen, verbindt ze met elkaar, ontkoppelt. Steeds bezig.

En toch kan geen enkel mens zeggen dat hij de waarheid gevonden en het laatste woord gesproken heeft. Ja, voor zichzelf. Maar niet in algemene zin. Dat geldt voor de gelovige net zo goed als voor de atheïst. Altijd blijven er onbewezen vooronderstellingen (zoals: de mens is goed of slecht; de menselijke geschiedenis is een geschiedenis van vooruitgang). Altijd zijn er vragen waar de wetenschap geen antwoord op heeft. God 3.0 is een God van het open einde. De God van een spel, dat je, hoe serieus je het ook neemt, speelt met een knipoog. Een knipoog die het eindresultaat relativeert, ook al gaat het om onze ziel en zaligheid. Droogers pleit voor een ‘feest van de knipoog’ op Pinksteren. Een feestdag waarop alle spelers, alle mensen die bezig zijn met zingeving, elkaar ontmoeten om nadrukkelijk een knipoog naar elkaar te geven. Zo laten ze elkaar zien dat ze het eigen spel heel serieus nemen en tegelijk ook weer niet. De waarheid staat niet vast. Als er maar één versie van de waarheid als de ware geldt, stokt het spel. Hun God 3.0 loopt niemand in de weg. sympathiek. Dat is het eerste woord dat me te binnen schoot toen ik het boek gelezen had. Door en door sympathiek.

Ook iets voor mij, zo’n God 3.0? Ik weet het eigenlijk niet. Dat van dat spel, taalspel, spel van betekenissen, spreekt me wel aan. Religie, geloof draaien uiteindelijk om het geven van betekenis. Niet om buiten ons om vaststaande waarheden. Om woorden. Maar wel heel belangrijke woorden. Woorden die verder helpen. Toen zijn dochter Anna, zijn lieveling, op tienjarige leeftijd stierf, verloor Darwin ook zijn laatste restje geloof. Ik kan me daar alles bij voorstellen. Inclusief zijn atheïsme als reactie. Ik kan mij evenmin een God voorstellen die macht heeft en de dood van een kind niet verhindert. Toch kies ik niet voor het atheïsme. In mijn zoektocht naar betekenis wil ik God niet wegstrepen. In de symbolen en betekenissen van mijn traditie wil ik blijven zoeken naar God. De ernst waarmee ik dat doe is te diep voor een relativerende knipoog. En ik denk, als ik dat zo mag zeggen, dat van Darwin hetzelfde geldt.

Of je nu atheïst bent of gelovige, als je op zoek moet naar betekenis omdat iets, ziekte, dood, echtscheiding, noem alle ellende maar op, eerdere ontwerpen onderuit gehaald heeft, is het voor jezelf erop of eronder. Ik begrijp best dat je vanaf een hoger plan van afstand naar jezelf kunt kijken en vaststellen dat je net als ieder ander verwikkeld bent in dezelfde zoektocht. Maar wat schiet ik op met die helicopterblik? Ik ben niet als hobby met mijn zoektocht naar betekenis begonnen. Het was pompen of verzuipen. Als de bemanning van een getorpedeerd schip het schip boven water tracht te houden, is er weinig ruimte voor de relativerende knipoog. Ook naderhand, als het schip voor zinken is behoed, zie ik weinig belangstelling voor alternatieve aanpakken waardoor het schip ook was blijven drijven. Wat uiteindelijk als resultaat van mijn zoektocht naar betekenis op de zeef blijft liggen, is heel erg van mij. Juist daardoor begrijp ik anderen, gelovig of atheïst, die andere keuzes maken. Wat mij met hen verbindt is het begin. De ontreddering, de inslag van de torpedo. Wat daarna volgt is een spel met woorden, betekenissen, tekens en symbolen. Mijn spel. Ik vraag me af  of dat spel bestand is tegen de relativering van de knipoog. Van een ander menselijk spel, de seksualiteit, weet ik dat zeker. De knipoog doodt iedere lust. Het spel kan alleen gespeeld worden als het bloedserieus genomen wordt. Zou het met religie anders zijn?

André Droogers, God 3.0. Voorbij godsdienst en atheïsme. Hoe ziet God er uit in de 21e eeuw?

Uitgeverij Parthenon (www.uitgeverijparthenon.nl); € 14,90

De zwijgende profeet

Denkend aan de kerk van mijn jeugd, de kerk van de eerste vijftien naoorlogse jaren, schiet me meteen het woord verzuiling te binnen. Of liever nog herzuiling. Restauratie. Wat voor de oorlog was, moest na de oorlog zo snel en grondig mogelijk worden hersteld. Kerk en christelijke organisaties, één groot verzuild geheel. Tot de grote omslag. De tsunami van de jaren zestig. Ze trof een verzuilde kerk. Zelfgenoegzaam, naar binnen gekeerd, gericht op de eigen groep en niet op de toenmalige cultuur. Dat was mijn beeld. Maar klopt het?

‘In de vergifkast?’ is de titel van het pas verschenen jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme na 1800. De titel is een citaat uit 1955. Een verbolgen vertegenwoordiger van een christelijke organisatie beklaagt zich er over, dat de kerken de christelijke organisaties buiten de deur zetten. Als gif dat je bewaart in een aparte vergifkast. Dat is heel wat andere dan het beeld dat ik had van kerk en christelijke organisaties harmonieus vervlochten in de ene zuil. Hoe kan dat?

In de oorlogsjaren had vooral de Hervormde Kerk iets gedaan wat ze eerder nooit gedaan had. Ze had zich intensief bemoeid met de samenleving. De gereformeerden hadden daar altijd al wat minder moeite mee gehad. Zo hadden ze zich in de jaren dertig al uitgesproken tegen de links christelijke CDU en tegen de NSB. Maar ook voor de gereformeerden was het kritisch kerk zijn in de oorlog een nieuwe ervaring. Sommige predikanten hadden er met hun leven voor betaald.

Hoe moest het verder toen de bezetter verdwenen was en de samenleving weer ‘van ons’ geworden was? Met name de Hervormde Kerk besloot haar houding van ‘kritisch tegenover’ te handhaven. Als kwaliteitsbewaker van de samenleving. Als kritische profeet.

Hing het samen met deze kritische rol dat de kerk zo veel negatiefs in de samenleving zag? In haar afkeer van de heersende moraal trok de kerk samen op met de overheid die zich grote zorgen maken over de losbandigheid van de naoorlogse jeugd. Maar er was veel meer. De samenleving dreigde volgens de kerk onbewoonbaar te worden, het gemeenschapsgevoel dreigde te verdwijnen. Somberheid troef. Niet alleen in de Hervormde Kerk. In de Vrijgemaakte Kerken klonken zelfs apocalyptische geluiden over de samenleving en de gereformeerde ethicus Brillenburg Wurth zag de kerk als een corpus alienum, een radicaal vreemd bestanddeel tegenover de wereld.

Als kwaliteitsbewaker van de samenleving moest de Hervormde kerk er zijn voor heel het volk. Niet alleen voor de eigen groep. Haar boodschap als aanzeggend profeet moest de kerk zelf bepalen. Op basis van eigen analyses van onrecht en missstand. Daar had de kerk de christelijke organisaties niet voor nodig.

Zo ontstond er geleidelijk aan een concurrentie in visies op de samenleving. Met aan de ene kant de kerken en aan de andere de christelijke organisaties. De kerken, of eigenlijk moet je zeggen, de stafleden van de kerken, waren meestal  radicaler. Logisch, de christelijke organisaties maakten veel meer deel uit van de samenleving, maakten onvermijdelijk vuile handen, konden zich  radicaliteit minder goed veroorloven. Toen ze zagen dat de kerken hun eigen weg gingen, richtten zij eigen bezinningscentra op. In die centra speelden de kerken geen rol. En omgekeerd hielden de kerken de christelijke organisaties buiten de deur. Of zoals die vertegenwoordiger in 1955 zei: De kerk plaatste de organisaties in de vergifkast.

De profetische radicaliteit van de kerken in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw – denk aan de kruisraketten, de strijd tegen racisme en Apartheid, de steun aan bevrijdingsbewegingen – kwam dus niet uit de lucht vallen. De kerk had zich al sinds de oorlog een kritisch profeet tegenover de samenleving betoond. De grote secularisatie van midden jaren zestig trof, anders dan ik altijd gedacht heb, niet een in zichzelf gekeerde organisatie, een dromerig centrum van een verzuild geheel. Het trof een actieve, profetische kerk, die volop na dacht over geloof in de moderne tijd en de daarbij horende praxis.

Het zou wel eens zo kunnen zijn, het jaarboek suggereert dat ook, dat de klap van de secularisatie zo hard aangekomen is, omdat de kerken door dat steeds weer hameren op wat er allemaal mis was in de samenleving in een isolement terecht gekomen waren. Vervreemd van de samenleving als een ach en wee roepende Cassandra, zo profetisch, zo kritisch aanzeggend dat ze tenslotte niet meer relevant gevonden werd.

En nu? Als model voor de gefuseerde kerk heeft de PKN in 2004 gekozen voor de missie en structuur zoals de Hervormde Kerk die in de jaren vijftig van de vorige eeuw formuleerde. Nog steeds een kritisch tegenover. Van de christelijke organisaties, als die nog bestaan, is ze ver verwijderd geraakt. Haar expertise zoekt ze onverminderd in eigen huis. In een zwaar bemand landelijk centrum. Helaas is ze intern te verdeeld om met één mond over wat dan ook te spreken. Of het nu gaat over embryo onderzoek, euthanasie, Israël of de islam. De PKN zwijgt. Een zwijgende profeet, ondanks al haar expertise.

Het is maar zelden dat een kostuum iemand een halve eeuw later nog past. Waarom zou dat bij profetenmantels anders zijn?

‘In de vergifkast’? Protestantse organisaties tussen kerk en wereld. Onder redactie van George Harinck en Paul van Trigt.

Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme na 1800. Jaargang 21

Uitgeverij Meinema, Zoetermeer,  € 18,90

© 2017 Jan Greven

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑

%d bloggers liken dit: