Jan Greven

Het denken blijft doorgaan

Maand: december 2014

Een lezing in Hoevelaken

Op 27 november j.l. hield ik een lezing in Hoevelaken. Over de toekomst van de kerk. Ik ben daar niet erg optimistisch over. Althans, als het gaat om de kerken in Nederland. Op wereldschaal is het natuurlijk een heel ander verhaal. Het christendom is nog steeds de grootste en snelst groeiende religie in deze wereld. Misschien komt mijn zorgelijkheid ook wel door de ruzie in mijn eigen Dorpskerk, die maar duurt en duurt en van de voorheen zo liefdevolle gemeenschap geen spaan heeft heel gelaten. Wat ik er zie, is vooral onmacht. Wat kun je nog verwachten van een kerk die zo slecht in staat is een op zichzelf niet ingewikkeld probleem op te lossen? En toch, terwijl ik de lezing aan het schrijven was, kwam het geloof in toekomst voor de kerk weer terug. Religie, besefte ik, hoort bij de mensen. Dat is de kern. Richt je op de kern. Dan heeft de kerk toekomst. Misschien geldt dat zelfs mijn arme Dorpskerk.

De toekomst van de kerk

Het kerkje van Hijlaard met de pastorie

Het kerkje van Hijlaard met de pastorie

Vele jaren geleden, tweede helft jaren zestig, preekte ik in het Friese dorp Hijlaard. Het was een middagdienst die vanwege het melken om half twee begon. Het was winter. Vanuit de consistoriekamer aan de achterkant van het gebouw zag je de kerkgangers over de velden door de sneeuw worstelen. De weidsheid van het Friese landschap en die kleine tegen de wind op boksende stipjes in zwart en wit. Als beeld van kerkgangers in de wereld is het me altijd bijgebleven.

Later was ik toevallig toch in de buurt en voor sentimental reasons zocht ik het kerkje nog eens op. Het Doleantie preekschuurtje stond er nog net als toen, maar de bestemming was intussen gewijzigd. Er stond een groot kruis op de voorgevel. Het was een bedehuis voor Koptische christenen geworden. Voorbij, dacht ik. Net zo voorbij als de manier van preken van toen en de wijze waarop de gemeente zich na de warme maaltijd om half twee ‘s middags in vrome routine overgaf aan het Woord of de slaap. Kerkgangers die zich door de sneeuw worstelen om in de kerk te zijn. Waar zijn ze nog? Wat is de toekomst van de kerk?

De Duitse theoloog Ernst Lange sprak ooit van een ‘homiletische Grosswetterlage’. Hij bedoelde er het algemeen geestelijk klimaat mee, waarin prediker en hoorders zich als gevolg van hun maatschappelijke en culturele context bevinden. Essentieel voor onze Grosswetterlage lijkt mij het besef dat opvattingen, ook opvattingen over God en geloof,  altijd relatief zijn en nooit absoluut. Onze opvattingen horen bij ons, zijn onderdeel van ons eigen levensverhaal. Wie op deze manier denkt, ziet een preek, om het proefschrift te citeren van de Asser predikant Bert Altena, aan wie ik ook het citaat van Ernst Lange te danken heb, als een ‘open kunstwerk’. Zo iemand wil geen opgedrongen mening, maar ruimte krijgen om de preek te verbinden met het eigen levensverhaal.

De hoorders bepalen zelf, vanuit hun situatie, wat een tekst hen heeft te zeggen. Dat kan heel wat anders zijn dan wat degene die de preek houdt, beoogt. Dat is niet erg, want een preek is nooit ‘rond’. We kunnen God immers nooit definitief ter sprake brengen. Een goede preek geeft te denken. Van belang is niet wát de hoorders ervan maken, maar dát ze er iets van maken.

Dat is een heel andere gedachte dan naar voren komt in het rapport Brandpunten in de verkondiging van de VU hoogleraren Van der Kooi (vdK) en Van den Brink (vdB). Hun rapport werd op vrijdag 14 november j.l. besproken in de Synode van de PKN en riep daar nogal wat kritische vragen op. Anderen daarentegen spraken van een verademing. VdK en VdB vinden dat er iets te verkondigen is. Iets objectiefs. Iets dat ‘is’ en waarover gesproken en gedacht kan worden. Een God die initiatief neemt, het kwaad ondergaat en overwint in het kruis. Een oplossing van het kwaad biedt het kruis trouwens niet, verlossing wel. Verlossing is belangrijker dan oplossing. Openbaring, stellen vdK en vdB, leidt tot kennis. De laatste paragraaf van hun rapport gaat, hoe kan het anders, over de toepassing: wij moeten transformeren. Ons bekeren, anders leven. Ons door de kerk laten zeggen hoe dat moet. Of dat past in het eigen levensverhaal is vers twee. Eerst de boodschap, dan het eigen verhaal. Verlossing geldt voor iedereen. Oplossingen zijn individueel.

Als ik religieus een beetje in de stemming wil komen, is een van mijn favorieten een CD die ik een tijd geleden kocht in Kiev. Op zondagochtend was ik er de Sint Mykhaylivska Zolotoverkhyi binnengelopen. Ik viel midden in een prachtig gezongen mis. De mensen stonden. Gordijnen gingen open en werden weer gesloten. Heilige bekers werden het volk getoond en verdwenen naar achteren. En tenslotte was er de communie.

De liturgie verkondigde dat Gods bemoeienis met de wereld door gaat. Prachtig vormgegeven in een stad waar de meest verschrikkelijke dingen gebeurd zijn. Gruwelijke hongersnood in de jaren dertig. Afschuwelijke moord op de joden bij Babyn Yar. En ook in deze tijd is er weinig hemel op aarde. En toch gaat het zingen door. Als uitdrukking van het geloof van deze kerk, dat God door gaat. Hoe de geschiedenis ook is.

Uit wat hierboven staat, laten zich al drie modellen van kerk en verkondiging destilleren. In het eerste model levert de preek een bijdrage aan het zelfverstaan van de kerkgangers. De predikant probeert hun problemen en zorgen te benoemen en hen te helpen bij het omgaan met levensvragen.

In het model van vdK en vdB is de kerk een instituut dat eeuwige verlossing verkondigt. Iedere zondag horen de kerkgangers hoe God met hen en met de wereld is omgegaan. Hun situatie wordt in algemene en niet in persoonlijke termen besproken. Zij zijn zondaren en wat zij krijgen is verlossing. Dankzij die verlossing kunnen zij accepteren dat er soms geen oplossing is.

In het derde model is de kerk vooral de bewaarster van de eeuwige liturgie. Ook in de liturgie draait het om zonde, de komst van Gods zoon, zijn lijden, onze verlossing, maar er wordt gezongen, niet gepreekt.

De kerk van de toekomst zal één van deze drie smaken hebben. Ofwel georiënteerd op het dagelijks leven van de gelovigen, ofwel verkondiger van eeuwige waarheid ofwel bewaarster van de heilige, eeuwige liturgie. Bij elke kerkvorm hoort een eigen liturgie, een type kerkgebouw, een type gelovige.

Mijn voorkeur gaat uit naar het eerste model. Maar dan wel met een uitdrukkelijke oriëntatie op de eeuwigheid. Dat hangt samen met mijn visie op religie. Hoe ik dat zie, kan ik uitleggen aan de hand van het verhaal van Han van den Blink.

Han van den Blink werd in 1934 geboren in Nederlands Indië. De oorlogsjaren bracht hij door in het Jappenkamp. Eerst in een kamp voor vrouwen en kinderen. Maar vanaf zijn elfde verjaardag in 1945 op eigen benen in een mannenkamp. Op een ochtend in 1988, hij woont dan al jaren in de Verenigde Staten, vindt hij tussen de post een brief van zijn vader met daarin een aantal knipsels. Een daarvan is uit het Indisch Maandblad Moesson. ‘Monument jongenskampen Bangkong-Gejungjati 1944-45’ leest hij en hij ziet een klein standbeeld van een uitgemergeld jongetje, in lendendoek met pikhouweel en schoffel.


Monument Jongenskampen

Monument Jongenskampen

Het was alsof er van een diep verborgen wond een korst werd afgescheurd. Hij barstte in tranen uit, bleef maar kijken naar het knipsel en kon niet ophouden met huilen. Intussen merkte hij, dat hij niet huilde als een volwassen man, maar als een veel jonger iemand. Als een jongetje. Al huilend beleefde hij zijn kampangsten opnieuw en het verbaasde hem hoe dicht die na meer dan veertig jaar nog aan de oppervlakte lagen.

Later werd hij zich van nog een andere gewaarwording bewust. Het was een gevoel van rechtvaardiging. Dat bronzen beeldje met het opschrift ‘Zij Waren Nog Zo Jong’ erkende dat “ook óns lijden echt was”. “Het was alsof er een last van me afviel, waarvan ik niet eens wist dat ik hem al die jaren met mij meegedragen had.”

Wat hem overkwam, interesseerde Van den Blink, intussen hoogleraar Pastorale Theologie en pastoraal counselor, ook beroepsmatig. Hoe kan een trauma van heel vroeger zo krachtig en zo onverwacht gereactiveerd worden? Of, algemener gesteld, hoe komt het dat een stemming van algemeen welbevinden soms ineens kan omslaan in een van angst en onrust?

Bij het zoeken naar een antwoord gaat Van den Blink uit van verbondenheid. Geen mens is een atomair wezen. Ieder mens opereert in een maatschappelijke en culturele context. Zeg maar een Grosswetterlage, waar we net zo min uit kunnen stappen als uit ons lichaam.

Daarnaast zijn we verbonden met anderen en ontwikkelen in reactie op elkaar vaste patronen die een eigen leven gaan leiden en het leven met elkaar vergaand bepalen. En tenslotte zijn we samen, aldus Van den Blink, verbonden met “de scheppende Geest, die de bron is van alle genezing.”

Omdat we geen atomaire wezens zonder geschiedenis zijn, is een trauma, iets dat ons overkomt, een wond slaat, ons pijn doet of verdriet, geen geïsoleerd feit, maar verbonden met onze levensgeschiedenis. Je kunt onze trauma’s niet uit die levensgeschiedenis pellen om het vervolgens als apart verschijnsel voor eens en voor altijd uit de wereld te helpen. In die zin gelooft Van den Blink niet in Verlossing. Het hoogste bereikbare is dat mensen leren begrijpen waarom ze in bepaalde situaties, bijvoorbeeld wanneer ze in het nauw gebracht worden, of wanneer ze zich onverwacht schamen, zo reageren. Soms ondervinden ze schade van hun eigen reactie en moeten ze leren anders te reageren. Er niet aan toe te geven en het gebruikelijke patroon te doorbreken. Dat gaat moeizaam, met vallen en opstaan. En zonder dat de oude patronen ooit helemaal verdwijnen.

In een mooi beeld, vergelijkt Van den Blink het met een rivier, die op zeker moment een nieuwe bedding heeft gevonden. Maar vlieg je er over heen, dan zie vanuit de lucht dat de oude bedding, droog gevallen en intussen begroeid, er nog steeds is. Helemaal droog gevallen is de rivier trouwens nooit. Bij heel hoog water kunnen die oude beddingen zo maar weer onderlopen. Helemaal over en uit is het bij een traumatische reactie nooit.

Heeft geloof te maken met het zoeken naar antwoorden op levensvragen, met de verwerking van een vroeger trauma zoals Van den Blink beschrijft? Of draait geloof om de boodschap van eeuwige verlossing die, ongeacht de levensomstandigheden of levensvragen, voor iedereen gelijk is. Bij Van den Blink gaat geloof samen met levenswijsheid. Levenswijsheid ontwikkelen we in een langdurig proces en hetzelfde geldt voor ‘geloven’. De betekenis van religieuze taal moet geleerd worden. Het is vallen en opstaan. Uitgangspunt zijn onze levenservaringen en met name de ervaringen van lijden. Lijden maakt dat oude antwoorden niet meer voldoen en dwingt ons onszelf opnieuw te verstaan, opnieuw te formuleren wat betekenis is, wat geborgenheid betekent.  De kerk zou daarbij moeten helpen door een sfeer te scheppen waarin vragen naar de betekenis van religieuze taal gesteld kunnen worden. De kerk moet een plek zijn waar geloof religieus ingekleurd kan worden, waar geloven kan aansluiten bij de eigen situatie. Mensen willen warmte, geborgenheid, vertrouwen. De kerk moet een plek zijn waar zij dat kunnen vinden.

Dat geleidelijke, dat reactieve mis ik bij VdK en VdB. God is voor hen een transcendente macht die aangesproken kan worden met ‘GIJ’. Dat God werkelijk spreekt en zich met ons bemoeit, moet in onze tijd opnieuw gezegd worden,  aldus deze godgeleerden. God heeft het beslissende woord. Zin en goedheid worden ons aangereikt. We mogen dankuwel zeggen.

Van den Blink is ook met dat geloof begonnen. In de loop van de tijd heeft hij steeds meer oog gekregen voor wat hij noemt ‘een verhoogd bewustzijn van de aanwezigheid van het Heilige’ in zijn leven. Niet ‘er op af’, maar ‘wacht eens wat je over komt’. Mild vertrouwen, eerder dan beschrijvende ijver. Geloven is dan meer iets als geestelijke rijping. Geloven bij vdK en vdB daarentegen gaat meer in de richting van gehoorzaamheid. De gelovige buigt het hoofd voor de overmacht van de openbaring van een persoonlijke God die bestaat, zeggen vdK en vdB. Hoe die God is, wie die God is beschrijven zij systematisch in hun theologie.

Als ik bestuurlijke verantwoordelijkheid had voor de PKN, wat gelukkig voor alle betrokkenen niet het geval is, zou ik heel serieus nemen wat vdK en vdB zeggen. Overal in de wereld bloeit religie waar gehoorzaamd wordt. Van hindoeïsme, via jodendom en islam tot christendom. Ook in de bloeiende kerken van mijn jeugd ging het gedisciplineerd toe. Hoe te geloven. Hoe te handelen. Het werd allemaal voorgeschreven. Toen die discipline werd losgelaten, begon de verdamping. Hoe anders is dat bij kerken die een strakke geloofsdiscipline hebben gehandhaafd.


De Hoeksteen van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland

De Hoeksteen van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland

In het nabij Hoevelaken gelegen Barneveld staat de Hoeksteen. Een kolos van een kerk. Plaats van samenkomst van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Vijfentwintighonderd zitplaatsen. Genoeg voor een plaats als Barneveld met bijna 29.000 inwoners, zou je zeggen. Maar nee. In Barneveld staat ook de Adullamkerk, genoemd naar de grot waar David zich ooit verborg voor koning Saul. Van de Gereformeerde Gemeenten zonder de toevoeging ‘In Nederland’. Met 1500 zitplaatsen. Met het gloednieuwe kerkgebouw van de uit de PKN getreden Hersteld Hervormden (700 zitplaatsen) komt dat op totaal 4700 zitplaatsen. Hoezo secularisatie?

Kerken waarin het draait om gehoorzaamheid aan leer en leven hoeven hun organisatiestructuur niet aan te passen. Alles loopt, zoals het vroeger ook liep. Met een kerkenraad die toe ziet op een strakke geloofsdiscipline. Voor kerken van andere snit, kerken waarin het draait om vragen, en niet om antwoorden, is het de vraag of zo’n traditionele organisatie met een sturende kerkenraad de beste organisatievorm is. Ik denk van niet. Ze zijn er te dynamisch voor. Veel problemen in plaatselijke kerken van de PKN ontstaan doordat een statische organisatiestructuur botst op een dynamische wijze van kerk zijn waarin oude vormen vervangen worden door nieuwe.

De godsdienstsocioloog Gerard Dekker heeft een organisatievorm voor zulke dynamische kerken uitgewerkt. Met binnenin een kleine kring van toegewijde leden en daaromheen een bredere cirkel van incidentele deelnemers. Voor de kleine kring is de kerk een oefenruimte voor christelijk leven. Om er aan deel te nemen moet je bereid zijn bepaalde drempels te nemen. Belijdenis doen, bijvoorbeeld. Het is niet vrijblijvend. Qua geloof niet en qua levensstijl niet. Er zit in die kleine cirkel ook iets van gehoorzaamheid. Iets van zoeken vanuit de christelijke traditie naar existentieel contact met de Eeuwige.  Daarnaast is zo’n kerk een plek waar mensen terecht kunnen met hun levensvragen. En tenslotte is de kerk er voor laagdrempelige dienstverlening. Voor huwelijken, voor begrafenissen. Of gewoon voor een goed gesprek.

Volgens de Groningse hoogleraar Praktische Theologie Henk de Roest zal in zo’n kerk met een kleine bezielde kern de wind van de Geest zeker opsteken. De Roest legt een verbinding met de kerk van de eerste eeuwen. Ook toen kwam het aan op existentiële keuzes en maakte een kleine minderheid het verschil. Omdat ze authentiek was en waarmaakte wat ze zei te geloven. Waarom zou, wat toen kon, nu niet meer mogelijk zijn?

Een paar jaar geleden had het dagblad Trouw op maandag een rubriek waarin een bekende Nederlander verslag deed van een kerkdienst die hij of zij de zondag ervoor bezocht had. De rubriek werd gretig gelezen. Tweeëntwintig van de vijfendertig Trouw-kerkgangers kwamen anders nooit in de kerk. Wat vonden zij? Preekonderzoekster Ciska Stark onderzocht dat en concludeerde dat kerkdiensten, of ze nu katholiek zijn of protestant, een hoog ons-kent-ons gehalte hebben en zijn afgestemd op de reguliere kerkganger. De gelegenheidskerkgangers voelden zich daardoor al snel gast op het feestje van anderen en dat werkt niet positief. Volgens Stark is dat ernstig, want een flink deel van de ‘eigen’ kerkleden zijn intussen ook gelegenheidskerkgangers, die alleen ter kerke gaan als het hun past of bij kerkelijke hoogtijdagen.

Het probleem benoemen is één, het oplossen is iets anders. Van een voorbijkomende gelegenheidskerkganger kun je niet meteen innerlijke betrokkenheid verwachten. Maar een liturgie kan niet zonder innerlijke betrokkenheid plus een gemeenschap die dat draagt. Als oplossing stelde Stark voor verschillende vormen van liturgie aan te bieden voor verschillende soorten kerkgangers. De suggestie doet me denken aan de ‘diensten voor belangstellenden’, die je vroeger had. Er werd piano gespeeld in plaats van orgel. Voor de rest was er niet gek veel verschil met een gewone kerkdienst, alleen was de kwaliteit van de preek meestal een stuk hoger en zag je op den duur ook daar steeds dezelfde gezichten..

Hoewel ik wel begrijp dat Stark in deze richting naar een oplossing zoekt, gaan mijn ideeën in een andere richting. Uit de interviews met de vijfendertig Trouw-kerkgangers kwam naar voren dat het in de vieringen vaak ontbrak aan kwaliteit en diepgang. Dat gold zowel voor de prediking als voor de uitvoering van het ritueel. De kritiek gold zowel de protestantse als de katholieke erediensten. Opmerkelijk was dat de Trouw-kerkgangers de protestantse kerken niet overtuigend vonden als ze zich te veel begaven op het terrein van het ritueel, zeg maar de liturgie. Protestanten moeten het, hoe je het ook wendt of keert, hebben van een kwalitatief sterke prediking. Dat was zo, en dat blijft zo. Voor katholieken, met hun nadruk op ritueel, blijft van belang, dat de betekenis van de liturgie ook voor buitenstaanders duidelijk en overdraagbaar moet zijn. Dat was lang niet altijd het geval.

Conclusie: meer kwaliteit en diepgang en vooral: Blijf goed in waar je van huis uit goed in bent en probeer niet van twee walletjes te eten. Bij de kritische gelegenheidskerkganger val je even snel als genadeloos door de mand. En dat is ernstig, want nogal wat eigen kerkleden horen tot die categorie.

Concentreer je dus op je eigen kern. Dat was ook de conclusie van VU-hoogleraar Gerben Heitink naar aanleiding van bovengenoemde Trouw-rubriek. Aan de ene kant pleitte hij voor een liturgische drempel die zo hoog is, dat ze niet zonder een drempelritueel van inwijding genomen kan worden. Gasten zijn van harte welkom, maar liturgie laat zich niet populariseren. Aan de andere kant stelde hij dat de kerk haar ‘wereldlijke’ omgeving moet analyseren. Zeg maar de Grosswetterlage van Ernst Lange uit het begin. Hoe staat het met de behoefte aan zingeving, aan informatie over het christendom, aan rituelen bij de levensloop of gewoon met de behoefte ergens bij te horen? Aangezien het instituut ‘kerk’ nogal wat weerstand oproept, kan ze, als ze die verschillende behoeftes in kaart gebracht heeft, volgens Heitink het best aansluiting zoeken bij andere instituten. Bij scholen, bij bibliotheken of bij het ouderenwerk.

Op die manier ontstaat een kerk met in haar kern een groep ingewijden. Tegelijkertijd is er een grote openheid. Iedereen is welkom in een dienst die er uit springt vanwege de hoge kwaliteit van muziek en taal. De kerk kent de levensbeschouwelijke behoeftes van haar omgeving en voedt via haar leden het werk dat anderen, scholen, bibliotheken, op dat punt doen.

Ik zou zeggen dat de kerk van de toekomst het in die richting moet zoeken. Althans, mijn kerk van de toekomst. Want een ander type kerk is ook mogelijk en dan heb ik het over het verkondigende type van de theologen Van der Kooi en Van den Brink. Een kerk die een God verkondigt die buiten ons om bestaat en die ons verlossing schenkt. Inhoudelijk houdt zo’n kerk geen rekening met buitenstaanders. Wat vormgeving en muziek betreft vaak wel. En met succes. Zie alle rond een charismatische voorganger verzamelde evangelicale kerken die lopen als een trein. Goed mogelijk dat ze op het goede spoor zitten met hun opvatting dat religie niet kan zonder gehoorzaamheid en dat de boel verwatert als dat wordt los gelaten.

Toch kies ik voor de andere mogelijkheid. Voor een kerk waar wijsheid gevonden kan worden. En steun. En troost. En aanvaarding. Waar loslaten geleerd kan worden. Waar nagedacht wordt over onze ‘Grosswetterlage’. Makkelijk heeft die kerk het niet. Om te beginnen moet zo’n kerk haar religieuze kern bewaken. Omgaan met die kern vereist oefening, aandacht, concentratie. Ik geloof met de socioloog Dekker en de theologen De Roest en Heitink in de noodzaak van een kleine groep, die zorgt dat het vuur brandende blijft. Mensen die er altijd zijn en de zaak dragen. Omdat ze met elkaar zijn, hoeven ze niet ontmoedigd te worden door aflopend kerkbezoek. Die gestage teruggang veroorzaakt veel negatieve energie, maakt onzeker, doet voorgangers twijfelen aan zichzelf en uiteindelijk ook aan hun geloof. Logisch, in een maatschappij waar alles wordt afgemeten aan groei, is het moeilijk om het vol te houden in een permanente situatie van achteruitgang. Dat gevoel is een stuk minder met een vaste groep die er altijd is. De leden van die groep kennen elkaar, maar daarnaast ook hun omgeving, de wijk, het dorp. Ze weten met welke behoeften en vragen mensen buiten of aan de rand van de kerk leven. Ze weten hoe daarop in te spelen. Maar ze weten ook dat de kerk ook een eigen verhaal heeft.

In beide types van kerk gaat het om kwaliteit. Muzikaal en spiritueel. Kwaliteit van de verkondiging in de kerken van de gehoorzaamheid. Kwaliteit in het benoemen van levensvragen en het zoeken naar antwoord in de kerk van de levenswijsheid. Buitenstaanders moeten er zich thuis voelen. Makkelijk is dat niet altijd. De opstelling van banken, zij aan zij, gericht op preekstoel of altaar onderstreept het individualistisch karakter van onze cultuur. Het is geen ambiance die uitnodigt tot contact met een medebankzitter. Ook het koffie drinken na afloop van de kerk biedt niet altijd soelaas. Meestal heerst er een sterke ons kent ons sfeer en de losheid die vereist is om ontspannen naar een vreemde toe te lopen en een praatje te beginnen zit niet in onze genen.

Hoe zie ik de toekomst van de kerk? Ik zie voortgaande forse achteruitgang. Kerkgangers leven gezond en hebben daardoor een bovengemiddelde levensverwachting, maar ook zij hebben niet het eeuwige leven. Er is veel te weinig nieuwe aanwas om al die lege plekken op te vangen. Maar verdwijnen zullen de kerken niet. Zeker de orthodoxe kerken niet. Hun boodschap zal blijven klinken. Ze geven geborgenheid in een onzekere wereld. Dat werkt, zoals we zien in Barneveld.

De kerken van de andere signatuur, de kerken van de levenswijsheid, zullen blijven krimpen. Maar er zal wat op de schaal blijven liggen: kerken die authentiek spreken over God, aansluiten bij de samenleving waarin ze zich bevinden en gedragen worden door een vaste kern. Daar komt nog iets bij.

De teruggang van de kerken betekent allerminst dat de interesse in religie verflauwt. Wij leven in een uitzonderlijk religieus land, ook al denken we vaak het tegendeel. Dat we dat denken komt doordat in het nog niet zo verre verzuilde verleden de  kerken, maatschappelijk zowel als godsdienstig een zeer uitgesproken rol hadden. Daar is vrij abrupt een einde aan gekomen. Door de combinatie van die prominente positie en de razendsnelle terugval valt de teruggang van de kerken extra op. Toch wijst onderzoek uit dat ons land, net als vroeger, zeer religieus is. Alleen is die religiositeit niet meer kerkelijk georganiseerd. We denken altijd dat we uniek zijn door onze moderniteit en onze door en door geseculariseerde maatschappij. Minstens even uniek zijn we door onze religiositeit.

De kerken zouden dat gegeven serieus moeten nemen. Veel serieuzer dan ze op het ogenblik doen. Het zou het denken over de toekomst van de kerk aanmerkelijk minder somber maken.

© 2017 Jan Greven

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑

%d bloggers liken dit: