Jan Greven

Het denken blijft doorgaan

Maand: juli 2012

Gematigdheid

Kun je iets schrijven over de deugd Gematigdheid voor idA, het maandblad van de Amsterdamse Doopsgezinde gemeente, vroeg een vriend mij. Het leek me wel wat. Ik zat op dat moment op Bonaire en schrijven verzet de zinnen. Ik had van te voren wel een idee waar ik zou uitkomen. Maar het liep anders. Onvermijdelijk. Het stuk schreef zichzelf en drong zich in een door mij niet van te voren bepaalde richting. Toch weer over omgang met de dood. 

Gematigdheid1Gematigdheid2

In het zoeken naar het goede midden tussen te veel en te weinig mengt de deugd Gematigdheid twee vloeistoffen. Net als het Melkmeisje van Vermeer. 

Hardlopers op hetzelfde traject

Ik ben een verwoed hardloper. Ooit, lang geleden, ben ik er mee begonnen. Lange tijd gingen mijn prestaties omhoog. Maar op zeker moment begon de teruggang. Het duurde lang voor ik dat mezelf wilde toegeven. Maar de stopwatch loog niet. Toegeven dat het minder gaat, is niet prettig. Al valt dat bij hardlopen nog wel mee. De natuur houdt niemand tegen. Met autorijden is het al een stuk lastiger. Rijd ik slechter auto dan tien jaar geleden? Diep in mijn hart denk ik van wel. Maar dat ook toegeven?

En met levenswijsheid? Ben ik behalve ouder ook wijzer geworden? Mijn eerste neiging is daar ja op te zeggen. Dat denk ik niet alleen van mijzelf. Zo kijk ik ook naar de geschiedenis. Ik denk dat ik niet de enige ben, maar waar is dat idee op gebaseerd? Waar komt de gedachte vandaan, dat ik meer weet, dieper inzicht heb in het leven, meer facetten ken van het bestaan dan de generaties voor mij. Bij mijn ouders denk ik dat trouwens nog niet. Mijn vader had ik hoog, vond hem een wijze man en bovendien, ik had hem lief. Ik zou hem niet, ook niet postuum, in een mindere positie willen plaatsen. Maar geldt dat ook voor mijn grootvader, de vader van mijn vader, die ik niet gekend heb? Hij sorteerde de post in de trein van Zwolle naar Amersfoort en weer terug. Een lieve man, heb ik altijd gehoord, maar ik beschouw mezelf wel als een stuk verder. 

Is dat zo? Ben ik ‘beter’, ‘wijzer’ dan mijn grootvader? Zijn wereld was kleiner, de normen strakker, de sociale controle groter. Ik denk me in hoe mijn grootouders leefden in het Zwolle van de jaren twintig van de vorige eeuw. Ik krijg een Madurodam gevoel over me. Kijk in gedachten naar ze met dezelfde welwillendheid van hoog naar laag als ik naar mijn kleinkinderen kijk. 

De tijd van mijn grootouders was de tijd van de gematigdheid. Maar ook de tijd dat dubbeltjes geen kwartjes werden. Dat er een kleine elite was en heel veel gewoon volk. God had iedereen een plaats gegeven in de maatschappij. Mijn grootvaders plaats was in de posttrein. Zijn leven stond in het teken van de gematigdheid. Is gematigdheid een idee van vroeger waar je nu half nostalgisch, half vertederd naar kijkt?

Toen ik in 1985 hoofdredacteur werd van het dagblad Trouw, was de krant onderdeel van Perscombinatie. Door een reeks historisch te verklaren toevalligheden was veruit het grootste deel van de aandelen van dat bedrijf in handen van de Stichting Het Parool. Het bestuur van de Stichting bestond uit sober levende sociaaldemocraten, bij wie de deugd Gematigdheid  op het voorhoofd geschreven stond. Er werden geen bonussen uitgekeerd. Niemand deelde in de winst, ook de directeuren niet. Alle winst werd teruggeploegd in het bedrijf. Een schoolvoorbeeld van een dagbladbedrijf, zou je zeggen. Alles draaide om kranten. Geen cent verdween in de zakken van aandeelhouders. 

Het bedrijf was, vooral bij de krantenredacties, uitzonderlijk impopulair. Toen Perscombinatie in 1995 de Nederlandse Dagblad Unie, uitgever van onder meer NRCHandelsblad en Algemeen Dagblad, overnam en verder ging als PCM-Uitgevers, werd die impopulariteit  alleen maar groter. Ik ben altijd van mening geweest dat dat kwam omdat het bedrijf een anomalie was. Een abnormaliteit. Het ging er niet om winst. Het ging om de continuïteit van de kranten. Ook van kranten waar het niet zo goed mee ging. Redacties van kranten waar het wel goed mee ging, voelden niets voor matiging vanwege ‘deze kindjes aan het infuus’. Ze hadden het geld liever voor zichzelf. 

Het is slecht afgelopen met PCM. Uiteindelijk is het verkocht aan een groepje Engelse aasgieren, die het bedrijf binnen de kortste keren leegzogen en de zo goed als failliete boedel vervolgens terug verkochten aan de oorspronkelijke aandeelhouders. Met beide transacties hebben zogenaamde adviseurs en andere graaiers zich schaamteloos verrijkt. Ik was toen al lang weg en heb vaak moeten denken aan die sobere sociaaldemocraten van voorheen. 

Uiteindelijk werd een van de kranten, NRCHandelsblad, verkocht aan de Investeringsmaatschappij Egeria van de C & A familie Brenninkmeijer en aan krantenmiljonair Derk Sauer. De overname werd begeleid door juichende commentaren in de overgenomen krant. Eindelijk bevrijd. Eindelijk onder de tucht van de markt, zoals dat hoort bij een deftige, degelijke krant.  

Vorige maand werd bekend dat Egeria en Sauer zichzelf over het afgelopen jaar een dividend van 12.5 miljoen euro hadden uitgekeerd. Bij een winst van 4.7 miljoen. Met een “lagere financiële buffer” konden ze wel toe, luidde de toelichting. Je kunt ook zeggen: de krant wordt leeggezogen. Subtieler, minder grof, maar niet anders dan eerder PCM door de Engelse Investeringsmaatschappij is uitgezogen. Er was opschudding. Columnist Bas Heyne riep “mensen die niet meer gewend zijn in termen van moraal te denken”, waarmee hij de eigenaren bedoelde, op dat toch nog eens een keer te doen. Een andere columnist, Youp van ’t Hek, dacht dat het wel mee zou vallen allemaal, omdat zijn vader ooit bij de eigenaren gewerkt had en hij ze kende als fatsoenlijke mensen. 

Ik denk dat Van ‘t Hek daar gelijk in heeft. Ik denk dat het ingewikkelder is dan “niet meer gewend zijn” moreel te denken. De vraag is of een investeringsmaatschappij in de huidige kapitalistische markteconomie nog in staat is in termen van moraal te denken. Matigheid is een prachtige deugd. Maar ondernemingen als investeringsmaatschappijen hebben er niets meer mee. Wie zich qua winstbestemming gematigd gedraagt, doet zichzelf en daarmee op den duur de continuïteit van de onderneming te kort. Veelzeggend in dat opzicht is dat het maar om een betrekkelijk gering bedrag gaat. Acht miljoen euro. Voor sommigen veel geld, maar voor de huidige NRC eigenaren niet. Toch zetten ze door. Accepteren imagoschade. Gedreven door noodzaak. Geld moet geld genereren.  

Waarom zou ik, met zo’n geschiedenis bij de hand, welwillend en vanuit de hoogte neerkijken op de tijd van mijn grootvader? Geld was in zijn tijd nog niet oppermachtig. Er was nog vrijheid. Kwam dat doordat mensen toen moreler dachten, moreler handelden dan tegenwoordig? Wel nee. De markt was nog niet zo uitgekristalliseerd. Er waren nog monopolies, die een meer ontspannen omgang met de winsten toelieten dan tegenwoordig mogelijk is. Eigenaars en leidinggevenden wisten cijfermatig ook veel minder van hun bedrijven. Computers maken het tegenwoordig mogelijk kostprijsberekeningen tot in details door te voeren. De toegevoegde waarde van een individuele medewerker kan tot drie decimalen achter de komma worden doorgerekend. Daardoor kunnen bedrijven veel intensiever aangestuurd worden. Was daar eens om gekomen in de tijd van mijn grootvader.

De deugd gematigdheid heeft het moeilijk in deze tijd. De andere drie klassieke deugden, 

voorzichtigheid (prudentia), rechtvaardigheid (iustitia) en moed (fortitudo) zijn onveranderd belangrijke deugden gebleven. Je kunt moedig zijn, zelfs rechtvaardig en ook nog wel voorzichtig, terwijl je toch als bankier een levensgrote bonus opstrijkt. Maar gematigd kun je jezelf in dat geval niet noemen. De deugd ‘gematigdheid’ staat haaks op het geloof in de vrije markt, die juist het streven naar een zo groot mogelijk winst voorschrijft. De helden van het vrije ondernemen, zoals de pas overleden Steve Jobs van Apple, worden zo ongeveer heilig verklaard. Maar gematigd kun je hen niet noemen.

Toch zou vaarwel zeggen tegen gematigdheid zoals we vaarwel gezegd hebben tegen de stoomtrein, de telegraaf en andere verworvenheden uit de tijd van onze grootouders, een heel slecht idee zijn. 

En dat niet alleen omdat sober leven en maat houden in onze tijd, vanwege de uitputting van de aarde, misschien nog wel belangrijker zijn dan vroeger. Maar vooral ook omdat matigheid meer is dan alleen ascetisch leven. Het Griekse woord ervoor is σωφροσυνη. Het is een samentrekking van twee woorden. Het eerste deel verwijst naar een woord dat ‘gezond’, ‘heilzaam’ betekent. In het andere zit het werkwoord ‘denken’. Sofrosyne is iets als gezond, helder denken. Zoals in de uitdrukking: ‘een gezonde geest in een gezond lichaam’. Er zit iets van zelfcontrole in het woord. De twee spreuken van het orakel van Delphi: ‘Ken uzelf’ (γνῶθι σεαυτόν) en ‘Niets teveel’ (μηδὲν ἄγαν)  komen er in samen.

Helder denken, sophrosyne, begint met zelfkennis. Daarom ligt deze deugd ten grondslag aan de andere drie klassieke deugden. Om moedig, rechtvaardig en voorzichtig te zijn moet je eerst je zelf kennen. Moet je eerst van binnen uit weten wat voor jou de juiste maat is.

Het voorbeeld van de eigenaars van de NRC staat niet op zichzelf. Iedere dag laten de economiepagina’s van de kranten zien dat ‘kennis van de juiste maat’ in het economisch verkeer geen enkele rol meer speelt. Niet omdat mensen zo veel slechter of inhaliger geworden zijn dan vroeger, maar omdat het systeem van de vrije markt geen eigen beslissingen meer tolereert. In ideologische hardheid doet het kapitalisme in geen enkel opzicht onder voor het communisme. De mens, zo zegt de ideologie, kent zichzelf als hij zijn eigen plek in het systeem begrijpt. In het communisme is dat een plek in de geschiedenis van het proletariaat. In het kapitalisme is dat een plek in dienst van het geld. Geld moet meer geld worden. Dat is het enige dat telt. 

Het communisme accepteerde geen vrije ruimte waarin de mens over zichzelf kon nadenken alsof hij buiten het systeem stond. Daarom waren er altijd problemen met de kerk. De kerk pretendeerde zo’n vrije ruimte te bieden, eiste die voor zichzelf op. Gaf mensen de ruimte zichzelf anders te verstaan. Het communisme was er gauw klaar mee. Overblijfsel van een reactionair verleden. Zo werd de kerk beschouwd. 

Het kapitalisme lijkt ruimer van opvatting. Lijkt toleranter. De werkelijkheid is dat je in het kapitalisme kunt denken wat je wilt zo lang het maar irrelevant is voor de werking van de markt. Je mag geloven, je mag naar de kerk, zo lang je het maar beperkt tot de privésfeer. Zo lang je de markt maar niet voor de voeten loopt. 

De romeinse filosoof Cicero beschouwde gematigdheid (temperantia) als een dynamisch begrip. Als een ideaal om in jezelf de juiste balans, de juiste mix te vinden. Om in evenwicht te zijn met jezelf. De filosoof Nietzsche werkte die gedachte uit in het beeld (ik vond het in een lezing van de filosoof Paul van Tongeren nadat ik Nietzsche en sophrosyne gegoogeld had) van een ruiter met een wild paard dat hij onder controle moet krijgen. Het gaat er ruig aan toe, maar op zeker moment krijgt de ruiter de overhand. Het paard gaat nog steeds geweldig te keer. Toch ontstaat er iets van harmonie tussen de twee krachten. Dat, zegt Nietzsche, is temperantia. Aan de ene kant maat houden. Maar aan de andere kant de confrontatie met de mateloosheid, in het voorbeeld gesymboliseerd door de wilde krachten van het paard, niet uit de weg gaan en daarin evenwicht vinden. 

Ieder mens heeft zijn eigen temperantia. Zijn eigen balans. We danken er het woord temperament aan. Op de goede wijze temperamentvol is heftig, maar in evenwicht. Zoals de ruiter en het paard. 

Hoe dat evenwicht er uit ziet, is voor iedereen verschillend. Er is niet zo iets als een norm, opgelegd door een instantie, zoals vroeger de kerk. Des te ernstiger, dat het vrije marktdenken zo machtig is geworden, dat op de markt de vrijheid om de goede mix, het goede evenwicht te vinden ten onder is gegaan. Wie daarnaar op zoek wil, moet dat maar doen in de privésfeer. Het is de basis voor het hedendaags mecenaat. Wat eerder keihard op de markt is binnengehaald, wordt later in de privésfeer met milde hand weggegeven. Youp van ’t Hek had gelijk en ongelijk. Ja, de mensen van die Investeringsmaatschappijen zijn fatsoenlijke mensen. Maar nee, als ze aan de financiële knoppen zitten,  zijn ze niet vrij om zelf te bepalen wat het goede evenwicht is. Het geld schrijft voor, zij volgen. 

Maar ook buiten de markt is het voor individuen steeds lastiger de goede temperantia, de goede mix te vinden. Nietzsche zag dat al. Er is zo veel informatie. Om ons heen wordt zo verschillend gekozen. Voor je ’t weet, leidt dat tot onverschilligheid. Wie zal zeggen wat de goede mix is? Wie bepaalt de norm? Het vereist moed en kracht om te blijven zoeken naar de eigen temperantia en niet in een laissez faire Gods water maar over Gods akker te laten stromen of, de andere mogelijkheid, zich maar te voegen in een van bovenaf, door kerk, politieke beweging of omgeving opgelegd ascetisch ideaal. 

Wie zoekt naar sophrosyne, moet durven leven met hypothesen, moet, zoals Nietzsche zegt, durven zeilen op een oneindige zee. Hoe gezond iemand is, wordt bepaald door zijn vermogen ziektes te ondergaan en te boven te komen. Zo is het ook bij het groeien in sophrosyne. Hoe meer waarheid iemand kan verdragen zonder er aan ten onder te gaan, hoe beter hij in staat is de noodzaak te erkennen van leugens en illusies, des te sterker is de macht over zichzelf.  

Een van de eerste dagen van dit jaar stond ik met mijn dochter bij het toegangshek van het voetbalstadion in de Chileense hoofdstad Santiago de Chili. Ik wilde het stadion zien, omdat het na de coup tegen president Allende in 1973 de plek is geweest waar de coupplegers hun gevangenen heen brachten. Honderden zijn er vermoord. Duizenden zaten er gevangen. Een van hen was Koos Koster, oude vriend en later collega toen ik bij de IKON werkte. Op het laatste moment was hij er door moedig ingrijpen van de Nederlandse ambassadeur uit gehaald. De ervaring in het stadion heeft hij de rest van zijn leven met zich meegedragen. Koos had iets van de ruiter met het woeste paard van Nietzsche. Altijd bezig, zelden in balans. In 1982 werd hij samen met drie collega’s doodgeschoten in El Salvador. 

Het stadion is weer een gewoon stadion. Na enig zoeken vonden we bij het hek een gedenkplaat die herinnert aan de verschrikkingen van toen. Ik wou er over schrijven. Over de hartstocht van Koos voor de revolutie. Over de vraag of we toen niet te argeloos waren in onze hoop op betere tijden voor de armen. Over de vraag in hoeverre ‘het stadion’ zijn omgang met de deugden moed, rechtvaardigheid, voorzichtigheid en gematigdheid beïnvloed had. Staande voor die plaquette aan het hek vroegen we ons dat af. Mijn dochter en ik. Een week later was ze dood. Overleden aan een acute hartstilstand. Van dat schrijven is niks gekomen. Mijn evenwicht was weg. Het leven verstoord. Voorgoed. Ik werd bereden door het wilde paard van rouw en verdriet. Intussen ben ik een half jaar verder. Het leven ligt er anders bij. Er valt nog een hoop te doen. Ik weet van binnenuit van sophrosyne is. Of liever gezegd was. Zoals je weet wat iets is geweest, als het er niet meer is. Ik weet wat Nietzsche bedoelt als hij schrijft over durven zeilen op een oneindige zee en ik begrijp dat ik een half jaar eerder met een verkeerde vraagstelling bij dat voetbalstadion stond. Ik vroeg me toen vooral af wat de ervaring in het stadion gedaan had met de visie van Koos Koster op gerechtigheid en moed.

Ik had me moeten afvragen hoe hij na zo intiem oog in oog met de dood te hebben gestaan verder heeft geleefd. Ik weet nu, nu de dood, hoewel heel anders maar even intiem, in mijn leven is binnengedrongen, hoe moeilijk en hoe allesbeheersend het zoeken naar antwoord op die vraag is. Zelf zei hij erover: “Het feit van overleven verplicht.” Waarmee het ‘goede’ overleven een kwestie van moraal is geworden. Maar het zit dieper. Hoe behoud je na zo’n heftige, intieme confrontatie met de dood de eigen temperantia. Hoe overleef je? Uiteindelijk draait het daarom. Werkelijk ‘temperiert’, gematigd in een diepe, existentiële zin leeft pas degene die heeft geleerd om te overleven, om midden in het leven te leven met de dood. Vanuit het goede midden. Zonder dood en verdriet te ontkennen maar ook zonder het allesbepalend te laten zijn. Gematigdheid berust op inzicht in vergankelijkheid: het leven is schaars en niet oneindig.

Gezien vanuit dat perspectief is het onzinnig om van boven naar beneden naar mijn grootvader te kijken. We staan naast elkaar. Ik heb het niet moeilijker, maar ook niet makkelijker dan hij. Hoe meer we de confrontatie aangaan met wat ons evenwicht verstoort en bedreigt, ook al is het de dood, hoe sterker we worden. Dat geldt voor ons beiden. Toch een norm? Mijn grootvader had onmiddellijk gezegd: “Gods Woord”. Ik zeg hem dat niet meer na. Ik zie dezelfde worsteling om het evenwicht tussen leven en dood, als van Nietzsche’s ruiter en paard, in Gods Woord. Christus probeert in Gethsemane te ontkomen aan zijn lijden, maar neemt het daarna op zich uit vrije wil. Zo komt hij tot balans. Aan het kruis. Ik raak daar niet over uit gedacht zonder dat ik het ooit zal begrijpen.  

Misschien zat mijn grootvader zo vast in dogmatisch denken dat hij zo niet naar Christus kon kijken. Goed mogelijk dat ik hem daarmee opnieuw te kort doe en dat we ook in dit opzicht op elkaar lijken. Beide op zoek naar hetzelfde: temperantia als een evenwichtige gestemdheid die uiteindelijk neerkomt op een goede omgang met de dood. Hardlopers op hetzelfde traject. 

Untitled

Bonbinibranding

De afgelopen twee maanden zat ik op Bonaire. Het waait er altijd. Aande ene kant van het eiland beukt de zee tegen de kust (zie hierboven). Aan de andere kant begint de wind stilletjes en aanmerkelijk bedeesder aan zijn tocht over zee. Vandaar die naam: Benedenwindse eilanden. 

Ik was er predikant van de Protestantse Kerk. Voor het Kerkblad schreef ik dit als afscheid. 

 

En de wind zal blijven waaien.

Bonaire heeft iets van vroeger. Wildvreemden groeten elkaar op straat, bekenden toeteren even. Aan de boulevard, pal aan zee, vind je nog simpele huizen. Toegegeven, ze worden meer en meer vervangen door appartementen zoals die overal ter wereld staan. Maar ze zijn er nog, al sluipt het geld ook op Bonaire naar hen toe, als een hongerige kat naar zijn prooi. Zij het op zijn bonairiaans.

Twee maanden geleden zou ik nog niet geweten hebben wat ‘op zijn bonairiaans’ is. Nu peil ik het nog niet tot op de bodem, maar iets weet ik toch al wel. Bonairiaans is rustig, aandachtig, niet altijd navolgbaar. Bonairiaans is niet meteen tegenspreken, maar zwijgen is nog geen instemming. Niet alles wordt altijd uitgelegd. Vaak is iets er opeens. Voor de buitenstaander valt het uit de lucht. De Bonairiaan zag het al aankomen. 

Men kent elkaar. En niet alleen elkaar, maar ook elkaars vaders, grootvaders, moeders en grootmoeders. Tot vele generaties terug. Geen Bonairiaan leeft in de anonimiteit. Alles is bekend. Inclusief familiegeschiedenissen die elders op de wereld goed bewaarde geheimen zijn.

Wat doet dat met mensen? Ik zou zeggen: ze raken zeer op elkaar betrokken. Positief en negatief. Allianties en vriendschappen gaan moeiteloos over van de ene naar de andere generatie. Maar partijschap, afkeer en haatdragendheid ook. Wat zestig jaar geleden een tegenstelling was, is dat nog steeds. En omgekeerd: wie toen bondgenoten waren zijn dat nog. En uiteindelijk is iedereen wel ergens familie van elkaar.

Het is een kleine gemeenschap. Alles bij elkaar 15.414 inwoners. Even ter vergelijking: het eiland Texel heeft 13.678 inwoners. Dat scheelt maar weinig. Bonaire is wel langer dan Texel. Veertig kilometer lang, op Texel zijn dat er maar twintig. Beide eilanden zijn even breed. Gemiddeld zo’n acht kilometer.  

Stel eens dat niet Bonaire, maar Texel als ‘bijzondere gemeente’ ingepast had moeten worden in het Koninkrijk der Nederlanden. Stel eens dat daarvoor een zelfde aantal ambtenaren als hier, ruim zeshonderd, het Marsdiep bij Den Helder waren over gestoken. Eén ambtenaar op iedere vijfentwintig inwoners. Stel eens dat al die ambtenaren afkomstig waren uit Limburg en weinig wisten van de Texelse eilandmentaliteit. Stel dat naast die zeshonderd ook nog eens alle ministeries hun ambtenaren naar Texel gestuurd hadden. Alles met de beste bedoelingen. Texel moest een volwaardig onderdeel van het Koninkrijk worden. Zij het dat daar steeds bij gezegd werd dat de omstandigheden op Texel lang niet altijd gelijk waren aan die van de rest van Nederland. Stel dat in de praktijk, betrekkelijk willekeurig, de ene keer wel met die ‘andere omstandigheden’ werd rekening gehouden en de andere keer niet. Bij het onderwijs, om een voorbeeld te noemen, niet. Terwijl toch de verschillen in leerniveau en beheersing van de Nederlandse taal groot zijn. “Geeft niks”, zei Den Haag, “komt vanzelf goed. We leggen de lat op Nederlands niveau.” Maar bij de AOW is het net andersom. Niks van: “We leggen de lat op Nederlands niveau.” Met een vergelijkbaar prijsniveau krijgen Bonairianen een stuk minder AOW. Wegens “andere omstandigheden”. De rechtszaken daarover, met een beroep op artikel 1 van de Grondwet (Allen die zich in Nederland bevinden worden in gelijke gevallen gelijk behandeld) lopen nog. Persoonlijk geef ik de Staat weinig kans. 

Nog even terug naar de vergelijking met Texel. Hoe zouden de  Texelaars op al die regelingen, de ene keer wel als in Nederland, de andere keer niet, reageren? Wat zou hun reactie zijn op al die ambtenaren en hun diverse insteek? Goede kans dat ze zich zouden afvragen waarom alles niet wat eenvoudiger ging. Waarom het bij hen niet net zo kon gaan als in pakweg Den Helder aan de overzijde van het water, waar vier keer zo veel mensen wonen als op Texel en op Bonaire. Bonairianen verschillen op dat punt niet van de Texelaars en vragen zich dat in toenemende mate ook af. Te meer omdat de kosten van levensonderhoud tegelijk met de nieuwe bemoeienis uit Nederland, zij het niet als gevolg daarvan,  spectaculair gestegen zijn. 

Bonaire is een postkoloniaal Madurodam. Op piepkleine schaal kun je er zien hoe Nederland ooit is omgegaan met kolonisatie en dekolonisatie in Indië en Suriname. Om dat in een paar woorden samen te vatten: vol goede bedoelingen, soms royaal, soms uitgesproken krenterig (zonder dat daar veel lijn in valt te ontdekken), zonder veel kennis van de cultuur ter plekke, gehecht aan Nederlandse regelgeving, sterk vanuit: “Zo doen wij dat nu eenmaal”, intussen de hand stevig op de knip en snel geraakt als de goede intentie in twijfel getrokken wordt. Enerzijds willen loslaten, anderzijds via lusachtige constructies de banden toch weer niet willen verbreken.    

De eerste zondag dat ik op het eiland was, trof ik het. Mijn voorgangster, Wilma de Groot, nam afscheid met een speciale kerkdienst onder de pergola bij de familie Kielema. Voor een geïmproviseerde liturgische tafel stonden rijen met stoelen. Daar zaten de Bonairianen. De Nederlanders zaten om hen heen. Beetje op afstand. In zelf meegebrachte stoelen. Allemaal verschillend. De een zat hoog, de ander laag. Wel er bij. Toch zichzelf. Beter beeld van de kerk kun je niet hebben. De kern zijn de Bonairianen. Maar zonder de Nederlanders zou het een heel klein groepje zijn. Mét de Nederlanders is de groep groter, en diverser. 

Er zijn twee soorten Nederlanders. De ene groep is hier om te werken. De andere is met pensioen. Sommige pensionado’s zijn hier permanent, de meesten een paar maanden per jaar.  Maar of je nu werkt of gepensioneerd bent, iedereen heeft ooit voor die typische emigrantenbeslissing gestaan: blijven of weggaan, ook al is het tijdelijk. Blijven is veilig. Gaan heeft risico. Zou het lukken? Kun je, als je hier een jaartje zit, jezelf recht in de ogen kijken en vaststellen dat het een goed besluit is geweest? Dat je hier beter af bent dan wanneer je in Nederland gebleven was. Iedere emigrant neemt dat risico door de vanzelfsprekendheid te verlaten. Daar hoort een bepaalde mentaliteit bij. Dat merk je. De Bonairianen hoeven zich die vraag niet te stellen. Zij zijn hier thuis.  

De Protestantse Kerk van Bonaire is net zo divers als het eiland. Daarmee is de kerk een uitzondering. De grootste kerk, de Rooms-Katholieke, is de grote volkskerk van de Bonairianen. Ze omvat bijna 80 % van de bevolking De talrijke, kleinere Pinkster- en Evangelicale kerken zijn hechte gemeenschappen rond één of meerdere charismatische leiders. Als ze al gemengd van samenstelling (Bonairianen en anderen) zijn, dan mondjesmaat. Alleen De Protestantse kerk is anders. Aan de ene kant van oudsher de Kerk van de Nederlanders. Aan de andere kant evenzo de kerk van een aantal Bonairiaanse families, die in de jaren dertig van de vorige eeuw de rooms-katholieke kerk de rug toe keerden en zich aansloten bij de Protestanten. 

De Nederlandse lidmaten (om dat oude, door en door hervormde woord maar eens te gebruiken) zijn zeer divers van geestelijke samenstelling. Sommige hebben een zware, reformatorische achtergrond. Anderen komen uit evangelicale kringen. Weer anderen zijn gereformeerd of ‘gewoon’ hervormd. 

Van een behoefte aan onderlinge geloofsgesprekken (wat geloof jij?; wat geloof ik?) heb ik weinig gemerkt.  Het belangrijkste is de zondagse eredienst. Er even uit. Even tijd om met andere zaken bezig te zijn. Liefst in een aantrekkelijke dienst. Waarin vaart zit. Waarin veel en goed wordt gezongen. Naast het Woord van God is het de muziek die verbindt. Muziek is belangrijk. Net als het sociale contact na de dienst. In een goede, opgewekte sfeer. Gastvrij, open. Maar vooral zonder te claimen. Nogal wat  Nederlanders hebben het land juist verlaten om te ontvluchten aan die claims. Van familie, vrienden, werk. Maar zeker ook van de Kerk. Hier willen ze dat niet meer. Daarom laten ze zich wel zien, maar houden, op een enkele uitzondering na, afstand. Zoals in die kerkdienst die ik hierboven beschreef: in de buitenring, op eigen stoel, niet onder de pergola vlakbij de preekstoel.

Voor een predikant is dat een mooie uitgangspositie. Hij heeft veel vrijheid. Hij kan er op zijn eigen wijze wat van maken. Er is al veel werk verricht. De kerk heeft een moeilijke periode achter de rug. Dominee Wilma de Groot heeft de zaak goed opgeschud door heel veel mensen thuis te bezoeken. Zodat er weer een band met de kerk ontstond. Het is nu zaak die band te onderhouden en verder uit te bouwen. Te laten zien dat dat kan. Dat Bonairianen, Surinamers en Nederlanders samen een kerkgemeenschap kunnen vormen. Ondanks onderlinge verschillen in cultuur, maatschappelijke positie en geloofsbeleving. Mijn grootste zorg daarbij is dat het op het ogenblik heel erg neer komt op een paar mensen. Anderzijds: is het ooit anders geweest? 

In beide kerken, in Rincon en in Playa, voel ik: hier is heel veel geïnvesteerd in gemeenschap. Hier horen mensen bij elkaar die zo verschillend zijn dat alleen al de gemeenschappelijkheid een teken is van Gods Geest. Daarom vind ik die wind zo mooi, die altijd door de kerk waait. Symbool van de Wind van de Geest.

Ik ben blij dat ik hier twee maanden mocht zijn. De rust van het eiland geeft openheid voor de geest. De zee, steeds hetzelfde en tegelijk steeds anders, nodigt uit tot bespiegeling. Tot nadenken over het leven. Hoe verder? Het antwoord wordt niet kant en klaar aangeleverd, blijft soms uit of doet zich vermoeden als een glimp. Op het eiland voelt dat niet als erg. Iedere dag zon, iedere dag wind. Brengt de wind het antwoord vandaag niet, dan wel morgen of overmorgen. Er is iets tijdloos aan het eiland. Een openheid voor wat komt aanwaaien. Een besef van nietigheid ook. De wind zal blijven waaien ook als onze geest al lang is verwaaid in de tijd. Dat geeft ruimte. Ruimte om te wachten op Gods Geest. Het begin van alle wijsheid.

© 2017 Jan Greven

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑

%d bloggers liken dit: