Jan Greven

Het denken blijft doorgaan

Auteur: basvangeenen (pagina 1 van 6)

Een lezing in Hoevelaken

Op 27 november j.l. hield ik een lezing in Hoevelaken. Over de toekomst van de kerk. Ik ben daar niet erg optimistisch over. Althans, als het gaat om de kerken in Nederland. Op wereldschaal is het natuurlijk een heel ander verhaal. Het christendom is nog steeds de grootste en snelst groeiende religie in deze wereld. Misschien komt mijn zorgelijkheid ook wel door de ruzie in mijn eigen Dorpskerk, die maar duurt en duurt en van de voorheen zo liefdevolle gemeenschap geen spaan heeft heel gelaten. Wat ik er zie, is vooral onmacht. Wat kun je nog verwachten van een kerk die zo slecht in staat is een op zichzelf niet ingewikkeld probleem op te lossen? En toch, terwijl ik de lezing aan het schrijven was, kwam het geloof in toekomst voor de kerk weer terug. Religie, besefte ik, hoort bij de mensen. Dat is de kern. Richt je op de kern. Dan heeft de kerk toekomst. Misschien geldt dat zelfs mijn arme Dorpskerk.

De toekomst van de kerk

Het kerkje van Hijlaard met de pastorie

Het kerkje van Hijlaard met de pastorie

Vele jaren geleden, tweede helft jaren zestig, preekte ik in het Friese dorp Hijlaard. Het was een middagdienst die vanwege het melken om half twee begon. Het was winter. Vanuit de consistoriekamer aan de achterkant van het gebouw zag je de kerkgangers over de velden door de sneeuw worstelen. De weidsheid van het Friese landschap en die kleine tegen de wind op boksende stipjes in zwart en wit. Als beeld van kerkgangers in de wereld is het me altijd bijgebleven.

Later was ik toevallig toch in de buurt en voor sentimental reasons zocht ik het kerkje nog eens op. Het Doleantie preekschuurtje stond er nog net als toen, maar de bestemming was intussen gewijzigd. Er stond een groot kruis op de voorgevel. Het was een bedehuis voor Koptische christenen geworden. Voorbij, dacht ik. Net zo voorbij als de manier van preken van toen en de wijze waarop de gemeente zich na de warme maaltijd om half twee ‘s middags in vrome routine overgaf aan het Woord of de slaap. Kerkgangers die zich door de sneeuw worstelen om in de kerk te zijn. Waar zijn ze nog? Wat is de toekomst van de kerk?

De Duitse theoloog Ernst Lange sprak ooit van een ‘homiletische Grosswetterlage’. Hij bedoelde er het algemeen geestelijk klimaat mee, waarin prediker en hoorders zich als gevolg van hun maatschappelijke en culturele context bevinden. Essentieel voor onze Grosswetterlage lijkt mij het besef dat opvattingen, ook opvattingen over God en geloof,  altijd relatief zijn en nooit absoluut. Onze opvattingen horen bij ons, zijn onderdeel van ons eigen levensverhaal. Wie op deze manier denkt, ziet een preek, om het proefschrift te citeren van de Asser predikant Bert Altena, aan wie ik ook het citaat van Ernst Lange te danken heb, als een ‘open kunstwerk’. Zo iemand wil geen opgedrongen mening, maar ruimte krijgen om de preek te verbinden met het eigen levensverhaal.

De hoorders bepalen zelf, vanuit hun situatie, wat een tekst hen heeft te zeggen. Dat kan heel wat anders zijn dan wat degene die de preek houdt, beoogt. Dat is niet erg, want een preek is nooit ‘rond’. We kunnen God immers nooit definitief ter sprake brengen. Een goede preek geeft te denken. Van belang is niet wát de hoorders ervan maken, maar dát ze er iets van maken.

Dat is een heel andere gedachte dan naar voren komt in het rapport Brandpunten in de verkondiging van de VU hoogleraren Van der Kooi (vdK) en Van den Brink (vdB). Hun rapport werd op vrijdag 14 november j.l. besproken in de Synode van de PKN en riep daar nogal wat kritische vragen op. Anderen daarentegen spraken van een verademing. VdK en VdB vinden dat er iets te verkondigen is. Iets objectiefs. Iets dat ‘is’ en waarover gesproken en gedacht kan worden. Een God die initiatief neemt, het kwaad ondergaat en overwint in het kruis. Een oplossing van het kwaad biedt het kruis trouwens niet, verlossing wel. Verlossing is belangrijker dan oplossing. Openbaring, stellen vdK en vdB, leidt tot kennis. De laatste paragraaf van hun rapport gaat, hoe kan het anders, over de toepassing: wij moeten transformeren. Ons bekeren, anders leven. Ons door de kerk laten zeggen hoe dat moet. Of dat past in het eigen levensverhaal is vers twee. Eerst de boodschap, dan het eigen verhaal. Verlossing geldt voor iedereen. Oplossingen zijn individueel.

Als ik religieus een beetje in de stemming wil komen, is een van mijn favorieten een CD die ik een tijd geleden kocht in Kiev. Op zondagochtend was ik er de Sint Mykhaylivska Zolotoverkhyi binnengelopen. Ik viel midden in een prachtig gezongen mis. De mensen stonden. Gordijnen gingen open en werden weer gesloten. Heilige bekers werden het volk getoond en verdwenen naar achteren. En tenslotte was er de communie.

De liturgie verkondigde dat Gods bemoeienis met de wereld door gaat. Prachtig vormgegeven in een stad waar de meest verschrikkelijke dingen gebeurd zijn. Gruwelijke hongersnood in de jaren dertig. Afschuwelijke moord op de joden bij Babyn Yar. En ook in deze tijd is er weinig hemel op aarde. En toch gaat het zingen door. Als uitdrukking van het geloof van deze kerk, dat God door gaat. Hoe de geschiedenis ook is.

Uit wat hierboven staat, laten zich al drie modellen van kerk en verkondiging destilleren. In het eerste model levert de preek een bijdrage aan het zelfverstaan van de kerkgangers. De predikant probeert hun problemen en zorgen te benoemen en hen te helpen bij het omgaan met levensvragen.

In het model van vdK en vdB is de kerk een instituut dat eeuwige verlossing verkondigt. Iedere zondag horen de kerkgangers hoe God met hen en met de wereld is omgegaan. Hun situatie wordt in algemene en niet in persoonlijke termen besproken. Zij zijn zondaren en wat zij krijgen is verlossing. Dankzij die verlossing kunnen zij accepteren dat er soms geen oplossing is.

In het derde model is de kerk vooral de bewaarster van de eeuwige liturgie. Ook in de liturgie draait het om zonde, de komst van Gods zoon, zijn lijden, onze verlossing, maar er wordt gezongen, niet gepreekt.

De kerk van de toekomst zal één van deze drie smaken hebben. Ofwel georiënteerd op het dagelijks leven van de gelovigen, ofwel verkondiger van eeuwige waarheid ofwel bewaarster van de heilige, eeuwige liturgie. Bij elke kerkvorm hoort een eigen liturgie, een type kerkgebouw, een type gelovige.

Mijn voorkeur gaat uit naar het eerste model. Maar dan wel met een uitdrukkelijke oriëntatie op de eeuwigheid. Dat hangt samen met mijn visie op religie. Hoe ik dat zie, kan ik uitleggen aan de hand van het verhaal van Han van den Blink.

Han van den Blink werd in 1934 geboren in Nederlands Indië. De oorlogsjaren bracht hij door in het Jappenkamp. Eerst in een kamp voor vrouwen en kinderen. Maar vanaf zijn elfde verjaardag in 1945 op eigen benen in een mannenkamp. Op een ochtend in 1988, hij woont dan al jaren in de Verenigde Staten, vindt hij tussen de post een brief van zijn vader met daarin een aantal knipsels. Een daarvan is uit het Indisch Maandblad Moesson. ‘Monument jongenskampen Bangkong-Gejungjati 1944-45’ leest hij en hij ziet een klein standbeeld van een uitgemergeld jongetje, in lendendoek met pikhouweel en schoffel.


Monument Jongenskampen

Monument Jongenskampen

Het was alsof er van een diep verborgen wond een korst werd afgescheurd. Hij barstte in tranen uit, bleef maar kijken naar het knipsel en kon niet ophouden met huilen. Intussen merkte hij, dat hij niet huilde als een volwassen man, maar als een veel jonger iemand. Als een jongetje. Al huilend beleefde hij zijn kampangsten opnieuw en het verbaasde hem hoe dicht die na meer dan veertig jaar nog aan de oppervlakte lagen.

Later werd hij zich van nog een andere gewaarwording bewust. Het was een gevoel van rechtvaardiging. Dat bronzen beeldje met het opschrift ‘Zij Waren Nog Zo Jong’ erkende dat “ook óns lijden echt was”. “Het was alsof er een last van me afviel, waarvan ik niet eens wist dat ik hem al die jaren met mij meegedragen had.”

Wat hem overkwam, interesseerde Van den Blink, intussen hoogleraar Pastorale Theologie en pastoraal counselor, ook beroepsmatig. Hoe kan een trauma van heel vroeger zo krachtig en zo onverwacht gereactiveerd worden? Of, algemener gesteld, hoe komt het dat een stemming van algemeen welbevinden soms ineens kan omslaan in een van angst en onrust?

Bij het zoeken naar een antwoord gaat Van den Blink uit van verbondenheid. Geen mens is een atomair wezen. Ieder mens opereert in een maatschappelijke en culturele context. Zeg maar een Grosswetterlage, waar we net zo min uit kunnen stappen als uit ons lichaam.

Daarnaast zijn we verbonden met anderen en ontwikkelen in reactie op elkaar vaste patronen die een eigen leven gaan leiden en het leven met elkaar vergaand bepalen. En tenslotte zijn we samen, aldus Van den Blink, verbonden met “de scheppende Geest, die de bron is van alle genezing.”

Omdat we geen atomaire wezens zonder geschiedenis zijn, is een trauma, iets dat ons overkomt, een wond slaat, ons pijn doet of verdriet, geen geïsoleerd feit, maar verbonden met onze levensgeschiedenis. Je kunt onze trauma’s niet uit die levensgeschiedenis pellen om het vervolgens als apart verschijnsel voor eens en voor altijd uit de wereld te helpen. In die zin gelooft Van den Blink niet in Verlossing. Het hoogste bereikbare is dat mensen leren begrijpen waarom ze in bepaalde situaties, bijvoorbeeld wanneer ze in het nauw gebracht worden, of wanneer ze zich onverwacht schamen, zo reageren. Soms ondervinden ze schade van hun eigen reactie en moeten ze leren anders te reageren. Er niet aan toe te geven en het gebruikelijke patroon te doorbreken. Dat gaat moeizaam, met vallen en opstaan. En zonder dat de oude patronen ooit helemaal verdwijnen.

In een mooi beeld, vergelijkt Van den Blink het met een rivier, die op zeker moment een nieuwe bedding heeft gevonden. Maar vlieg je er over heen, dan zie vanuit de lucht dat de oude bedding, droog gevallen en intussen begroeid, er nog steeds is. Helemaal droog gevallen is de rivier trouwens nooit. Bij heel hoog water kunnen die oude beddingen zo maar weer onderlopen. Helemaal over en uit is het bij een traumatische reactie nooit.

Heeft geloof te maken met het zoeken naar antwoorden op levensvragen, met de verwerking van een vroeger trauma zoals Van den Blink beschrijft? Of draait geloof om de boodschap van eeuwige verlossing die, ongeacht de levensomstandigheden of levensvragen, voor iedereen gelijk is. Bij Van den Blink gaat geloof samen met levenswijsheid. Levenswijsheid ontwikkelen we in een langdurig proces en hetzelfde geldt voor ‘geloven’. De betekenis van religieuze taal moet geleerd worden. Het is vallen en opstaan. Uitgangspunt zijn onze levenservaringen en met name de ervaringen van lijden. Lijden maakt dat oude antwoorden niet meer voldoen en dwingt ons onszelf opnieuw te verstaan, opnieuw te formuleren wat betekenis is, wat geborgenheid betekent.  De kerk zou daarbij moeten helpen door een sfeer te scheppen waarin vragen naar de betekenis van religieuze taal gesteld kunnen worden. De kerk moet een plek zijn waar geloof religieus ingekleurd kan worden, waar geloven kan aansluiten bij de eigen situatie. Mensen willen warmte, geborgenheid, vertrouwen. De kerk moet een plek zijn waar zij dat kunnen vinden.

Dat geleidelijke, dat reactieve mis ik bij VdK en VdB. God is voor hen een transcendente macht die aangesproken kan worden met ‘GIJ’. Dat God werkelijk spreekt en zich met ons bemoeit, moet in onze tijd opnieuw gezegd worden,  aldus deze godgeleerden. God heeft het beslissende woord. Zin en goedheid worden ons aangereikt. We mogen dankuwel zeggen.

Van den Blink is ook met dat geloof begonnen. In de loop van de tijd heeft hij steeds meer oog gekregen voor wat hij noemt ‘een verhoogd bewustzijn van de aanwezigheid van het Heilige’ in zijn leven. Niet ‘er op af’, maar ‘wacht eens wat je over komt’. Mild vertrouwen, eerder dan beschrijvende ijver. Geloven is dan meer iets als geestelijke rijping. Geloven bij vdK en vdB daarentegen gaat meer in de richting van gehoorzaamheid. De gelovige buigt het hoofd voor de overmacht van de openbaring van een persoonlijke God die bestaat, zeggen vdK en vdB. Hoe die God is, wie die God is beschrijven zij systematisch in hun theologie.

Als ik bestuurlijke verantwoordelijkheid had voor de PKN, wat gelukkig voor alle betrokkenen niet het geval is, zou ik heel serieus nemen wat vdK en vdB zeggen. Overal in de wereld bloeit religie waar gehoorzaamd wordt. Van hindoeïsme, via jodendom en islam tot christendom. Ook in de bloeiende kerken van mijn jeugd ging het gedisciplineerd toe. Hoe te geloven. Hoe te handelen. Het werd allemaal voorgeschreven. Toen die discipline werd losgelaten, begon de verdamping. Hoe anders is dat bij kerken die een strakke geloofsdiscipline hebben gehandhaafd.


De Hoeksteen van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland

De Hoeksteen van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland

In het nabij Hoevelaken gelegen Barneveld staat de Hoeksteen. Een kolos van een kerk. Plaats van samenkomst van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Vijfentwintighonderd zitplaatsen. Genoeg voor een plaats als Barneveld met bijna 29.000 inwoners, zou je zeggen. Maar nee. In Barneveld staat ook de Adullamkerk, genoemd naar de grot waar David zich ooit verborg voor koning Saul. Van de Gereformeerde Gemeenten zonder de toevoeging ‘In Nederland’. Met 1500 zitplaatsen. Met het gloednieuwe kerkgebouw van de uit de PKN getreden Hersteld Hervormden (700 zitplaatsen) komt dat op totaal 4700 zitplaatsen. Hoezo secularisatie?

Kerken waarin het draait om gehoorzaamheid aan leer en leven hoeven hun organisatiestructuur niet aan te passen. Alles loopt, zoals het vroeger ook liep. Met een kerkenraad die toe ziet op een strakke geloofsdiscipline. Voor kerken van andere snit, kerken waarin het draait om vragen, en niet om antwoorden, is het de vraag of zo’n traditionele organisatie met een sturende kerkenraad de beste organisatievorm is. Ik denk van niet. Ze zijn er te dynamisch voor. Veel problemen in plaatselijke kerken van de PKN ontstaan doordat een statische organisatiestructuur botst op een dynamische wijze van kerk zijn waarin oude vormen vervangen worden door nieuwe.

De godsdienstsocioloog Gerard Dekker heeft een organisatievorm voor zulke dynamische kerken uitgewerkt. Met binnenin een kleine kring van toegewijde leden en daaromheen een bredere cirkel van incidentele deelnemers. Voor de kleine kring is de kerk een oefenruimte voor christelijk leven. Om er aan deel te nemen moet je bereid zijn bepaalde drempels te nemen. Belijdenis doen, bijvoorbeeld. Het is niet vrijblijvend. Qua geloof niet en qua levensstijl niet. Er zit in die kleine cirkel ook iets van gehoorzaamheid. Iets van zoeken vanuit de christelijke traditie naar existentieel contact met de Eeuwige.  Daarnaast is zo’n kerk een plek waar mensen terecht kunnen met hun levensvragen. En tenslotte is de kerk er voor laagdrempelige dienstverlening. Voor huwelijken, voor begrafenissen. Of gewoon voor een goed gesprek.

Volgens de Groningse hoogleraar Praktische Theologie Henk de Roest zal in zo’n kerk met een kleine bezielde kern de wind van de Geest zeker opsteken. De Roest legt een verbinding met de kerk van de eerste eeuwen. Ook toen kwam het aan op existentiële keuzes en maakte een kleine minderheid het verschil. Omdat ze authentiek was en waarmaakte wat ze zei te geloven. Waarom zou, wat toen kon, nu niet meer mogelijk zijn?

Een paar jaar geleden had het dagblad Trouw op maandag een rubriek waarin een bekende Nederlander verslag deed van een kerkdienst die hij of zij de zondag ervoor bezocht had. De rubriek werd gretig gelezen. Tweeëntwintig van de vijfendertig Trouw-kerkgangers kwamen anders nooit in de kerk. Wat vonden zij? Preekonderzoekster Ciska Stark onderzocht dat en concludeerde dat kerkdiensten, of ze nu katholiek zijn of protestant, een hoog ons-kent-ons gehalte hebben en zijn afgestemd op de reguliere kerkganger. De gelegenheidskerkgangers voelden zich daardoor al snel gast op het feestje van anderen en dat werkt niet positief. Volgens Stark is dat ernstig, want een flink deel van de ‘eigen’ kerkleden zijn intussen ook gelegenheidskerkgangers, die alleen ter kerke gaan als het hun past of bij kerkelijke hoogtijdagen.

Het probleem benoemen is één, het oplossen is iets anders. Van een voorbijkomende gelegenheidskerkganger kun je niet meteen innerlijke betrokkenheid verwachten. Maar een liturgie kan niet zonder innerlijke betrokkenheid plus een gemeenschap die dat draagt. Als oplossing stelde Stark voor verschillende vormen van liturgie aan te bieden voor verschillende soorten kerkgangers. De suggestie doet me denken aan de ‘diensten voor belangstellenden’, die je vroeger had. Er werd piano gespeeld in plaats van orgel. Voor de rest was er niet gek veel verschil met een gewone kerkdienst, alleen was de kwaliteit van de preek meestal een stuk hoger en zag je op den duur ook daar steeds dezelfde gezichten..

Hoewel ik wel begrijp dat Stark in deze richting naar een oplossing zoekt, gaan mijn ideeën in een andere richting. Uit de interviews met de vijfendertig Trouw-kerkgangers kwam naar voren dat het in de vieringen vaak ontbrak aan kwaliteit en diepgang. Dat gold zowel voor de prediking als voor de uitvoering van het ritueel. De kritiek gold zowel de protestantse als de katholieke erediensten. Opmerkelijk was dat de Trouw-kerkgangers de protestantse kerken niet overtuigend vonden als ze zich te veel begaven op het terrein van het ritueel, zeg maar de liturgie. Protestanten moeten het, hoe je het ook wendt of keert, hebben van een kwalitatief sterke prediking. Dat was zo, en dat blijft zo. Voor katholieken, met hun nadruk op ritueel, blijft van belang, dat de betekenis van de liturgie ook voor buitenstaanders duidelijk en overdraagbaar moet zijn. Dat was lang niet altijd het geval.

Conclusie: meer kwaliteit en diepgang en vooral: Blijf goed in waar je van huis uit goed in bent en probeer niet van twee walletjes te eten. Bij de kritische gelegenheidskerkganger val je even snel als genadeloos door de mand. En dat is ernstig, want nogal wat eigen kerkleden horen tot die categorie.

Concentreer je dus op je eigen kern. Dat was ook de conclusie van VU-hoogleraar Gerben Heitink naar aanleiding van bovengenoemde Trouw-rubriek. Aan de ene kant pleitte hij voor een liturgische drempel die zo hoog is, dat ze niet zonder een drempelritueel van inwijding genomen kan worden. Gasten zijn van harte welkom, maar liturgie laat zich niet populariseren. Aan de andere kant stelde hij dat de kerk haar ‘wereldlijke’ omgeving moet analyseren. Zeg maar de Grosswetterlage van Ernst Lange uit het begin. Hoe staat het met de behoefte aan zingeving, aan informatie over het christendom, aan rituelen bij de levensloop of gewoon met de behoefte ergens bij te horen? Aangezien het instituut ‘kerk’ nogal wat weerstand oproept, kan ze, als ze die verschillende behoeftes in kaart gebracht heeft, volgens Heitink het best aansluiting zoeken bij andere instituten. Bij scholen, bij bibliotheken of bij het ouderenwerk.

Op die manier ontstaat een kerk met in haar kern een groep ingewijden. Tegelijkertijd is er een grote openheid. Iedereen is welkom in een dienst die er uit springt vanwege de hoge kwaliteit van muziek en taal. De kerk kent de levensbeschouwelijke behoeftes van haar omgeving en voedt via haar leden het werk dat anderen, scholen, bibliotheken, op dat punt doen.

Ik zou zeggen dat de kerk van de toekomst het in die richting moet zoeken. Althans, mijn kerk van de toekomst. Want een ander type kerk is ook mogelijk en dan heb ik het over het verkondigende type van de theologen Van der Kooi en Van den Brink. Een kerk die een God verkondigt die buiten ons om bestaat en die ons verlossing schenkt. Inhoudelijk houdt zo’n kerk geen rekening met buitenstaanders. Wat vormgeving en muziek betreft vaak wel. En met succes. Zie alle rond een charismatische voorganger verzamelde evangelicale kerken die lopen als een trein. Goed mogelijk dat ze op het goede spoor zitten met hun opvatting dat religie niet kan zonder gehoorzaamheid en dat de boel verwatert als dat wordt los gelaten.

Toch kies ik voor de andere mogelijkheid. Voor een kerk waar wijsheid gevonden kan worden. En steun. En troost. En aanvaarding. Waar loslaten geleerd kan worden. Waar nagedacht wordt over onze ‘Grosswetterlage’. Makkelijk heeft die kerk het niet. Om te beginnen moet zo’n kerk haar religieuze kern bewaken. Omgaan met die kern vereist oefening, aandacht, concentratie. Ik geloof met de socioloog Dekker en de theologen De Roest en Heitink in de noodzaak van een kleine groep, die zorgt dat het vuur brandende blijft. Mensen die er altijd zijn en de zaak dragen. Omdat ze met elkaar zijn, hoeven ze niet ontmoedigd te worden door aflopend kerkbezoek. Die gestage teruggang veroorzaakt veel negatieve energie, maakt onzeker, doet voorgangers twijfelen aan zichzelf en uiteindelijk ook aan hun geloof. Logisch, in een maatschappij waar alles wordt afgemeten aan groei, is het moeilijk om het vol te houden in een permanente situatie van achteruitgang. Dat gevoel is een stuk minder met een vaste groep die er altijd is. De leden van die groep kennen elkaar, maar daarnaast ook hun omgeving, de wijk, het dorp. Ze weten met welke behoeften en vragen mensen buiten of aan de rand van de kerk leven. Ze weten hoe daarop in te spelen. Maar ze weten ook dat de kerk ook een eigen verhaal heeft.

In beide types van kerk gaat het om kwaliteit. Muzikaal en spiritueel. Kwaliteit van de verkondiging in de kerken van de gehoorzaamheid. Kwaliteit in het benoemen van levensvragen en het zoeken naar antwoord in de kerk van de levenswijsheid. Buitenstaanders moeten er zich thuis voelen. Makkelijk is dat niet altijd. De opstelling van banken, zij aan zij, gericht op preekstoel of altaar onderstreept het individualistisch karakter van onze cultuur. Het is geen ambiance die uitnodigt tot contact met een medebankzitter. Ook het koffie drinken na afloop van de kerk biedt niet altijd soelaas. Meestal heerst er een sterke ons kent ons sfeer en de losheid die vereist is om ontspannen naar een vreemde toe te lopen en een praatje te beginnen zit niet in onze genen.

Hoe zie ik de toekomst van de kerk? Ik zie voortgaande forse achteruitgang. Kerkgangers leven gezond en hebben daardoor een bovengemiddelde levensverwachting, maar ook zij hebben niet het eeuwige leven. Er is veel te weinig nieuwe aanwas om al die lege plekken op te vangen. Maar verdwijnen zullen de kerken niet. Zeker de orthodoxe kerken niet. Hun boodschap zal blijven klinken. Ze geven geborgenheid in een onzekere wereld. Dat werkt, zoals we zien in Barneveld.

De kerken van de andere signatuur, de kerken van de levenswijsheid, zullen blijven krimpen. Maar er zal wat op de schaal blijven liggen: kerken die authentiek spreken over God, aansluiten bij de samenleving waarin ze zich bevinden en gedragen worden door een vaste kern. Daar komt nog iets bij.

De teruggang van de kerken betekent allerminst dat de interesse in religie verflauwt. Wij leven in een uitzonderlijk religieus land, ook al denken we vaak het tegendeel. Dat we dat denken komt doordat in het nog niet zo verre verzuilde verleden de  kerken, maatschappelijk zowel als godsdienstig een zeer uitgesproken rol hadden. Daar is vrij abrupt een einde aan gekomen. Door de combinatie van die prominente positie en de razendsnelle terugval valt de teruggang van de kerken extra op. Toch wijst onderzoek uit dat ons land, net als vroeger, zeer religieus is. Alleen is die religiositeit niet meer kerkelijk georganiseerd. We denken altijd dat we uniek zijn door onze moderniteit en onze door en door geseculariseerde maatschappij. Minstens even uniek zijn we door onze religiositeit.

De kerken zouden dat gegeven serieus moeten nemen. Veel serieuzer dan ze op het ogenblik doen. Het zou het denken over de toekomst van de kerk aanmerkelijk minder somber maken.

Wie is er bang voor vooruitgang

Wie is er bang voor de vooruitgang

Jaffe Vink werd geboren in Scheemda in het Oosten van Groningen. Ooit veengebied. Moeilijk begaanbaar. Op de grens van aarde en water. “De aarde nu was woest en ledig” uit Genesis 1 is in het Gronings “Eerde was onlaand”, land dat nog geen land is.

Eerst werd het veen afgegraven. Toen kwamen wegen. En een spoorlijn, het befaamde lijntje Hoogezand, Sappemeer……Met het spoor kwam de aardappelindustrie. En de stank. Kanalen werden riolen. Die stank is van vroeger. Met dank aan de technologie. Maar van alle technologische vernieuwingen die de wereld van Oost Groningen veranderden was de fiets toch wel het mooiste. De fiets was vrijheid. Er kwamen ‘kunstwegen’ –een ‘echte’ weg was een zandweg. Je kon voortaan zelf bepalen wanneer je het dorp wilde verlaten.

Die vrijheid om je eigen weg te gaan, de vooruitgang tegemoet, gesymboliseerd in de komst van de fiets, gonst door Vinks boek. Het is een boos boek. Boos omdat hij overal angst voor vooruitgang ziet. Ziet hoe mensen hun vrijheid weer inleveren. Zich regels laten opleggen. Bang worden voor de toekomst. Voor klimaatverandering, ophoging van de zeespiegel, overbevolking of uitputting van de aarde. Enfin, noem alle plagen maar op waarvan wordt voorspeld dat ze onafwendbaar afkomen op ons en ons nageslacht.

Al die voorspellers, van de Club van Rome tot Al Gore, ziet Vink als onheilsprofeten. Dat ze waarschuwen voor slechte ontwikkelingen is uitstekend. Maar ze overdrijven. Ze overspelen hun hand doordat ze rechtstreekse lijnen trekken naar de toekomst, terwijl die toekomst nooit via rechte lijnen op ons afkomt. Bovendien hebben ze oogkleppen op. Zijn ze blind voor wat de technologie doet voor de oplossing van problemen die nu onoverkomelijk lijken. Houden ze geen rekening met technologische doorbraken. In de jaren zestig werd gewaarschuwd dat de aarde al in het jaar 2000 haar inwoners niet zou kunnen voeden. In dezelfde tijd zorgde de groene revolutie in de landbouw dat de oogsten verveelvoudigden. Zonder dat de onheilsprofeten die ontwikkeling zagen.

Vink plaatst de landbouwkundige Norman Borlaug, de grondlegger van de groene revolutie, tegenover Paul Ehrlich, schrijver van het boek The Population Bomb. Borlaug is altijd boer gebleven. Op voor dag en dauw. Steeds met zijn handen in de aarde. In 1970 kreeg hij de Nobelprijs van de Vrede. Daartegenover Paul Ehrlich, jong, aantrekkelijk, met lange zwarte bakkebaarden. Geziene gast op tv-shows. Ehrlich ziet weinig in nieuwe landbouwmethodes. Ze zullen leiden tot een “onherstelbare vernietiging van de ecosystemen”. Alleen radicale geboortebeperking helpt. Ehrlich wil invloed. Invloed op menselijk gedrag. En met succes, zoals ik uit eigen ervaring weet. Zijn boek was ‘hot’ toen wij, mijn vrouw en ik, voor de beslissing stond van ‘hoeveel kinderen nemen we?’. Het is bij twee gebleven. Meer dan twee werd toen als asociaal beschouwd. Er zat iets dwingends in dat voorschrift van twee kinderen.

Een ander onheilsprofetie is verbonden met het begrip ‘zure regen’. Zure regen zou de bossen vernietigen. De angst daarvoor was op haar hoogtepunt in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Er was zelfs een woord aan verbonden: Waldsterben. Je hoort het nooit meer. De bossen zijn niet gestorven. Integendeel, het gaat ze heel goed.

Waar komt al die angst over toekomstig onheil vanuit de natuur vandaan? Waar komt die bereidheid vandaan om vrijheid in te leveren, zelfs vrijheid om zelf te bepalen hoeveel kinderen je wilt hebben, en jezelf een norm op te leggen op basis van onbewezen voorspellingen over toekomstige ellende? Waarom hebben de bangmakers zo’n succes? Is er wel reden ons zorgen te maken? Vooral met die laatste vraag en zijn antwoord erop roeit Jaffe Vink tegen de stroom in. De onheilsprofeten hebben geen gelijk. Dat is de boodschap waarop hij hamert en in dat hameren schiet hij wel eens door. Zo vind ik hem te ontspannen over het probleem van de overbevolking. Zeker in het licht van de cijfers van de VN die vorige maand bekend werden. De cijfers spreken tegen wat hij in cursief vanwege de nadruk schrijft  : De wereldbevolking neemt af.  Dat ziet er, althans in deze eeuw, nog niet naar uit.

Dat doorschieten neem ik trouwens op de koop toe en dat komt door zijn analyse van de angst voor wat de natuur nog voor ons in petto heeft. Hij ziet een ‘kolossale verandering’ die erin bestaat dat de mens geleidelijk aan de natuur is gaan beheersen. Altijd was de natuur ons de baas. Nu zijn de rollen omgedraaid en ligt het lot van de natuur in onze handen. In plaats van daar trots op te zijn, zijn we bang geworden. We zijn bang voor wraak. Dat de natuur zal terugslaan. We zien de tekenen om ons heen. Stormen zijn veel heftiger. Winters veel zachter. De zeespiegel stijgt. We reageren vanuit angst. Niet ontspannen. Of we steken de kop in het zand. Of we onderwerpen ons aan alle regels waarvan gezegd wordt dat daarmee weer goed zal komen. Een kras voorbeeld van dat kop in het zand steken las ik in het laatste nummer van de New York Review of Books. De Senaat van de Amerikaanse staat North Carolina heeft in 2012 een wet aangenomen waarin het gebruik van alle gegevens die een verhoging van de zeespiegel voorspellen wordt verboden in de politieke discussies over ruimtelijke ordening en beheer van de kust. De wet werd aangenomen na een discussie over een rapport van nota bene een eigen Senaatscommissie waarin werd voorspeld dat de zeespiegel de komende honderd jaar één meter zou stijgen.

Het vereist moed de kop niet in het zand te steken en onder ogen te zien dat het lot van de natuur in onze handen ligt. Bij dat inzicht hoort een manier van denken zoals gebeurt in de wetenschap. Wetenschap werkt met voorlopige resultaten. Niks staat voor eeuwig vast. Voor mensen die niet gewend zijn zo te denken, is dat moeilijk. Ze willen zekerheid, willen weten ‘hoe het zit’. Ze bewonderen de hartstocht waarmee de wetenschap zoekt naar het onbekende. Maar aan de andere kant wantrouwen ze de resultaten zolang die voorlopig zijn. En dat zijn ze altijd.

Het probleem is dat ons lot met dat van de wetenschappers is verbonden. We zitten allemaal in dezelfde boot. We zijn afhankelijk van elkaar. Over hun schouders kijken wij met ze mee. Dat vereist moed want het gaat om ons eigen voortbestaan. We zouden ze wel willen toeschreeuwen: ontdek iets waardoor we ons geen zorgen meer hoeven te maken! Maar zo gaat het niet. Nieuw ontdekte feiten confronteren wetenschappers, en ons, meekijkers, altijd met wat zij nog niet weten. Vooruitgang loopt via vergissingen, doodlopende straten, zelfs regelrechte blunders. Ontdekkingen, denk aan de penicilline, berusten vaak op toeval. Aan de ene kant zijn we heersers over de natuur. Aan de andere kant zijn we afhankelijk van een provisorische wetenschap die het moet hebben van vallen en opstaan. Wie houdt het uit in die onzekerheid? Wie kiest dan voor de fiets om er op uit te gaan, het onbekende tegemoet, zoals dat na de aanleg van ‘kunstwegen’ mogelijk werd in het Scheemda van Jaffe Vink?  Wie is bereid de prijs van de vrijheid, onzekerheid, te betalen? Wie schuilt niet liever bij de schijnzekerheden van de profeten die ons kunnen voorspellen hoe de wereld er over 50 jaar uit ziet, ook al moeten we daar onze vrijheid voor inleveren en doen wat zij ons voorhouden? Jaffe Vink in elk geval niet.

 

Jaffe Vink, Wie is er bang voor vooruitgang. Uitgeverij Prometheus € 18,95

Weer verder

weerverder-1

Het is een tijdje stil geweest op mijn site. Een paar attente volgers vroegen er naar. Er was toch niets? Heel lief en attent. Nee gelukkig was er niets. Of toch wel, maar niet iets om je zorgen over te maken. De laatste maanden heb ik al mijn aandacht gegeven aan een boek over Aartje, ons lief kind dat in januari 2012 plotseling stierf. Ze is niet vergeten. Pas nog legden lieve mensen pompoenen op haar graf en zorgden voor verse rozen. Moeilijk te beschrijven hoe goed het doet als je dat ziet. Er wordt nog aan haar gedacht. Tranen in de ogen.

In het boek heb ik haar leven beschreven en bijeengebracht wat ik in de twee jaar na haar dood op mijn site schreef over ons verdriet en onze omgang daarmee. En tenslotte heb ik opgeschreven wat Aartjes dood voor mij als gelovig mens betekend heeft. Wat haar sterven deed met mijn godsvertrouwen en mijn visie op de betekenis van het leven.

Al schrijvend kwam er veel boven. Vooral de duik in het verleden – gelukkig heb ik sinds 1988 een dagboek bijgehouden waardoor ik voor de laatste 25 jaar niet op mijn geheugen hoef af te gaan – was af en toe confronterend en verdrietig makend. Maar gelukkig, ik ben er uit gekomen. Al een tijdje terug heb ik contact opgenomen met Mai Spijkers van Uitgeverij Prometheus. Aartje heeft zo’n tien jaar bij hem gewerkt. Hij reageerde heel positief. We spraken af dat ik uiterlijk 1 oktober j.l. de kopij zou inleveren en dat is me gelukt. Eigenlijk ook tot mijn eigen verrassing. De bedoeling is dat het boek uitkomt in de tweede helft van januari.

Nu het boek weliswaar nog niet af – er komen nog drukproeven en laatste correcties – maar toch goeddeels gedaan is, komt er weer ruimte voor mijn site. Ik pak de draad weer op. Met recensies over boeken die op mijn pad komen en die ik interessant genoeg vind om over te schrijven, af en toe een lezing en andere reflecties op het leven en het menselijk bestaan. Een heftige, onverwachte confrontatie met de dood maakt een mens beschouwender. Hoe moet het verder met het leven? Wat kun je nog van het leven maken?

Na Aa’s dood kon ik aan die vragen niet meer voorbij. Het leven is niet meer als vroeger. Alles is veranderd. Voorgoed. De tijd verstrijkt, de pijn blijft. Het verdriet is een wond in de ziel die niet geneest. Toch moeten we verder. Al was het maar vanwege Aartje. Het is al verschrikkelijk dat ze stierf. Maar dan ook nog eens verder leven uitsluitend in de tinten grijs en zwart en niets meer van onze levens maken? Het zou zijn of ze nog een keer sterft. Geluk was vroeger vanzelfsprekend. Nu moet je er voor knokken. Met dat knokken is het net als met schrijven. Je moet het doen. Het komt je niet aanwaaien. Aan de slag!

Bloei waar je geplant bent

Een paar weken geleden kreeg ik een email van Jaap van Dijkhuizen (1940). Of ik me hem nog herinnerde. Een goede vraag, want de laatste keer dat ik hem zag, was meer dan een halve eeuw geleden. Toch wist ik het meteen. Ooit zaten we in dezelfde klas, zij het door verhuizingen slechts één jaar. Ook doorliepen we in hetzelfde jaar de groentijd van het Amsterdamse VU corps. Daar komt bij dat je Jaap niet snel vergeet want hij had tics die je niet kunnen ontgaan. Zo iets blijft je bij. Zelfs na een halve eeuw.
Tics waren in die tijd nog tics. Zonder nadere aanduiding. Dat is nu anders. De tics van Van Dijkhuizen hebben een naam gekregen. Hij leed, en lijdt aan het syndroom van Gilles de la Tourette. Hij schreef er een boek over. Daarover mailde hij mij. Of het me interesseerde. Natuurlijk interesseerde het mij.

Gilles de la Tourette klinkt elegant. De ziekte waarnaar het verwijst is dat niet. Over de impulsen die ze van binnenuit krijgen en die als tics aan de oppervlakte komen, hebben tourettisten, zoals Van Duikhuizen ze noemt, niks te vertellen. Onverwachte bewegingen, geluiden, een woord dat er uit geflapt wordt of een trekking met het been, de tourettist heeft er niet of nauwelijks verweer tegen. Nooit rust. Je wordt er dood en dood moe van.

Van Dijkhuizen beschrijft zijn (aangeboren) ziekte klinisch en eerlijk. Van afstand kijkend naar zichzelf. Als het moet, precies en gedetailleerd. In het algemeen positief. Maar af en toe, als hij weer eens zo’n moeizame, onaangename situatie beschrijft waar zijn lichaam hem ongevraagd en ongenood in bracht, komt het er uit. Het was ook wel lijden. Altijd opvallen. Altijd op je qui-vive zijn om de tic, zo mogelijk, voor te zijn. Altijd bezig met een lichaam, het eigen lichaam, met binnenin een ander, een storende plaaggeest, aan het stuur.

Sommige periodes van zijn leven slaat hij maar liever over. Ze waren te zwaar. Over andere schrijft hij graag. Het ging er goed. Natuurlijk, de tics waren er ook toen, maar er viel mee te leven. Zijn studententijd was zo’n tijd. Opgetogen, alsof het gisteren was, vertelt hij wat daar goed ging. Dat hij het zo getroffen had met het studentendispuut waar hij lid van was geworden. Hoe belangrijk het voor hem was dat een ouderejaars hem zei dat de tics bij hem hoorden en dat hij die nooit moest verloochenen. Ook de nog steeds opborrelende woede over een andere ouderejaars die hem vanwege zijn tics een psychopaat noemde. Het succes dat hij had bij de meisjes en de grappen die hij uithaalde met zijn medestudenten. Kleine gebeurtenissen die zijn studententijd een opgewektheid gaven die hij nooit vergeten is. Het echte paradijs is een verloren paradijs, zei Proust al.

Al dat opsommen van wat goed ging, heeft iets ontroerends. Het is alsof hij zijn lezers wil overtuigen. Ze moeten niet denken dat hij een mislukt leven gehad heeft. Een moeilijk leven. Dat zeker. Maar wat stond er niet tegenover? Hij kon heel goed leren. Leerde Italiaans, hield zich bezig met sanskriet en arabisch. Kan de fabels van Fontaine zo uit het hoofd opzeggen. Evenals de eerste monoloog uit Goethe’s Faust. Prachtig natuurlijk. Maar het zijn compensaties. Gewichten aan de positieve kant van de balans. Belangrijk, maar niet doorslaggevend.

Dat hij het gered heeft, dat hij zijn leven heeft volgehouden, komt door iets anders. Al heel gauw was hem duidelijk dat er een duidelijk verband was tussen spanning, drukte en lawaai en het opspelen van zijn tics. Hoe minder spanning, hoe minder geluid, hoe beter. Daarop heeft hij, nu dat door zijn leeftijd mogelijk is, zijn leven helemaal ingericht en zijn dagelijks bestaan ingebed tussen twee periodes van rust en ruimte. Hij staat vroeg op, om half zes/zes uur. De uren tot het begin van de dag besteedt hij aan meditatie. Aan oefeningen in stilte over de voor hem levensbepalende gedachte dat wij ons leven niet zelf in de hand hebben. Dat alles in het leven ons overkomt. Dat het leven een tragedie is. Een onontkoombare tragedie die zich in zijn leven uitdrukt in lawaai en beweging. Als die over hem heen spoelen, kan hij nergens heen. Maar hij kan ze wel op afstand houden en dat doet hij op die vroege ochtend door rust te creëren. Hoe? Door te denken aan God. De God die hij mee kreeg uit zijn gereformeerde jeugd. Hij noemt Hem het Mysterie dat om hem heen gonst en ziet Hem als een schenker van ruimte. Ruimte om hem heen als een door God geschonken kring van stilte.
’s Middags pakt hij de fiets. Rijdt de natuur in. Opnieuw gonst de stilte om hem heen. Niet die van God, zoals ’s ochtends. Maar die van de natuur. Opnieuw een opgenomen worden. Zij het dit keer niet onaangevochten. Onbedwingbare tics vallen hem aan als hij fietst. Ontregelen zijn ademhaling zodat hij, ondanks zijn goede conditie, er af moet. Lopend de berg op. En toch houdt hij vol. Blijft zich voelen in de ruimte van de natuur. Leeft zijn dagelijks bestaan tussen de stilte van God en de stilte van de natuur. ‘Bloei waar je geplant bent’, citeert hij Franciscus van Sales. Altijd strijd. Altijd spanning. Een dapper leven.

Jaap van Dijkhuizen, Een ticje vreemd. Herinneringen van Ruben Varing of Gilles de la Tourette à la carte.

Uitgeverij Nieuwe Druk 2014. € 18,50

LEEUW OF HYENA? De rol van de media in het maatschappelijk debat.

 

 

(Lezing gehouden in Rhenen op 14 april 2014)

Image

Image

Ach, de leeuw, de machtige leeuw. Hij zoekt zijn prooi, valt aan, doodt. Gewoon, omdat het moet. Omdat het hoort bij de leeuw. Ongeveer zoals de tegenstanders van de jacht willen dat er gejaagd wordt, als er dan toch gejaagd moet worden. Als onontkoombare plicht. Hij zou niet anders kunnen, ook al zou hij anders willen. Maar anders willen kan hij niet. Hij zou geen leeuw zijn als hij niet zocht naar een prooi.

Is zo ook de rol van de media in het maatschappelijk debat? Krachtens hun natuur, af op prooi of bedreiger. Om het recht te handhaven, op te komen voor de democratie. Zonder aanzien des persoons, zonder vooringenomenheid. Bewaker, handhaver. Je maintiendrai. De leeuw met het zwaard en de 7 pijlen van de Zeven Provinciën. Samen sterk in de knuist van de leeuw. Zijn de media als deze handhavende leeuw?  

Of zijn de media hyena’s? Aaseters die zich pas storten op hun prooi als deze al half dood of helemaal dood is. Nooit alleen. Altijd met elkaar. Zoals de paparazzi die prinses Di achtervolgden in de autotunnel bij de Seine. Niemand weet meer wie ze waren. Ze waren zo maar weg. Opgelost in de anonimiteit. Maar fotografeerden eerst nog auto en slachtoffers. Als hyena’s die nog net een stuk vlees uit het kadaver trekken. Voor ze zich uit de voeten maken.  

Wie bepaalt welke rol de media spelen. De media zelf? Kiezen die positie, naar het hen uitkomt? Betekent dat dat er onder de media leeuwen zijn, maar ook hyena’s en dat de media autonoom zijn in het bepalen tot welke diersoort zij behoren. Of zijn ze helemaal niet zo autonoom,  is hun rol afhankelijk van hun positie in de maatschappij en zijn het anderen die die positie bepalen?   

Dat laatste gebeurt zeker in een dictatuur. In een dictatuur is het niet aan de media zelf om te bepalen welke rol ze spelen. Dat doen de machthebbers. Leeuwen zijn de media in een dictatuur nooit. Hyena’s maar al te vaak, vooral als het om dissidenten gaat of om politieke tegenstanders van de heersende macht. Maar in een democratie zijn de media wel vrij hun eigen rol te kiezen. Althans, daar gaan we van uit. In een democratie is immers vrijheid van meningsuiting. Maar wie zijn het die in onze laat kapitalistische  maatschappij uitmaken welke rol de media spelen? Redacties? Uitgevers? Omroepbazen? Of de cloud, de wolken van volgers van Facebook of Twitter? Is het met de media als met de mens: ze kunnen wel denken dat ze een vrije wil hebben, maar bij nader inzien is daar veel meer op af te dingen dan je van te voren voor mogelijk had gehouden.

Op het ogenblik kunt u een serie DVD’s kopen met daarop honderd gesprekken die schrijver/journalist Adriaan van Dis voerde met schrijvers. De gesprekken waren onderdeel van een populair televisieprogramma, dat de VPRO uitzond van 1983 tot 1992. Stel u zelf de vraag of er veel verschil is tussen het leven in 2014 en het leven in 1984 of 1994. Ik neem aan dat het bij u niet anders is dan bij mij: dat is verbazend moeilijk vast te stellen. Maar kijk naar deze gesprekken van twintig/dertig jaar terug en je proeft het verschil tussen toen en nu. Van Dis praat met de verlichte, links georiënteerde intelligentsia van ons land en daarbuiten. Het was nog volop moderne tijd. De tijd van vooruitgang, van ontwikkeling. Zijn gesprekspartners wisten veel en wisten veel zeker. Dat God niet bestond, stond voor de meeste gesprekspartners vast. Het werd rustig vastgesteld.  Alsof alleen domoren en achterblijvers de waarheid van dat inzicht nog niet deelden. Allemaal een kwestie van tijd en verder gaande verlichting. Er werd gesproken met een autoriteit en gezag die vaak ontleend waren aan wat de geïnterviewden in toentertijd gezaghebbende kranten en weekbladen publiceerden. Een bijzonder rol in die ‘gezaghebbende bladen’ speelde het weekblad Vrij Nederland. Het had toen het meeste gezag.

Image

Op de apenrots van de Nederlandse journalistiek stond het op de top. Het blad, ooit voortgekomen uit een verzetsblad van naar de moderniteit doorgebroken jonge gereformeerden, was meer en meer de spreekbuis geworden van de moderniteit. Het blad was de vlaggendrager van het afscheid van een geloof, dat, of het nu in de protestants of de katholieke variant was, zonder uitzondering werd beschreven als iets van vroeger, als een product van de premoderne tijd, die definitief achter ons lag. Met het verdwijnen van de premoderniteit waren ook zin en betekenis (beide met een hoofdletter) uit het leven verdwenen. Men vond dat niet erg. Integendeel.

Ik heb weinig behoefte me daar tegen af te zetten. Ik las het blad regelmatig. Het bracht iets teweeg. Het bracht reuring in de Nederlandse samenleving. Reuring die er eerder niet zo geweest was. Het blad was een leeuw die vanzelfsprekendheden aan tastte. Die het gezag aanviel, het ondervroeg op zijn pretenties en het doorprikte als het niet authentiek meer was. Als we het hebben over de media als een leeuw, denken we aan die periode terug. Aan de kranten, de weekbladen, de televisie- en radioprogramma’s van toen.  

Intussen zijn we twintig jaar verder. Vrij Nederland zit niet meer op de top van de apenrots. Sterker nog de hele apenrots is verdwenen. De kranten, en van weekbladen geldt hetzelfde,  zijn geen dragers meer van een specifieke mentaliteit waarin zij hun lezers voorgaan. Dat kunnen ze niet helpen. Zo iets als een gedeelde, specifieke mentaliteit bestaat niet meer. Ja, bij een vergrijzend publiek. Daar vind je het nog. Maar bij jongeren niet meer. De kranten en weekbladen met hun grote oplages en trouwe lezers hoorden bij de moderne tijd. De tijd die vooruitgang zag als kenmerk van de moderniteit en godsdienst als een belemmering op de weg daar naar toe. Die tijd is voorbij. Het geloof in vooruitgang is voorbij. Godsdienst wordt gezien als een privé aangelegenheid die ieder voor zichzelf  moet beleven. Maar niet alleen godsdienstigheid, ook anti-godsdienstigheid is een privé aangelegenheid geworden. Er zijn geen bekende, gezaghebbende Nederlanders meer die als vertegenwoordiger van vooruitgang en progressiviteit schrijven in kranten of weekbladen en daarmee de publieke opinie in het land beïnvloeden. Nee, bekende Nederlanders zijn thans televisiepersoonlijkheden, die niet meer opvalleen door goed geschreven, goed doortimmerde betogen, maar doordat ze de kunst beheersen in een one liner een gevoel of een mening samen te vatten. Hun roem is net zo bestendig als hun aanwezigheid op het scherm. Raken ze uit de gratie, dan is het met ze gedaan. Hoe beroemd ze ook waren.

Jaren geleden stond ik in Utrecht voor de etalage van de boekhandel Broeze Kemink. In de etalage een foto van een rechteroog. Alleen een rechteroog, niet meer. Toch wist ik onmiddellijk: dit is het oog van Marijn de Koning, die toentertijd het journaal van acht uur presenteerde. Toen zo beroemd, dat je aan een oog genoeg had.

Een jaar of twintig geleden had ik aan het einde van de middag van vijf december nog steeds geen sinterklaascadeau voor mijn vrouw. Op het laatste moment reed ik langs de RAF, een toen gerenommeerde winkel in elektronica van computers tot geluidsboxen, die intussen ook al niet meer bestaat, omdat ze de overgang naar de nieuwe tijd niet heeft kunnen maken. Vlak voor sluitingstijd kocht ik daar een Philips DVD speler. Ik wilde het beste, meest geavanceerde, nieuwe product en kreeg dat. Ik betaalde er een hoop geld voor. De dvd speler stond op de verlanglijst en werd met gejuich ontvangen. Het is bij dat eerste gejuich gebleven. Het was precies zoals de vakbekwame verkoper me verteld had, het ding kon alles. Alleen niet voor ons. Het was veel te ingewikkeld voor ons eenvoudige mensen. Wij wilden gewoon een dvdtje, een film bekijken. Niks meer. De nieuwe aanwinst nam daar geen genoegen mee. Het kon heel veel, ook wat we niet nodig hadden. Voor je het ding aan het spelen had gekregen moest je met hulp van een in onbegrijpelijk dubbelzinnige taal geformuleerde gebruiksaanwijzing een doolhofje doorkruipen, waar ik keer op keer in verdwaalde. Het hielp natuurlijk ook niet dat we meest naar een dvd wilden kijken als we, meestal op zaterdag, lekker gegeten hadden. En ook wat gedronken. Waardoor wij het nieuw verkregen apparaat meestal in een toestand te lijf gingen waarin je beter niet kunt autorijden. ik zie me nog zitten. Op de grond. Gebruiksaanwijzing voor me. Machteloos drukkend op de knoppen. Meestal vergeefs. We gingen de dvd speler haten. Besloten nooit meer een Philips dvd speler te kopen. Wat was er mis gegaan?

Ik heb als uitgever van de vier landelijke kranten van het PCM concern de opkomst meegemaakt van het gratis blad Metro. We hebben lang besproken of PCM ook met zo’n gratis krant moest komen. We besloten dat niet te doen en in plaats daarvan geld te investeren in onze dagbladen. Ze kregen een wekelijks magazine. Onze lezers, zo redeneerden wij, deden we daar een genoegen mee. Dat was goed voor de binding. Voor Metro achtig nieuws hadden onze lezers geen belangstelling. Het was nieuws van persbureau’s. Zonder duiding. Kaal.  Niet interessant. Lezers die wel in Metro geïnteresseerd waren, de reizigers met het openbaar vervoer, waren meestal studenten. Ze lazen weinig kranten. Te duur. We vonden het jammer dat ze geen kranten lazen, maar konden ze niet bereiken. Bovendien waren de marges van zo’n gratis blad gering. Veel en veel geringer dan van onze kranten.

We deden dus hetzelfde als Philips indertijd deed met zijn DVD spelers. We maakten onze kranten mooier, dikker, breder. Maar als het om dvd spelers ging, gedroeg ik mij als een Metro lezer. Ik was tevreden met een kale, eenvoudige versie. Zonder toeters of bellen. Zo’n ding waar een gerenommeerd bedrijf als Philips zijn neus voor op haalde.  Precies als wij onze neus ophaalden voor Metro, en eigenlijk ook voor de lezers van Metro, die genoegen namen met uitgekleed nieuws.

De Harvard hoogleraar Clayton M. Christensen sprak in verband met zo iets als Metro of goedkope, voor een habbekrats bij de Blokker verkrijgbare DVD spelers van een disruptieve technologie. Hij contrasteert haar met op continuïteit gerichte, ondersteunende technologie. Die laatste technologie staat ten dienst van de ontwikkeling van bestaande producten. Zoals de Philips technologie. Ten dienste van het ontwerpen van steeds betere, meer kunnende apparaten. Een disruptieve technologie doet iets heel anders. Deze technologie maakt goedkopere, eenvoudiger, kleinere, makkelijker in gebruik zijnde producten. Zoals een heel goedkope, dood simpele dvd speler. Of een krant met uitgekleed nieuws die gratis is. Ze doet dat voor andere klanten dan de traditionele. Metro wordt niet gemaakt voor hartstochtelijke krantenlezers.  Ze levert veel minder winst op en ontwikkelt zich in eerste instantie in onbelangrijke markten. De traditionele klanten willen het product niet. De traditionele klanten maak je er niet blij mee en de investeerders ook niet, omdat de marges van deze nieuwe, goedkope producten onvergelijkbaar veel lager zijn dan die van de traditionele producten. Voor traditionele bedrijven is het heel moeilijk in te spelen op ontwikkelingen in de disruptieve technologie. Daarom missen ze meestal de boot.  

De markt waarop de media opereren is een van de markten die totaal veranderd is door een disruptieve technologie. En dan heb ik het niet alleen over de gratis bladen. Al hebben die ook een deel van de markt afgenomen van de kranten. Nee, dan heb ik het over Internet dat een vloed van goedkoop, gratis nieuws biedt.

In december 2012 hield het Amerikaanse weekblad Newsweek, dat op haar hoogtepunt 3.3 miljoen abonnees had, op te bestaan. Het was het einde van roemrucht opinieblad. Maar niet voorgoed. Op 14 maart van dit jaar verscheen het opnieuw. Met op de cover een masker.

Image

Achter dat masker, zo beloofde de redactie verschool zich de uitvinder van Bitcoin. Bitcoin is zoals u weet een vorm van elektronisch geld waar geen bank of nationale overheid aan te pas komt. In 2009 werd de munt op het internet geïmplementeerd door Satoshi Nakamoto, pseudoniem van een onbekend persoon of groep. Wie of wat deze Satoshi Nakamoto is, weet niemand. Tot de herverschijning van Newsweek op 14 maart. Het blad had geen risico’s genomen. Een van haar beste, meest gerenommeerde journalisten Leah McGrath Goodman werkte twee maanden aan het verhaal. Ze haalde, naar eigen zeggen, feiten boven tafel die niemand kende en elimineerde geleidelijk aan alle mogelijke namen behalve één. De naam van Dorian Nakamoto, andere voornaam, zelfde achternaam, bleef op de zeef liggen. Dat moest hem zijn. De uitvinder van Bitcoin. De man achter het masker. Direct na verschijning van het weekblad brak er groot tumult uit in de bitcoin community. Nogal wat computergekken maken deel uit van die gemeenschap. En dat was aan de reacties te merken. Zowel aan de kwaliteit als aan de wijze waarop Leah McGrath werd benaderd. Inhoudelijk zat het met die kritische kwaliteit van de reacties wel goed. Maar de op de persoon van McGrath gerichte reacties logen er niet om. Aan haar intellectuele capaciteiten werd ernstig getwijfeld, ze werd uitgemaakt voor rotte vis. Dat ze een voortreffelijke reputatie in de schrijvende journalistiek had gold in het geheel niet. De bitcoiners kenden haar noch haar blad voordat ze, uiteraard op Internet haar coverstory lazen. Geleidelijk aan kwam vast te staan dat McGrath het fout had. Dorian Nakamoto, een onopvallende in Californië levende man, kon de uitvinder niet zijn. 

Tijdens het debat toonden McGrath en haar uitgever, Jim Impoco, zich aangebrand en beledigd. Newsweek had een voortreffelijke reputatie en datzelfde, of nog meer gold voor Leah McGrath. Waarom was dat niet genoeg? Waarom werd in twijfel getrokken waar zij met hun reputatie en erelijst voor stonden? Er kwam een nieuwe discussie op internet. Over  de houding van McGrath en Impoco, die zich gedroegen alsof het nog 1989 was in plaats van 2014. Toen, vijfentwintig jaar geleden, kwam Newsweek met zo’n beroep op de eigen status en betrouwbaarheid weg. Nu niet meer. Je moet er als journalist van uitgaan, zeker als je over internet onderwerpen schrijft, dat er altijd mensen zijn die veel en veel meer van het onderwerp af weten dan jij. Vroeger was dat natuurlijk ook zo. Maar vroeger was er geen contact tussen de journalist en een expert op het onderwerp waar de journalist over schreef, tenzij de journalist zelf dat contact legde. Waarna hij zodanig gebruik maakte van de kennis van de expert dat het paste in zijn artikel. Zo schiep iedere krant of weekblad zijn eigen werkelijkheid. Zo ontstond de wereld volgens Newsweek. Of Time. Of, om bij ons eerdere voorbeeld te blijven, Vrij Nederland. Dat was vroeger. 25 jaar terug. Nu niet meer. Wat een triomfantelijke terugkeer van Newsweek had moeten worden als gedrukt medium, met nog wel een artikel waarin ze de hele internet gemeenschap had verslagen door iets te onthullen waar die gemeenschap maar niet achter had kunnen komen, werd een flop. Een deceptie, die aantoonde dat ook het nieuwe Newsweek de tekenen van de nieuwe tijd niet had verstaan en nog ergens in 1989 leefde. Wat ernstig doet vrezen voor de toekomst van het opnieuw gelanceerde blad.

Een paar jaar terug ondervroeg het weekblad Vrij Nederland journalisten en lezers van het blad over een paar media-ethische kwesties. Er waren opmerkelijke verschillen. Zo gaven journalisten aan nooit geschenken aan te nemen, nooit persreisjes te maken die door bedrijven zijn gesponsord, nooit te schrijven over een industrie waar ze zelf een belang in hadden. Lezers van het blad bleken daar helemaal niet mee te zitten. “Doe niet zo krampachtig”, was hun reactie. Als je er maar eerlijk over bent. De lezers geloofden niet meer in  objectieve berichtgeving. Ze zien het als een fictie. Overal zien ze beïnvloeding. Het geven van een cadeau is daar maar één aspect van. En niet eens het meest geraffineerde. De journalisten daarentegen, kijk naar het voorbeeld van Newsweek van hierboven, geloven nog wel in objectiviteit. Althans in die van henzelf. En in die van het medium waarvoor ze werken. Daarom handhaven ze voor zichzelf strenge mores. Dat moeten ze  ook wel, voor hen staat de geloofwaardigheid van hun krant op het spel.

Ik ken die gedachte maar al te goed. Betrouwbaarheid, onvooringenomenheid, onafhankelijkheid, waren volgens ons, journalisten en uitgevers, altijd de belangrijkste redenen om een krant te lezen. Voor ons werden ze in de loop van de tijd steeds belangrijker. Dat was niet altijd zo. Ik herinner me de tijd nog goed dat het geen enkel probleem was op kosten van een multinational naar een ver buitenland te reizen om daar de presentatie van een nieuw product of jaarcijfers mee te maken. Zonder dat je er precies de hand op kon leggen, werd dat steeds meer not done. Sommige oudere journalisten zagen niet dat dat tij aan het verlopen was, en gingen nog zo lang mogelijk door met hun gesponsorde reisjes. Ze zagen de tekenen van de tijd niet. Waarom gingen we onze reizen zelf betalen en werden we, zelfs bij de kleinste cadeaus zo streng?  

Ik moet weer aan die dvd speler van Philips denken. Het elektronicabedrijf investeerde grote bedragen in een product dat voor de klant helemaal niet zo ingewikkeld hoefde te zijn. Zit de huidige dagbladlezer te wachten op berichten waarvan hij zeker weet dat ze hem aangereikt worden door een volstrekt onafhankelijk medium, dat trots is op zijn objectiviteit en daardoor instaat voor de waarheid van de berichten die hij levert? Of hoeft het voor hem allemaal niet zo streng, als hij maar weet hoe een artikel, ook financieel, tot stand gekomen is? Ik denk dat het inderdaad voor de gemiddelde lezer niet zo streng hoeft. De krant is al lang niet meer zijn enige nieuwsbron. Sterker nog, het nieuws van de dag weet hij al voor hij de krant gelezen heeft. Voor het nieuws leest hij zijn krant niet meer. Deze lezer hecht sterk aan onafhankelijkheid, objectiviteit en waarheid in het algemeen, maar hij is voldoende door de wol geverfd om te weten dat onafhankelijkheid, objectiviteit en zelfs waarheid graduele begrippen zijn, die in absolute vorm niet verkrijgbaar zijn. Hij wil best aannemen dat een verhaal waar is als er het stempel van een betrouwbare krant of opinieblad op staat. Maar hij rolt niet van zijn stoel als het achteraf toch niet blijkt te kloppen, zoals in het voorbeeld van Newsweek. In negen van de tien gevallen heeft hij meer van de wereld gezien dan zijn eigen krant hem kan vertellen. Van sommige onderwerpen weet hij meer af dan de journalist die er over schrijft. Sterker nog, hij kan de journalist er via Internet direct over benaderen. Als de journalist tenminste zin heeft om naar hem te luisteren, wat vaak niet het geval is. Omdat de journalist en de krant hun waarheid al te vaak als dé waarheid beschouwen en weinig behoefte hebben aan inmenging van buitenaf. Geloofden de lezers van Newsweek dat Dorian Nakamoto in werkelijkheid Satoshi Nakamoto was, enkel en alleen omdat Newsweek dat zei? Ik geloof het niet. Leah McGrath had, wat hen betreft, ook niet twee maanden aan haar verhaal hoeven te werken. Ze hadden het veel interessanter gevonden als ze stap voor stap haar bevindingen op internet gedeeld had met de bitcoin internet community. In plaats van haar uit te schelden en haar capaciteiten in twijfel te trekken, had die gemeenschap haar geholpen. Het was de lezers ook goed geweest als ze niet een hermetisch stuk geschreven had, dat maar in één richting wees, maar zich beperkt had tot een beschrijving van haar zoektocht en de gevolgtrekking waartoe ze op grond daarvan gekomen was : dat, wat haar betreft om die en die reden Dorian Nakamoto de man was die ze zocht. Dat was allemaal in elk geval veel goedkoper geweest. Maar ook heel anders. Het was een heel ander journalistiek product geworden. Een veel minder pretentieus product. Net zo goedkoop en minder pretentieus als de goedkopen dvd speler van een naamloos merk, die minder dan 10% kostte dan het ding dat ik op die middag voor sinterklaas voor mijn vrouw gekocht had.     

Laten we Internet maar beschouwen als een disruptieve technologie. Internet levert nieuwsberichten voor wie dat maar wil. Gratis. Haar afnemers, meest jonge mensen, lezen geen kranten of opiniebladen. Anders dan de traditionele media levert Internet alleen feiten. “Bewoners pakken overvaller”. “Sporen in de jungle gevonden van Kris en Lisanne” “Wordt de blackberry telefoon begraven?”, om er een paar van onlangs te noemen. Zonder commentaar. Zonder samenhang. Degenen die de berichten lezen op hun Smartphone willen niet meer. Het schermpje is sowieso te klein voor uitvoerige beschouwingen. Samenhang hoeft niet. Samenhang is iets voor oude media. Het is zoals in het lied van Jefferson Airplane: Remember what the dormouse said? Feed your head, feed your head. Dat is Internet: feed your head. Met feiten. Turn on, tune in, drop out. Informatie neemt de plaats in van de LSD in het lied van Jefferson Airplane. Ik ontleen wat ik hier zeg aan een artikel van Donald Hine in het Internet tijdschrift Aeon, een gratis online tijdschrift over ideeën en cultuur. De titel van Hine’s artikel is :  What good is information? Informatie op zich, met informatie je hoofd vullen, zoals bij Jefferson Airplane, lijkt volgens Hine op het uit je hoofd leren van een busdienstregeling van een stad waar je nooit zult komen. Vergelijk dat eens met het bestuderen van zo’n busdienstregeling in een stad waar je zo juist bent aangekomen. Die informatie gebruik je. Het helpt je je weg te vinden. Zo, zegt Hine, moet het gaan met informatie. Je moet het gebruiken. Je moet het risico nemen dat je er door verandert. Kennis kan dan leiden tot betekenis. Doet het dat niet, blijft het bij losse, niet met elkaar verbonden feiten, dan ga je je op den duur vervelen. 

In een artikel, onlangs, in het Internet tijdschrift De Correpondent schreef hoofdredacteur Rob Wijnberg over contextloze informatie. Wijnberg noemde als voorbeeld de ophef over een op Facebook gezet filmpje waarop twee peuters acht minuten lang staan voor de gesloten deur van een kinderdagverblijf in Amsterdam Noord. Ze huilen hartverscheurend. Een buurvrouw heeft het gefilmd. De reactie was enorm. Schande! De NOS berichtte over ‘ophef over kinderdagverblijf’. Welke ophef? De ophef op Facebook. De directie schrok van de publiciteit en stelde twee medewerkers op non actief. Dat blijven ze tot het onderzoek over achtergronden en oorzaak is afgerond. Dat kan enkele weken duren. De GGD besloot tegelijkertijd dat het dagverblijf een hele week geen kinderen mocht opvangen. De ouders hebben aan het einde van die week een ‘zinvolle en bemoedigende ouderavond gehad, waarin ook het vertrouwen in de leiding en het personeel van het kinderdagverblijf is uitgesproken’. (aldus Het Parool) Het kinderdagverblijf is intussen weer open. Op het moment dat het besluit genomen werd de zaak dicht te gooien, was nog niet duidelijk waarom die peuters daar voor de deur stonden te huilen. Intussen is vastgesteld dat er maar één gekwalificeerde kracht aanwezig was, terwijl er twee hadden moeten zijn. Of er ook ongekwalificeerde krachten aanwezig waren, die in staat moeten geweest zijn een deur voor huilende kleuters open te maken, staat niet in het nieuwsbericht. Waarom de kleuters daar buiten stonden te huilen, is ook niet duidelijk geworden. Maar daar ging het ook niet om. Wat er werkelijk aan de hand was, is niet belangrijk. Het ging om de ophef. De ophef zelf is het nieuws. Maar bagatelliseer het niet: je kunt er wel door op non actief gesteld worden.

Het is hetzelfde mechanisme dat maakt dat voor pedofolie veroordeelden die hun straf hebben uitgezeten bijna nergens meer kunnen wonen. Steeds ontstaat ophef. Autoriteiten moeten op ophef reageren. Doen ze dat niet, dan verspelen ze hun positie. Ze worden arrogant gevonden, of blind, of doof of beide. Alleen als een burgemeester de moed heeft de ophef te negeren  – met als gevolg nog meer ophef – kunnen deze mensen nog ergens wonen.

Reageerde de buurvrouw van het kinderdagverblijf Flamingo in Amsterdam Noord als een leeuw door haar filmpje op Facebook te zetten? Of was ze de aanvoerder van een groep hyena’s?

Ik ken haar niet. Ze blijft ook in de anonimiteit – “een buurvrouw” – , maar ik denk dat ze zichzelf als een leeuw beschouwt. Ze is de enige niet in de wereld van de media die zichzelf als een leeuw beschouwt. Media zien zichzelf graag als leeuw. Zelfs, de rubriek Show Laat van SBS 6 die zoenfoto’s publiceerde, die burgemeester Hoes van Maastricht bijna zijn baan kostten, zal zichzelf als leeuw beschouwen, en niet als hyena. Als gesel van de machtigen. Onbevreesd. Zijn ze dat?

Ja zeker, er wordt gegeseld. Kijk maar naar de parlementaire verslaggeving. Zij het daar meest om verkeerd ingevulde bonnetjes, uitspraken van een minister die achteraf niet blijken te kloppen en dergelijke. Politieke klein spul, grote persoonlijke gevolgen. Daar is veel belangstelling voor. Er hangt een geur van bloed om heen. Het is hetzelfde als bij de objectiviteit van de dagbladen. Naar mate het vertrouwen in de politiek terugloopt, wordt de hechting aan absolute onkreukbaarheid bij de politici groter en kan een bonnetje met voor 200 kilometer verkeerd ingevulde ritjes al fataal zijn. Is er weer zo’n affaire, dan zie ik hyena’s, die bloed ruiken. Altijd in groepsverband. Ik zie weinig leeuwen.

Anders dan de politici hebben de media geen instantie waar ze zich moeten verantwoorden. Ze zijn ook niet gekozen. Ze hebben zichzelf aangesteld. Als ze zich als leeuw beschouwen, hebben ze zichzelf  de leeuwenmantel omgeslagen. Misschien komt het daardoor maar ze kunnen niet goed tegen kritiek en reageren daar uiterst gevoelig op.  

Intussen ontwikkelen zich, als een disruptieve technologie, heel anders, voor een ander publiek, Facebook en Twitter. Met een eigen dynamiek. Zoals bij het filmpje over de huilende kleuters. In de opwinding die Facebook genereert, zit net zo veel beleid als in een schip waarvan de lading aan het schuiven is. Het is puur spontaan. Degenen die een like of dislike sturen zijn leeuwen noch hyena’s. Ze beogen niets dan hun eigen verontwaardiging te ventileren. Het is even een crowd.

Terwijl ik dit schrijf over leeuwen en hyena’s , moet ik ineens denken aan Frans van der Lugt, de jezuïeten pater die in Syrië werd doodgeschoten. Een leeuw. Omdat hij bleef in zijn stad Homs. Terwijl hij wist wat voor gevaar hij liep. De journalisten, de fotografen, cameramensen die hem opzochten en interviewden? Ook leeuwen. Ik zet het nieuws van de dood van pater Frans tegenover het nieuws over de ophef rond de huilende kleuters. Ik neem het ene soort nieuws net zo serieus als het andere. Ik zie beide als uitdrukking van deze tijd. De dood van pater Frans wijst op de betekenis van mensen die volhouden, niet weglopen. Ze worden beeld van onverzettelijkheid en daardoor, in onze wereldgemeenschap, waarin beelden steeds belangrijker worden meer en meer symbool. Symbool van menselijkheid en normaliteit. Van dialoog en openheid. Dat symbool moet het zwijgen opgelegd. Moet dood. Al was het maar om met zijn dood de andere partij te kunnen zwart maken.

De huilende kleuters zijn ook een symbool. Een symbool voor de heiligheid van kinderen in onze samenleving. Ze moeten tegen alles worden beschermd. In het bijzonder tegen uitsluiting en vieze mannen. Kindertranen roeren de natie. En halen het Journaal. Bij echtscheiding en in de discussie over omgangsregeling zijn we in het algemeen minder gevoelig voor de kinderziel. Maar dat is nu niet aan de orde.

Over tien jaar weten we nog wie pater Frans was. De huilende kleuters zijn vergeten. Veel belangrijker dan de vraag of media leeuwen zijn of hyena’s is de vraag wat er op de zeef van onze belangstelling blijft liggen en waarom? Vormt het nieuws voor ons een busboekje van een stad waar we verder nooit komen. of dient het ons onze weg in onze omgeving te vinden. De klassieke media, denk aan Newsweek, denk aan het Vrij Nederland van 25 jaar terug, waren heel directief. Wisten wel heel zeker wanneer er als leeuw gebruld moest worden. identificeerden zich nooit als hyena’s. Hadden daarvoor een veel te hoge eigendunk. Allemaal voorbij. Meer en meer is het journalistieke bedrijf gaan neerkomen op bijdrage aan de beeldvorming. Met dank aan voorlichters, spindokters, mediatrainers en al die anderen van wie het werkzame leven bestaat in het beïnvloeden van het nieuws.

In alle overvloed aan informatie die dat oplevert, zoeken wij naar betekenis. Tenminste dat hoop ik. In dat turbulente geheel moeten wij aan onszelf de vraag stellen. Zijn we daarin een leeuw, die vecht voor zijn eigen betekeniswereld, zelf af weegt, zelf zijn plan trekt. Of zijn we hyena’s die mee lopen met de crowd,  verontwaardigd over huilende kleuters, ook al weten we niets over de omstandigheden, verontrust over een veroordeelde zedendelinquent die zich na hun straf in onze stad willen vestigen.  

Vanuit dat perspectief is het niet meer zo belangrijk of de media leeuwen zijn of hyena’s. De toevloed van informatie is zo groot dat we geen genoegen meer nemen met de beperkte informatie die ons toekomt uit één krant of weekblad. In een samenhang die de redactie heeft uitgezocht. Die samenhang zoeken we liever zelf uit. Aan de hand van informatie die we zelf vergaren. Ieder zoekt zijn eigen betekenis. Daar begint het mee. Tenzij we het willen laten bij het ‘feed your head’ van Jefferson Airplane. Pas daarna is de vraag of dat zoeken ons maakt tot een leeuw in onze eigen wereld, of tot een hyena. De beslissing is aan ons.  

Over Levenskunst. Een kort, maar voltooid leven

Image

Op vijf oktober 1898 stierf de Utrechtse student Daan Boeke geheel onverwacht in zijn slaap. De dood van haar kind leidde bij zijn moeder, Nelly Oort, dochter van de Alkmaarse predikant Arent Oort, tot een tweestrijd in haar ziel. Nelly Oort was een vrome vrouw. Ze geloofde in Gods trouwe zorg. Ze was blij om die trouwe zorg. Maar hoe kon zij blij zijn over wat God nu beslist had? Ze moest geloven dat Daan het ‘zo fijn’ had bij Hem. Maar kon ze dat? Was haar verdriet daarvoor niet te groot? Ze voelde zich er schuldig door. Gevangen als ze was tussen haar eigen gevoel en Gods beschikking.

Haar dagboekaantekeningen troffen me omdat de moderne tijd erin aan de deur klopt, maar nog niet wordt toegelaten. Nelly Oort hoorde enerzijds bij de premoderne tijd. De tijd van een almachtige God, die woonde in een eigen werkelijkheid van waaruit Hij alles beschikt en zijn gelovigen omringt met Zijn liefde en zorg. Tegelijk voelt ze, en daarin zien we de invloed van de moderne tijd, haar persoonlijke verdriet en moet ze erkennen dat haar verdriet niet te rijmen valt met haar geloof in Gods almachtige zorg. Maar ze ziet haar verdriet nog als gebrek aan geloof. Ze schrapt haar eigen gevoel weg. Het mag niet. Ze mag niet verdrietig zijn. Hoe kun je verdrietig zijn om wat de goede God bepaalt?

We zijn intussen meer dan 110 jaar verder. Er is heel wat gebeurd. De premoderne tijd, met een God in een eigen werkelijkheid is afgelost door de moderne tijd. Sinds een tijdje kunt u een serie Dvd’s kopen met daarop honderd gesprekken die schrijver/journalist Adriaan van Dis voerde met schrijvers. De gesprekken waren onderdeel van een populair televisieprogramma, dat de VPRO uitzond van 1983 tot 1992. Het is altijd moeilijk om voor je zelf vast te stellen of het veel verschil maakt of je nu in 2014 leeft of twintig of dertig jaar eerder in 1984 of in 1994. Maar kijk naar deze gesprekken en je proeft het verschil tussen toen en nu. Van Dis praat met de verlichte, links georiënteerde intelligentsia van ons land. Het was nog volop moderne tijd. Moderne tijd die zich af zette tegen de pre moderne tijd met haar geloof in God, zoals we dat zo juist zagen bij Nelly Oort. Keer op keer wordt Gods bestaan ontkend. Heel rustig. Alsof alleen domoren en achterblijvers de waarheid van dat inzicht nog niet delen. Een kwestie van tijd, zo lijkt het, of het is voorbij met geloof en religie.

Het gezag waarmee zij spraken, ontleenden de gesprekspartners van Van Dis meestal aan wat ze schreven in toentertijd gezaghebbende kranten en weekbladen. Een bijzonder rol in die ‘gezaghebbende bladen’ speelde het weekblad Vrij Nederland. Het had toen het meeste gezag. Op de apenrots van de Nederlandse journalistiek stond het op de top. Het blad, ooit voortgekomen uit een verzetsblad van van premodern naar modern doorgebroken jonge gereformeerden, was meer en meer de spreekbuis geworden van de moderniteit. De vlaggendrager van het afscheid van een geloof, dat, of het nu in de protestants of de katholieke variant was, zonder uitzondering werd beschreven als iets van vroeger, als een product van de premoderne tijd, die definitief achter ons lag. Dat met het verdwijnen van de premoderniteit ook zin en betekenis uit het leven waren verdwenen, was niet erg: Wees blij dat het leven geen Zin heeft, is de titel van een de boeken die Van Dis bespreekt.  

Ik heb weinig behoefte me daar tegen af te zetten. Ik las het blad regelmatig. Het bracht iets teweeg. Het bracht reuring in de Nederlandse samenleving. Reuring die er eerder niet zo geweest was. Het tastte vanzelfsprekendheden aan. Ook de vanzelfsprekendheden van het geloof.

Intussen zijn we twintig jaar verder. Vrij Nederland zit niet meer op de top van de apenrots. Sterker nog de hele apenrots is verdwenen. De kranten zijn geen dragers meer van een specifieke mentaliteit waarin zij hun lezers voorgaan. Er is veel voor te zeggen dat de kranten met hun grote oplages en trouwe lezers producten waren van de, intussen voorbije, moderne tijd. De tijd die vooruitgang zag als kenmerk van de moderniteit en godsdienst als een belemmering op de weg daar naar toe. Die tijd is voorbij. Het geloof in vooruitgang is voorbij. Godsdienst wordt gezien als een privé aangelegenheid die ieder voor zichzelf  moet beleven. Maar niet alleen godsdienstigheid, ook anti-godsdienstigheid is een privé aangelegenheid geworden. Er zijn geen bekende, gezaghebbende Nederlanders meer die als vertegenwoordiger van vooruitgang en progressiviteit schrijven in kranten of weekbladen. Nee, bekende Nederlanders zijn thans televisiepersoonlijkheden, die de kunst beheersen in een one liner een gevoel of een mening samen te vatten. Hun roem is net zo bestendig als hun aanwezigheid op het scherm.

Er is nog iets gebeurd sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw. De verwachting dat het zoeken naar Zin vanzelf zou ophouden, omdat we blij moesten zijn dat er geen Zin was, is niet uitgekomen. Integendeel. Nooit is er zo verschillend, zo vol overgave gezocht naar Zin en betekenis als in deze tijd. We zoeken naar betekenis voor onszelf. Zonder onze betekenis aan anderen voor te schrijven.

Om het leven hebben we niet gevraagd. We hebben het gekregen. De Engelse schrijver Julian Barnes vergelijkt het menselijk leven met een vogel die vanuit de duisternis een feestzaal in vliegt. Het is er licht, warm en vrolijk. De vogel blijft er een tijdje en vliegt er dan de andere kant weer uit, de duisternis in. Voor ons leven vergetelheid. Na ons leven niet anders.

Waarom willen we eigenlijk leven? Waarom willen we iets van betekenis construeren tijdens die korte onderbreking van eeuwige duisternis en vergetelheid, die we het menselijk bestaan noemen? Wat mij betreft gebeurt dat omdat ik bewust iets van het leven wil maken. Ik wil dat omdat ik het leven de moeite waard vind. Waarom? Omdat het leven in potentie kwaliteit bezit. In potentie. Niet vanzelf. Het komt je niet aanwaaien. Het zoeken naar kwaliteit is niet een activiteit als alle andere. Het is speciaal. Het staat niet op hetzelfde niveau als vissen of een spelletje bridge. Nee, het zit dieper, fundamenteler. Alles wat we doen, vissen, bridgen, wandelen of het bezoeken van deze lezing, staat ten dienste van het zoeken naar kwaliteit. Naar wat het leven de moeite waard maakt.

Lukt het ons het leven zo te leiden dat het de moeite waard is? Stel u mocht u zelf  een cijfer geven. Stel u bent lid van een jury. Een jury als bij een toernooi IJsdansen. Maar u bent niet alleen jury, u bent ook de schaatser of schaatsster op het ijs. U beoordeelt u zelf zowel in de individuele kuur als, als u een paar met iemand vormt, in het paardansen. Er zijn verplichte figuren, die iedereen moet doen. Net zoals er in het gewone leven dingen zijn die iedereen moet doen. Maar er zijn ook sprongen en bewegingen die u zelf hebt bedacht. U kijkt naar u zelf. Hoe brengt u het er af? Tot het onbesuisde af moedig? Of juist een beetje saai en voorzichtig? Wat voor cijfer zou het zijn? Of zou u zichzelf het liefst twee cijfers willen geven. Het eerste cijfer voor wat het zou moeten zijn. Het tweede voor wat het daadwerkelijk is.

Ik denk dat wij niet lang hoeven na te denken over welk cijfer we onszelf zouden geven. Bij de meesten van ons zal het met dit cijfer zijn als met ons gewicht: niet zoals we het graag zouden zien, maar niet in staat het beter te doen.

Religie heeft altijd gezocht naar betekenis. De filosofie heeft niet anders gedaan. Volgens Aristoteles gaat het in betekenisvol leven om optimale zelfverwerkelijking. Het ‘zelf’ dat verwerkelijkt moet worden is volgens hem wat een mens tot mens maakt. Wat hem onderscheidt van een dier. Wat specifiek menselijk is. Logos, verstand, deugd. Daar denkt Aristoteles aan. Hoe dichter een mens het ideaal van mens zijn benadert, hoe betekenisvoller, en gelukkiger een mens leeft.

Hier vallen twee belangrijke woorden: betekenis en geluk. Hangen ze samen? Kun je zeggen dat het leven geen betekenis heeft en toch gelukkig zijn? Is ongeluk synoniem voor betekenisloos? Welk ongeluk? Het fysieke ongeluk, als ziekte of dood? Of het morele ongeluk dat een gevolg is van verkeerde beslissingen? Of kun je toch betekenis ontdekken in wat je overkomt aan ongeluk? Maar moet dat? Moet je betekenis toekennen aan ongeluk? Maakt de dood van een geliefde, de dood van een kind het leven onvermijdelijk betekenisloos? Of kun je zo’n gebeurtenis qua betekenis als neutraal beschouwen en is het vervolgens aan jou om te beslissen wat die gebeurtenis doet met de visie die je had op een betekenisvol leven?

Als je een morele beslissing neemt die verkeerd uit pakt en jezelf en anderen schade doet, tast dat dan de betekenis die het leven voor je heeft aan of kun je desondanks blijven volhouden dat het leven betekenis heeft. Kun je altijd betekenis aan het leven toekennen of moet je gewoon een beetje mazzel hebben. omdat al te veel pech de bodem weg slaat onder je bestaan.

Voor we op die vragen ingaan, wil ik eerst in gaan op een verandering in de filosofie die we in deze jaren zien. In de klassieke tijd, de tijd van de Griekse en Romeinse filosofen was een filosoof iemand die zocht naar levenswijsheid. Socrates zocht naar rechtvaardigheid. Aristoteles naar het goede leven. De Stoa naar een leven in harmonie ook bij tegenslag en verlies. In de loop der eeuwen veranderde dat. Filosofie werd minder levenswijsheid. Meer systeemdenken. Minder praktisch. Meer theoretisch. Deze jaren zien we dat veranderen. De filosofie wil weer praktisch worden, mensen helpen bij het nadenken over wat het goede leven is. We zien die ontwikkeling in de opkomst van de levensfilosofie. In de populariteit van boeken als van Alain de Botton en Frédéric Lenoir, die religie, filosofie en levenswijsheid met elkaar proberen te verbinden.

De opkomst van die op praktische zin gerichte filosofie moet je zien in het perspectief van de postmoderniteit. De postmoderniteit gelooft niet in grote verhalen. Gelooft niet in iets dat alle mensen zou samen binden. Of het nu een gemeenschappelijk beleden geloof is, of een gemeenschappelijk beleden ongeloof. De postmoderniteit ziet die de mensen als losse individuen.

De filosoof Peter Bieri, door zijn boek Nachttrein naar Lissabon beter bekend onder zijn schrijversnaam Pascal Mercier, noemt een goed leven een Selbstbestimmtes Leben. In sebstbestimmt zit het woord stimmig. Iets is stimmig als het klopt. Als er overeenstemming is (in ons woord ‘stemming’ zit datzelfde idee). Een selbstbestimmtes Leben is een leven dat klopt met de eigen gedachten en gevoelens. Dat is wat anders dan autonoom leven. Iemand kan autonoom leven, ook al is er in zijn leven geen sprake van Stimmigkeit. Om in overeenstemming te leven met jezelf, moet je je zelf kennen. Maar hoe leer je je zelf kennen? In elk geval niet door met een lampje af te dalen in het eigen binnenste. We hebben zo’n lampje niet tot onze beschikking. Bovendien zit er geen mannetje in ons dat we als waarnemer van ons innerlijke Ik op pad kunnen sturen. Het enige dat we hebben om onszelf te leren kennen, is voor onszelf na te gaan wat er in ons leven gebeurde en hoe we daar op reageerden. Soms zijn we daar trots op en vertellen we er graag over. Soms schamen we ons en stoppen het weg. Welke verhalen vertellen we graag? Welke niet? Waarom? Kloppen de verhalen nog als we in een crisissituatie belanden? Met die vragen begint het zoeken naar zelfkennis.

Ik heb de afgelopen jaren veel gelezen en geschreven. Over van alles. Maar het liefst toch over religie. Wat is het? Wat doet het met mensen? Waarom kan religie troosten? Helpt religie bij het ontwerp van het eigen bestaan?

Volgens de Braziliaanse filosoof/theoloog Rubem Alves ontstaat religie als de mens weigert de natuur langer te zien als een onontkoombaar, finaal proces. Ook al kun je dat finale, onontkoombare niet ontkennen, je kunt wel verlangen naar een alternatief. Religie gaat over dat verlangen. Verlangen dat ontstaat als we voelen dat er iets niet goed is. Dat het is of er een stuk van ons is weggerukt waardoor er een gat is ontstaan in onze ziel. Een gat waarin alle herinneringen aan wat we liefhadden en verloren, staan in een decor dat niet meer bestaat. Heimwee houdt de herinneringen levend en behoedt hen voor vergetelheid.

Wie gelooft ziet dezelfde dingen die anderen ook zien, maar met andere ogen. Over God spreken we vanuit onze eigen verbeelding. We doen dat, als we vermoeden dat de grenzen van het mogelijke verder reiken dan die van het werkelijke. Verbeelding is een verklaring van liefde voor wat nog moet ontstaan.

De weg naar die verbeelding, de weg naar God, loopt volgens Alves via schoonheid. Schoonheid gaat verder waar rationaliteit niet kan komen. Schoonheid beleven we in muziek, in poëzie. Maar ook in het alledaagse. Alves is intussen bijna tachtig jaar. Zijn  dagen bestaan uit ‘een beetje tuinieren, een beetje koken, een beetje schrijven’. Zijn ontmoetingen met schoonheid zijn concreet, aards geworden. Een goede maaltijd, vruchten uit de moestuin. Hij vergelijkt een goede maaltijd met een droom. Het voedsel dat we eten, transformeert ons als het opgehouden heeft te bestaan. Zo kan óók via onze dromen  wat opgehouden heeft te bestaan ons transformeren. In onze dromen kunnen we weigeren het verlies te accepteren. Daardoor kunnen wij dat met ons mee blijven dragen en het opnemen in onszelf. Ons lichaam wordt deelgenoot van de droom. Zo weigeren wij ons neer te leggen bij de finale, onontkoombaarheid van de natuur. Verlangen, een droom, die maakt dat we met ons blijven dragen wie er niet meer zijn. Zoals voedsel ook nadat het verteerd is, opgenomen wordt in ons lichaam en ons lichaam van nieuwe impulsen voorziet. Zo kun je, dacht ik toen ik dat in 2011 allemaal las en opschreef, mooi en wijs oud worden, op een mooie zomeravond in de tuin, verder reiken dan het werkelijke, de dierbare gestorvenen bij je laten zitten, hen opnemen in je leven. Mooi. Dood en leven liepen in elkaar over. Je wist dat je zelf ook zou sterven. Je was daar niet bang voor. Het was goed zo. Heel goed. Ik nam nog een slokje wijn en voelde me verbonden.

En toen stierf, nog geen jaar nadat ik over Alves’ mijmeringen over leven en dood had gelezen, geheel onverwacht, door een hartaanval, mijn dochter, waar ik ziels en ziels veel van hield. En het was waar : het voelde of er een stuk van mij was weggerukt waardoor er een gat was ontstaan in mijn ziel. Een gat waarin alle herinneringen aan wat ik liefhad en verloren had, stonden in een decor dat niet meer bestond. Maar, het was niet heimwee dat zorgde dat haar aanwezigheid blijvend wordt gevoeld. Nee, het was de pijn. De pijn van het scheuren. Het gevoel dat er iets was los gescheurd. De pijn was veel te intens om te boven te komen met een goed glas wijn op een zomeravond, denkend over sterfelijkheid en de onontkoombaar van de processen van de natuur. Dat verdriet is niet weg gegaan. Ik droomde pas. We waren op reis. In New York, zoals we vroeger vaak deden. We liepen op straat. Fifth Avenue. Het was zonnig, vrolijk. Ik liep met haar. Ik voelde dat gevoel van vroeger. Dat gevoel van: alles is goed. Ik voelde het geluk van vroeger. Zoals het nooit meer zal worden. Ik werd wakker. Gelukkig liep de droom nog een tijdje door. Ik voelde het geluksgevoel. Het gloeide na als een steen die in de zon heeft gelegen en de warmte nog een tijdje vasthoudt, ook nadat de zon is verdwenen. Ja, ik weet wel wat heimwee is.

Het leven is grillig. De dood komt onverwacht en snijdt een leven af. We blijven ontredderd achter. Oog in oog met een afgeknotte zuil. Onvoltooid, onvolledig. Zo dacht ik in het begin ook over het leven van mijn met 38 jaar veel te jong gestorven dochter. Maar er veranderde iets. Naarmate ik haar dood meer en meer als een gegeven accepteerde, ben ik haar leven steeds meer als een voltooid leven gaan zien. Op een college over ontdekkingsreizigers hoorde ik over de jong gestorven Nederlandse ontdekkingsreizigster Alexine Tinne. Op 23 mei 1868, een jaar voor haar dood in 1869 bij een roofoverval in de Lybische woestijn, schreef Alexine aan haar broer Jan het volgende:  

“A propos, als mij op mijn reizen iets overkomen zou, als ik gedood zou worden, dan zal men ongetwijfeld zeggen: Ja dat komt ervan, van al dat reizen! (…) Ik heb nooit het geluk begrepen van heel oud worden ……… Ik heb geen haast om te sterven – maar als het gebeurt, goed. Een kort maar een vrolijk leven! “

Ik denk dat mijn dochter dolgraag verder had geleefd. Nu het anders gelopen is, kun je naar haar leven kijken als een kort en door die korte tragisch leven. Maar je kunt het ook zien als een kort en vrolijk leven. Een vriendin vertelde me dat ze jong, ze was een jaar of twaalf, bijna gestorven was aan epilepsie. Doodziek en op het randje van de dood bad ze om niet te hoeven sterven. Ik bad niet eens zo zeer voor mijzelf, zei ze. Maar vooral voor mijn ouders die ontoelaatbaar verdrietig zouden zijn als ik er niet meer was. Stel een gestorvene zou terugkeren en het verdriet zien dat er is om haar dood. Ze zou kunnen vragen: ‘Is er nu alleen maar verdriet om mij? Is er dan niets in mijn leven geweest waar jullie blij over kunnen zijn, of dankbaar. Waar jullie wat aan gehad hebben. Wat jullie nu helpt en waar ik, postuum, blij om kan zijn, dat dat in jullie herinnering aan mij voortleeft.”

Een onvoltooid leven is een leven dat van buiten af, zinloos, zo maar, is doorgeknipt. Een voltooid leven is een leven met een begin en een einde. En daardoor met betekenis. Zelf gemaakte betekenis. Maar toch betekenis.

De religieuze traditie waarin ik ben opgegroeid, draait om onvoltooid leven, dat onvoltooid gebleven zou zijn, als God het niet voltooid had. Aan de kruisdood wordt een meerwaarde toegekend waardoor het afgebroken leven een voltooid leven wordt. Met aan de ene kant het volle accent op de willekeurigheid, de onrechtvaardigheid van de dood. En aan de andere kant het totaal onverwachte van de betekenis die er aan wordt toegekend.  Dat onverwachte heet in mijn traditie: Opstanding.

De grootste dienst die wij aan onze gestorvenen kunnen doen, is over het graf heen tegen hen te zeggen: je hebt kort geleefd, maar voor ons heb je rijk geleefd. Je hebt ons gegeven wat je had. Te kort, zeker. Maar voldoende. We vonden het heerlijk dat je er was en denken aan je met liefde en dankbaarheid.

Er is nog iets. Het leven is kostbaar. Als ik dat nog niet wist, weet ik het nu. Het kan zo maar voorbij zijn en wat ligt er dan op de schaal? Dat geeft het leven een urgentie. Je leert scherper onderscheiden tussen wat wel en wat niet bijdraagt aan voltooiing. Waar je maar beter mee kunt kappen. Waarmee je juist moet doorgaan. Mijn leven is veranderd, tegelijk ben ik dezelfde gebleven. Het is helderder geworden. De dood maakt helder wat leven betekent.

Als Jezus in het vierde evangelie, dat van Johannes, zegt dat hij gaat sterven, of liever dat hij  zal gaan naar een plaats waar zijn discipelen hem niet kunnen volgen, zijn zijn volgelingen in grote verwarring. Begrijpelijk. Ze hebben alles achter gelaten en zijn Jezus gevolgd. En dan kondigt de gids, de man die ze onvoorwaardelijk vertrouwden ineens zijn vertrek aan. Een afscheid voor altijd. Petrus accepteert dat niet. Hij vraagt: ‘Waarom kan ik u niet volgen? Ik zal mijn leven voor u inzetten.” Het antwoord dat hij krijgt, is dat hij zijn Meester voor de haan kraait drie maal verloochend zal hebben. Toch lijkt Jezus daarna zijn uitspraak te nuanceren. Hij gaat slechts weg, zegt hij, om een plaats te bereiden. Als hij dat gedaan heeft, komt hij terug en “zal hij hen tot zich nemen”. Zo lijkt het op het nippertje met die eeuwige bestemming toch nog goed af te lopen. Ze worden gehaald. Ze halen opgelucht adem. Hun bestemming is geregeld. Een plek in de hemel. Uiteindelijke geborgenheid. Maar Jezus praat door en zegt: “En waar ik heen ga weten jullie de weg.” Opnieuw slaat de paniek toe. De bestemming hoefden ze toch niet te weten? Jezus zou hen toch komen halen? Thomas verwoordt wat ze denken: Wij weten niet waar u heen gaat, hoe weten wij dan de weg? Waarop Jezus naar zichzelf wijst als de weg. Dat is mooi. Maar het is geen bestemming. Een weg is nu eenmaal geen bestemming. Waarom spreekt die tekst mij zo aan? Ik geloof niet in een voorgegeven norm voor menselijk leven. Ieder mens gaat de weg die bij hem of bij haar past. We maken keuzes en al die keuzes tezamen maken een levensweg tot onze levensweg. Van ons leven moeten we zelf een zinvol geheel maken. Dat vereist veel. Zelfs als alles mee zit, vereist dat veel. Het wordt nog eens extra zwaar als het tegenzit. Bij vroege dood, onderuit gaan in een carrière, vastlopen in een huwelijk.

Mij heeft altijd geïnspireerd dat op de weg waarover Jezus spreekt, tijd en eeuwigheid elkaar raken. Tijdens zijn leven is dat door de mystieke verbondenheid tussen hem en degene die hij De Vader noemt. Na zijn leven raken tijd en eeuwigheid elkaar in de symbolen van brood en wijn. De vroegste kerk kwam één keer in de week bijeen rond die symbolen. De mensen van de weg werden ze genoemd. Met elkaar aten ze het brood, dronken de wijn. Het werd opgenomen in hun lichaam. Zo ervoeren ze iets van eeuwigheid in hun bestaan.

Voor ik er was, waren er mensen die in hun leven verder gingen met de symbolen die staan voor de weg die Jezus ging. Een weg van liefde, trouw, vrijheid, onalledaagsheid en moed. Na mij zullen zij er ook zijn. Toen het mij tegen zat, waren er mensen om mij heen. Om ons mee. Ze zeiden niet veel. Ze waren er. Aanwezigheid. Ik vind het uitstekend als anderen daar uitsluitend medemenselijkheid in zien. Ik heb in hun aanwezigheid iets van de eeuwigheid ervaren, die ik ook ervaar in brood en wijn. Iets van God in mijn bestaan.

Zou het met religie anders zijn dan met seks?

Antropoloog André Droogers (www.andredroogers.nl) is op zoek naar een nieuwe God. Hij noemt hem God 3.0, opvolger van God 1.0 en God 2.0. God 1.0 was de God van de voormoderne tijd. De God die de wereld schiep en sindsdien bestuurde vanuit de hemel. Na de voormoderne tijd kwam de moderne tijd. Waar die omslag serieus werd genomen, kwam God 2.0. De fundamentalisten namen de omslag serieus, maar voor hun Godsbeeld maakte dat niks uit. Hun God bleef de Schepper en Bestuurder. Dat Droogers hun God toch God 2.1 noemt, komt omdat ze Hem wél in bescherming namen tegen moderne ideeën zoals van Darwin en zijn volgelingen en hun godsbeeld daar onvermijdelijk de sporen van draagt. En dan is er God 2.2, de God van de vrijzinnigen. In tegenstelling tot God 2.1 is God 2.2 wel aangepast aan de moderne tijd. Na Darwin noemen de vrijzinnigen God niet langer Schepper. Ook zien ze Hem niet meer als manlijk bestuurder maar onderstrepen juist zijn vrouwelijke kanten. Tegelijk blijven ze in de christelijke traditie. God 2.2 is monoreligieus. Een eigen, christelijke God. Met God 3.0 wil Droogers op dit punt verder. God 3.0 is niet meer de God van één bepaalde religie. Wie of wat is God 3.0 dan wel?

In zijn antwoord op die vraag legt Droogers de nadruk op wat deze God doet, niet op wie Hij is. Voor een goed begrip: dat doen is natuurlijk geen ‘doen’ zoals de voormoderne God iets deed. Met het ‘doen’ van God 3.0 doelt Droogers op de rol die Hij, aanwezig of afwezig, speelt in de menselijke zoektocht naar zingeving. Ieder mens, atheïst, gelovige en alles daar tussen in, zoekt naar zin, schuift met betekenissen, verbindt ze met elkaar, ontkoppelt. Steeds bezig.

En toch kan geen enkel mens zeggen dat hij de waarheid gevonden en het laatste woord gesproken heeft. Ja, voor zichzelf. Maar niet in algemene zin. Dat geldt voor de gelovige net zo goed als voor de atheïst. Altijd blijven er onbewezen vooronderstellingen (zoals: de mens is goed of slecht; de menselijke geschiedenis is een geschiedenis van vooruitgang). Altijd zijn er vragen waar de wetenschap geen antwoord op heeft. God 3.0 is een God van het open einde. De God van een spel, dat je, hoe serieus je het ook neemt, speelt met een knipoog. Een knipoog die het eindresultaat relativeert, ook al gaat het om onze ziel en zaligheid. Droogers pleit voor een ‘feest van de knipoog’ op Pinksteren. Een feestdag waarop alle spelers, alle mensen die bezig zijn met zingeving, elkaar ontmoeten om nadrukkelijk een knipoog naar elkaar te geven. Zo laten ze elkaar zien dat ze het eigen spel heel serieus nemen en tegelijk ook weer niet. De waarheid staat niet vast. Als er maar één versie van de waarheid als de ware geldt, stokt het spel. Hun God 3.0 loopt niemand in de weg. sympathiek. Dat is het eerste woord dat me te binnen schoot toen ik het boek gelezen had. Door en door sympathiek.

Ook iets voor mij, zo’n God 3.0? Ik weet het eigenlijk niet. Dat van dat spel, taalspel, spel van betekenissen, spreekt me wel aan. Religie, geloof draaien uiteindelijk om het geven van betekenis. Niet om buiten ons om vaststaande waarheden. Om woorden. Maar wel heel belangrijke woorden. Woorden die verder helpen. Toen zijn dochter Anna, zijn lieveling, op tienjarige leeftijd stierf, verloor Darwin ook zijn laatste restje geloof. Ik kan me daar alles bij voorstellen. Inclusief zijn atheïsme als reactie. Ik kan mij evenmin een God voorstellen die macht heeft en de dood van een kind niet verhindert. Toch kies ik niet voor het atheïsme. In mijn zoektocht naar betekenis wil ik God niet wegstrepen. In de symbolen en betekenissen van mijn traditie wil ik blijven zoeken naar God. De ernst waarmee ik dat doe is te diep voor een relativerende knipoog. En ik denk, als ik dat zo mag zeggen, dat van Darwin hetzelfde geldt.

Of je nu atheïst bent of gelovige, als je op zoek moet naar betekenis omdat iets, ziekte, dood, echtscheiding, noem alle ellende maar op, eerdere ontwerpen onderuit gehaald heeft, is het voor jezelf erop of eronder. Ik begrijp best dat je vanaf een hoger plan van afstand naar jezelf kunt kijken en vaststellen dat je net als ieder ander verwikkeld bent in dezelfde zoektocht. Maar wat schiet ik op met die helicopterblik? Ik ben niet als hobby met mijn zoektocht naar betekenis begonnen. Het was pompen of verzuipen. Als de bemanning van een getorpedeerd schip het schip boven water tracht te houden, is er weinig ruimte voor de relativerende knipoog. Ook naderhand, als het schip voor zinken is behoed, zie ik weinig belangstelling voor alternatieve aanpakken waardoor het schip ook was blijven drijven. Wat uiteindelijk als resultaat van mijn zoektocht naar betekenis op de zeef blijft liggen, is heel erg van mij. Juist daardoor begrijp ik anderen, gelovig of atheïst, die andere keuzes maken. Wat mij met hen verbindt is het begin. De ontreddering, de inslag van de torpedo. Wat daarna volgt is een spel met woorden, betekenissen, tekens en symbolen. Mijn spel. Ik vraag me af  of dat spel bestand is tegen de relativering van de knipoog. Van een ander menselijk spel, de seksualiteit, weet ik dat zeker. De knipoog doodt iedere lust. Het spel kan alleen gespeeld worden als het bloedserieus genomen wordt. Zou het met religie anders zijn?

André Droogers, God 3.0. Voorbij godsdienst en atheïsme. Hoe ziet God er uit in de 21e eeuw?

Uitgeverij Parthenon (www.uitgeverijparthenon.nl); € 14,90

De zwijgende profeet

Denkend aan de kerk van mijn jeugd, de kerk van de eerste vijftien naoorlogse jaren, schiet me meteen het woord verzuiling te binnen. Of liever nog herzuiling. Restauratie. Wat voor de oorlog was, moest na de oorlog zo snel en grondig mogelijk worden hersteld. Kerk en christelijke organisaties, één groot verzuild geheel. Tot de grote omslag. De tsunami van de jaren zestig. Ze trof een verzuilde kerk. Zelfgenoegzaam, naar binnen gekeerd, gericht op de eigen groep en niet op de toenmalige cultuur. Dat was mijn beeld. Maar klopt het?

‘In de vergifkast?’ is de titel van het pas verschenen jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme na 1800. De titel is een citaat uit 1955. Een verbolgen vertegenwoordiger van een christelijke organisatie beklaagt zich er over, dat de kerken de christelijke organisaties buiten de deur zetten. Als gif dat je bewaart in een aparte vergifkast. Dat is heel wat andere dan het beeld dat ik had van kerk en christelijke organisaties harmonieus vervlochten in de ene zuil. Hoe kan dat?

In de oorlogsjaren had vooral de Hervormde Kerk iets gedaan wat ze eerder nooit gedaan had. Ze had zich intensief bemoeid met de samenleving. De gereformeerden hadden daar altijd al wat minder moeite mee gehad. Zo hadden ze zich in de jaren dertig al uitgesproken tegen de links christelijke CDU en tegen de NSB. Maar ook voor de gereformeerden was het kritisch kerk zijn in de oorlog een nieuwe ervaring. Sommige predikanten hadden er met hun leven voor betaald.

Hoe moest het verder toen de bezetter verdwenen was en de samenleving weer ‘van ons’ geworden was? Met name de Hervormde Kerk besloot haar houding van ‘kritisch tegenover’ te handhaven. Als kwaliteitsbewaker van de samenleving. Als kritische profeet.

Hing het samen met deze kritische rol dat de kerk zo veel negatiefs in de samenleving zag? In haar afkeer van de heersende moraal trok de kerk samen op met de overheid die zich grote zorgen maken over de losbandigheid van de naoorlogse jeugd. Maar er was veel meer. De samenleving dreigde volgens de kerk onbewoonbaar te worden, het gemeenschapsgevoel dreigde te verdwijnen. Somberheid troef. Niet alleen in de Hervormde Kerk. In de Vrijgemaakte Kerken klonken zelfs apocalyptische geluiden over de samenleving en de gereformeerde ethicus Brillenburg Wurth zag de kerk als een corpus alienum, een radicaal vreemd bestanddeel tegenover de wereld.

Als kwaliteitsbewaker van de samenleving moest de Hervormde kerk er zijn voor heel het volk. Niet alleen voor de eigen groep. Haar boodschap als aanzeggend profeet moest de kerk zelf bepalen. Op basis van eigen analyses van onrecht en missstand. Daar had de kerk de christelijke organisaties niet voor nodig.

Zo ontstond er geleidelijk aan een concurrentie in visies op de samenleving. Met aan de ene kant de kerken en aan de andere de christelijke organisaties. De kerken, of eigenlijk moet je zeggen, de stafleden van de kerken, waren meestal  radicaler. Logisch, de christelijke organisaties maakten veel meer deel uit van de samenleving, maakten onvermijdelijk vuile handen, konden zich  radicaliteit minder goed veroorloven. Toen ze zagen dat de kerken hun eigen weg gingen, richtten zij eigen bezinningscentra op. In die centra speelden de kerken geen rol. En omgekeerd hielden de kerken de christelijke organisaties buiten de deur. Of zoals die vertegenwoordiger in 1955 zei: De kerk plaatste de organisaties in de vergifkast.

De profetische radicaliteit van de kerken in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw – denk aan de kruisraketten, de strijd tegen racisme en Apartheid, de steun aan bevrijdingsbewegingen – kwam dus niet uit de lucht vallen. De kerk had zich al sinds de oorlog een kritisch profeet tegenover de samenleving betoond. De grote secularisatie van midden jaren zestig trof, anders dan ik altijd gedacht heb, niet een in zichzelf gekeerde organisatie, een dromerig centrum van een verzuild geheel. Het trof een actieve, profetische kerk, die volop na dacht over geloof in de moderne tijd en de daarbij horende praxis.

Het zou wel eens zo kunnen zijn, het jaarboek suggereert dat ook, dat de klap van de secularisatie zo hard aangekomen is, omdat de kerken door dat steeds weer hameren op wat er allemaal mis was in de samenleving in een isolement terecht gekomen waren. Vervreemd van de samenleving als een ach en wee roepende Cassandra, zo profetisch, zo kritisch aanzeggend dat ze tenslotte niet meer relevant gevonden werd.

En nu? Als model voor de gefuseerde kerk heeft de PKN in 2004 gekozen voor de missie en structuur zoals de Hervormde Kerk die in de jaren vijftig van de vorige eeuw formuleerde. Nog steeds een kritisch tegenover. Van de christelijke organisaties, als die nog bestaan, is ze ver verwijderd geraakt. Haar expertise zoekt ze onverminderd in eigen huis. In een zwaar bemand landelijk centrum. Helaas is ze intern te verdeeld om met één mond over wat dan ook te spreken. Of het nu gaat over embryo onderzoek, euthanasie, Israël of de islam. De PKN zwijgt. Een zwijgende profeet, ondanks al haar expertise.

Het is maar zelden dat een kostuum iemand een halve eeuw later nog past. Waarom zou dat bij profetenmantels anders zijn?

‘In de vergifkast’? Protestantse organisaties tussen kerk en wereld. Onder redactie van George Harinck en Paul van Trigt.

Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme na 1800. Jaargang 21

Uitgeverij Meinema, Zoetermeer,  € 18,90

Eerst als tragedie, dan als klucht

Dit is een eenzijdig relaas. Zonder wederhoor. Misschien zijn sommige details niet juist, maar voor de hoofdlijn sta ik in. Ik heb het allemaal van nabij gevolgd. Het beschrijft een ontwikkeling die ik niet voor mogelijk had gehouden. Die me droever stemt dan ik wil toegeven. Ik heb de kerk lief. Ik zou zo graag willen dat het haar goed ging. Dat geldt mijn Dorpskerk in het bijzonder. Helaas. Ik voel me er niet meer thuis. 

Afscheid van de Dorpskerk.

Het had zo mooi kunnen zijn. Een middeleeuwse dorpskerk. Een gemeente met ruim voldoende talent, creativiteit en financiële middelen. Negen bijbelkringen met veel belangstellenden van buiten de kerk. Concerten op zondagmiddag. Een lezingencircuit met interessante, aansprekende namen. Nieuwe gezichten in de kerk. Soms terug van heel lang weggeweest. Veel hart voor de kerk. Veel betrokkenheid.

Toch gaat het mis. Ruzie. Eerst binnenskamers. Later in de kerkenraad. Nog weer later in de gemeente. Om de predikant. Vijf jaar heeft hij goed gefunctioneerd. Maar op een zeker moment is ergens (waar precies valt nooit te achterhalen) vastgesteld dat de dominee bij nader inzien toch niet zo geschikt is voor deze gemeente. Dat het voor hem tijd is naar iets anders uit te zien. Of, zoals iemand zei die hem graag zag vertrekken: “De aap heeft zijn kunstjes gedaan, dat kennen we nu wel, hij moet dat nu maar ergens anders gaan doen.” Bij voorkeur zou dat vertrek goedschiks moeten zijn. Via de koninklijke weg noemden ze dat. Eerst dachten ze aan anderhalf jaar. Maar toen de dominee niet bleek te piekeren over weggaan, ook niet binnen die termijn, raakte hun geduld op en werd de tijd steeds korter. Eerst een half jaar en tenslotte zelfs drie maanden. Drie maanden voor de dominee om uit te kijken naar iets nieuws en dan weg wezen.

Er was wel een probleem. Kun je een dominee zijn congé geven, omdat hij je bij nader inzien niet bevalt, hoewel de gemeente bloeit en nieuwe leden trekt? Moet er daarvoor niet iets ‘ergs’ aan de hand zijn? Iets met geld bijvoorbeeld. Of gedoe met een ‘vrouw uit de gemeente’  of, nog erger, een catechisante. Maar daar was geen sprake van. Het ging om de persoon van de dominee. Die persoon begon sommigen steeds meer tegen te staan. Het was begonnen met kleine ergernissen. Als je daar niks aan doet, worden die vanzelf groter. Tot je je bij wijze van spreken al ergert aan de manier waarop iemand kucht. Speciaal de kerkrentmeesters die financieel met hem te maken hadden, hadden een gloeiende hekel aan hem gekregen. Bij zijn komst was de dominee door de toenmalige kerkenraad nogal royaal tegemoet gekomen in zijn financiële wensen. Veel te royaal vonden de kerkrentmeesters bij nader inzien. Ze keken naar de kerkelijke begroting. Zorgelijke gezichten. En dan zo maar 1400 euro als bijdrage in het jaarlijkse tuinonderhoud van de pastorie? Dat schrapten ze liever. Iemand iets afpakken waar hij recht op meent te hebben, is nooit makkelijk. Dat geldt ook voor dominees. Er waren bittere discussies. Nee, de kerkrentmeesters hielden niet meer van de dominee.

Al dat gedoe en geruzie, al die verwijten over en weer, gingen aan de gemeente voorbij. Sterker nog. Ook de kerkenraad wist van niks. Alleen een paar man, en vrouw, in het moderamen, het dagelijks bestuur, van de kerkenraad, en de kerkrentmeesters waren op de hoogte. Dat onder de pet houden gebeurde bewust. Bij het vertrek van de vorige predikant had het goed gewerkt. Ook de vorige predikant was in onmin weggegaan. Ook over hem was het ‘bij nader inzien toch niet zo geschikt’ uitgesproken. In het moderamen was het vuur toen zo hard tegen hem opgestookt, dat hij het na nog geen drie jaar uit eigen beweging voor gezien hield. Ik zat toen in de kerkenraad en hoorde pas dat het helemaal mis was tussen dominee en moderamen, toen de dominee al, zwaar beschadigd, gekleineerd en tegen de overspanning aan, op weg was naar de uitgang. Ik herinner me mijn verbijstering nog goed. We hadden in de kerkenraad over alles gepraat, maar niet over de ruzie tussen moderamen en dominee. Alsof je met buren al het lief en leed deelt en toch, plotseling, op een gezellig avondje hoort dat ze gaan scheiden. Je voelt je niet alleen verdrietig, je voelt je ook gepasseerd. Betutteld als een klein kind, dat maar beter van niks kon weten. Maar bij deze dominee liep het anders. Deze dominee vocht terug. Hij was zelfverzekerd, vond dat hij het goed deed, voelde zich thuis in de gemeente. Sterker nog, hij voelde zich gerespecteerd. Hij bleek bovendien uithoudingsvermogen te hebben en fighting spirit. Hij was niet van plan zich stuk te laten maken.

De achttiende Brumaire van Louis Napoleon

De grote wereldhistorische feiten en personen, aldus de Duitse filosoof Hegel treden als het ware twee maal op. Zijn leerling Karl Marx was dat met hem eens, maar vond dat Hegel iets vergeten had. In zijn Der achtzehnte Brumaire des Louis Napoleon  (geciteerd door Slavoj Žižek in zijn Eerst als tragedie, dan als klucht.) schreef Marx: “Er (namelijk Hegel) hat vergessen hinzuzufügen: das eine Mal als grosse Tragödie, das andere Mal als lumpige Farce”. Marx bedoelde daarmee dat de eerste keer dat er iets gebeurt van wereldhistorische betekenis, zoals bij de Franse revolutie, alles bloed serieus is. Zowel het ancien régime als de revolutionairen geloven honderd procent in hun zaak. Daarom is de afloop tragisch. Bij een volgende revolutie, zoals in Frankrijk in februari 1848, is dat geloof er niet meer. De strijd in de nieuwe revolutie gaat niet meer om behoud van het oude of overwinning van het nieuwe. Die strijd is beslist in 1789. Dat weet het ancien régime van 1848. Het gelooft dan ook niet meer in zichzelf zoals het ancien régime bij de Franse revolutie in zichzelf geloofde. Het gelooft niet meer in waar het voor zegt te strijden. Het beeldt zich slechts in dat het in zichzelf gelooft. Daarom is de strijd een klucht, of zoals Marx het zegt : eine lumpige Farce.

Dat dubbel optreden, eerst als tragedie, dan als klucht, geldt niet alleen de grote wereldhistorische feiten. Bij de eerste predikanten die uit het ambt gezet werden, denk aan de Amsterdamse dominee Geelkerken die in 1926 uit de Gereformeerde kerk gezet werd, draaide het nog om essentiële zaken. Bij wijze spreken om leven en dood: de bijbel honderd procent waar of een cultuur- en tijdsgebonden document. De kerk bewaker van eeuwige waarheid of niet. Door het toenmalige ‘ancien régime’, vertegenwoordigd door de synode, werd gestreden voor Gods zaak. Hoe tragisch en niet te winnen die strijd ook was. Nu is dat geloof in de kerk als hoedster van eeuwige waarheid er niet meer. De bijbel is niet meer honderd procent waar. De enig ware kerk is achter de horizon verdwenen. De afzetting van een predikant is in filosofische zin geen tragedie meer (wat personele impact betreft is zij dat nog wel). Geen religieuze strijd op leven en dood. Het gaat niet meer om de ware kerk. Het is een komedie geworden, omdat de kerkbestuurders doen alsof het daar nog wel om gaat. Alsof ze nog geloven wat vroeger geloofd werd. Alsof het hen nog steeds gaat om de ware kerk. In werkelijkheid hebben ze geen idee van wat die ware kerk dan wel zou moeten zijn. Ze geloven slechts dat ze nog geloven. Ze spelen in een klucht of zoals één van de architecten van de afzettingsprocedure tegen de dominee zijn kantoorcollega’s zei toen die vroegen wat hij de avond waarop een cruciale gemeenteavond zou plaats vinden ging doen: “Oh, effe een domineetje wippen.”

Macho problemen

Ik hoorde al vrij vroeg van de moeilijkheden. Ze leken me niet onoverkomelijk. Beetje macho problemen. Het moderamen verwachtte van de predikant een notitie over teruglopend kerkbezoek. De predikant ontkende dat het kerkbezoek terugliep en weigerde zo’n notitie te maken. Ook waren er een paar ongelukkige opmerkingen door de predikant gemaakt tijdens een pastoraal gesprek. Het moderamen nam het hoog op. Een kwestie van uitpraten, dacht ik. Ik veronderstelde goede wil. Wil om er uit te komen. Daar vergiste ik mij in.

Een predikant zit in een kwetsbare positie. Hij is een passant. Hij komt, staat een aantal jaren in de gemeente en gaat weer. De kerkenraad blijft. De kerkenraad staat voor de continuïteit. Vaak schuurt dat. Is de continuïteit, zoals de kerkenraad die voor ogen heeft, bij de predikant in goede handen? Of leidt hij de gemeente in een richting die de kerkenraad helemaal niet ziet zitten?

De secularisatie maakt het gesprek hierover niet makkelijker. Waar staat de gemeente voor? Vroeger was dat duidelijk. De kerk verkondigt het Woord van God, bewaakt het goede geloof, troost, bemoedigt en viert in de sacramenten de aanwezigheid van de Heer. Zo’n omschrijving veronderstelt dat het reilen en zeilen van de gemeente getoetst kan worden aan iets van buiten. Een norm. Gods Woord. Iets dat ons overstijgt. De kerkenraad ziet toe op handhaving van die norm, ziet er op toe dat het eeuwig Woord vanaf de kansel zijn weg vindt naar de gemeente. Zo was het vroeger. Door de secularisatie is dat besef van Gods Woord als eeuwige norm goeddeels verdwenen. Wat ze geloven bepalen de gelovigen zelf. Wat de kerk is, of moet zijn, ook. Ik kan me geen recent geval herinneren van een predikant die zijn ambt moest neerleggen omdat hij zich in zijn verkondiging niet gehouden zou hebben aan Gods Woord. Zelfs predikanten die openlijk Gods bestaan in twijfel trekken blijven in het ambt. Maar een dominee die volgens de kerkenraad, al dan niet ‘bij nader inzien’, niet past bij de gemeente zoals de kerkenraad voor ogen staat, vliegt er uit. Hoe kan dat?

God houdt van koffie na de dienst

In mijn Dorpskerk zitten nogal wat mensen die gewend zijn het voor het zeggen te hebben. In hun werk, in het leven. Ook in de kerk. Van de dominee verwachten ze dat deze zich daarin voegt. Ze willen een kerk waar ze zich prettig voelen. Op zondagmorgen moeten ze om zich heen kunnen kijken, bekende gezichten zien en denken: ‘Fijn dat iedereen er weer is, fijn dat ik er weer ben.’ De dominee moet dat gevoel versterken.  Hij moet er een fijne, saamhorige, zeg maar gezellige kerk van maken. Als hij dat niet doet, als er te veel vreemde gezichten in de kerk komen, als hij met de kerk meer actief wil worden in de plaatselijke gemeenschap, er meer een open kerk van wil maken, of een andere liturgie wil invoeren, en al helemaal als hij daarmee te ver voor de troep uitloopt, vinden ze dat vervelend. Het begint met zachtjes mopperen, maar onderschat dat niet! De ergernis verdiept zich. Ze krijgen een hekel aan de dominee. Hij berooft ze van iets dat hen lief is. Hun kerk. Dat steekt. Ze worden boos en stapje voor stapje veranderen beminnelijke, aardige kerkgangers in harde koppen. Hoe trouwer aan kerk en kerkgang, hoe feller de reactie: de dominee moet weg. Gaat het ook nog om geloof, God of verkondiging? Ik betwijfel het. In een geseculariseerde kerkelijke gemeenschap gaat het daar nog nauwelijks om. Het moet er warm zijn. De kerkgangers kennen elkaar. Uit goede en kwade tijden. Na afloop van de dienst drinken ze samen koffie. Knus, maar knus in de goede zin. Veilig. God houdt van koffiedrinkers na de dienst. Zij houden van koffie, van God en van elkaar.

Er was nog een probleem. Toen de kerkenraad, tot woede van de onder-de-pet-houders, die vonden dat de tijd voor openheid nog niet rijp was, uiteindelijk toch hoorde van de ruzie tussen de dominee enerzijds en moderamen en kerkrentmeesters anderzijds, bleek de stemming verdeeld. Een voorstel van de voorzitter van de kerkenraad om de dominee de laan uit te sturen haalde het niet. De stemmen staakten. Negen voor, negen tegen. De dominee mocht blijven. Normaal gesproken beschouwt een voorzitter een stemming over zo’n cruciaal onderwerp als een vertrouwenskwestie en treedt af als hij dat vertrouwen niet krijgt. Maar zo gaat dat niet in de kerk. De voorzitter bleef en begon de tegenstemmers de kerkenraad uit te roken. Dat lukte vrij goed. Vooral toen de diakenen voor wie de dominee helemaal niet weg hoefde, en bloc opstapten. Uiteindelijk waren er in de kerkenraad nog maar twee ouderlingen op de hand van de dominee en die kregen het zwaar te verduren. Meestal via de email. Email heeft veel voordelen, maar draagt bij conflicten zelden bij aan verfijning van de omgangsvormen. In het kerkelijke email verkeer is dat niet anders.

Daar kwam nog bij dat de verhoudingen in de gemeente heel anders lagen dan in de uitgeklede kerkenraad. De meerderheid van de gemeenteleden vond dat de dominee het goed deed. Vooral de generatie met jonge kinderen prees zijn inzet om hen en hun kinderen bij de kerk te betrekken. Tachtig procent van de belijdende leden, zo bleek uit een handtekeningenactie, voelde niets voor de confrontatie en drong aan op verzoening.

Gesteggel over kerkrecht

In de jaren voorafgaand aan de tot standkoming van de PKN, in 2004, is heel lang  gesteggeld over het kerkrecht van de nieuwe kerk. Moest dat het hervormde kerkrecht worden? Of het gereformeerde? Het hervormde kerkrecht was autoritair. Logisch, de Nederlands Hervormde kerk was een regentenkerk. Bij de gereformeerden, allen kleine luyden, was het democratischer. Daar was de gemeentevergadering, bestaande uit alle gemeenteleden die belijdenis gedaan hadden, uiteindelijk de baas. Bij de hervormden was dat niet zo. Daar maakte het gezag, belichaamd in kerkenraad en synode, de dienst uit. De gemeente had, net als in onze parlementaire democratie, alleen iets te vertellen bij de verkiezing van ambtsdragers. Dat betekent dat de kerkenraad, eenmaal gekozen, nooit weggestuurd kan worden. Bij de gereformeerden kon dat wel. De gemeentevergadering kon het vertrouwen in de ambtsdragers opzeggen. De gereformeerden waren de discussie over het kerkrecht van de nieuwe kerk op zeker moment beu. Ze wilden fuseren en gaven toe. Het kerkrecht van de PKN werd het Hervormde Kerkrecht. Dat hebben we geweten.

Geleidelijk aan werden de geruchten in de gemeente steeds sterker. De dominee moest weg. Maar waarom? Wat had hij gedaan? Iets ergs? Dat moet haast wel?! Niemand die het wist. Tot, op een avond ergens in maart vorig jaar, een gemeenteavond – de avond van het bovengenoemde ‘domineetje wippen’ – opening van zaken zou geven. De kerk was vol. Je proefde de spanning. Eindelijk zouden we weten wat er aan de hand was. Fijn die belangstelling zou je zeggen. Maar nee, zo gaat dat niet in de kerk. De betrokkenheid werd af geserveerd met een sneer: ‘Was het zondagochtend ook maar zo vol!’. Natuurlijk werd er begonnen met gebed. Of de Heilige Geest ons deze avond wilde helpen. Arme Geest. Zwaar overvraagd. Ik vond het ook niet eerlijk. Eerst de zaak van eieren maken, en dan om hulp vragen of er niets aan de hand is.

Na wat vrome inleidende woorden – “We zijn allen broeders en zusters in de Heer” – kwamen de kerkbestuurders snel ter zake : de dominee moest binnen een half jaar vertrokken zijn. Hij werd per direct ontheven van zijn bestuurlijke functies, lees: hij wordt uit de kerkenraad gezet. Er komt een interim predikant, die, heel fijnzinnig, die avond al aanwezig was.

Zo gaat dat in de PKN. De kerkenraad heeft het voor het zeggen. De dominee, die zwaar onder druk gezet was, zei in de vergadering dat hij onder deze omstandigheden de gemeente niet meer kon dienen en dat hij ging uitzien naar een andere gemeente, hoe moeilijk hem dat ook viel.

De gemeenteleden reageerden emotioneel. Te meer omdat niemand wist wat er precies aan de hand was. Wat is er gebeurd? Wat heeft de dominee gedaan? Er zijn verschrikkelijke dingen gebeurd, hoorden ze, maar wat die dingen waren kon niet gezegd worden. Vanwege de privacy van de predikant. Om hem te beschermen. Meer informatie dan dat er een bestuurlijke botsing was in de kerkenraad en dat de dominee loslippig was geweest over pastorale contacten kwam er niet. Het werd feller. De emoties komen los. Er wordt gejoeld en geapplaudisseerd. Ik maak het helemaal mee. Zo voelt het om door regenten geregeerd te worden. Je wordt als klein kind behandeld en je gaat je ook als een klein kind gedragen. Je krijgt alleen die informatie waarvan de regenten denken dat het geen kwaad kan. Je hebt verder niets te vertellen. Anderen, hoger geplaatsten, bepalen wat er gaat gebeuren. Een authentieke gereformeerde woede laait in me op. Wat een ramp dat de hervormden bij de vorming van de PKN bij het kerkrecht hun zin hebben gekregen.

Als een pluisje van hun jas

De regenten laten het rumoer rustig over zich heen komen en tonen zich vertoornd zoals volwassenen zich boos maken op kinderen. “Het wordt tijd dat deze gemeente eens een lesje krijgt!”, zegt één van hen. Alle tegenwerpingen en steunbetuigingen aan de dominee slaan ze als een pluisje van hun jas.  Opmerkelijk detail vind ik wel, dat bijna alle regenten van gereformeerde huize zijn. Een slechte combinatie. Anders dan vroeger. Hervormde regenten hadden ook altijd iets liberaals, iets tolerants dat je bij de gereformeerden vergeefs zocht. In de PKN komen beide samen. Hervormd regentendom en gereformeerde gelijkhebberij. Als twee platte stenen die het kerkje vermorzelen.

Op een tweede gemeenteavond, een paar maand later, blijkt dat het nog regentesker kan. De avond wordt voorgezeten door een oud synodevoorzitter die het klappen van de zweep kent en goed is geïnformeerd over de chaotisch verlopen eerste avond. Hij spreekt ons meteen in het begin al streng toe. Er mag niet geapplaudisseerd worden, laat staan gejoeld. Bovendien moet de gemeente bedenken dat zij in deze zaak geen enkele stem heeft. De dominee moet weg. Er zal een ontslagprocedure tegen hem worden aangespannen, een zogenaamde artikel 3. 20 procedure. De dominee wordt met onmiddellijke ingang ontheven van zijn functies.

Opnieuw boosheid. Frustratie. Ook na herhaaldelijk doorvragen wordt niet gezegd wat de dominee dan eigenlijk gedaan heeft. Niettemin kwalificeert één van de kerkbestuurders van achter de tafel het gebekvecht als een “open gedachtewisseling” waar hij “dankbaar” voor is. Een andere bestuurder zegt: “Als ik in deze zaak voor iemand ben, ben ik voor de gemeente.” en verdedigt vervolgens de beslissing die de gemeente voor jaren zal splitsen, zo niet liquideren.

Tot het laatste is er vanuit de gemeente, ook door mij, geprobeerd tot een compromis te komen. Op zeker moment leek dat binnen handbereik. De dominee zou vertrekken binnen een termijn die redelijk was om een nieuwe gemeente te vinden. Maar de kerkenraad voelde daar niet voor. Van vrijwillig opstappen kon alleen sprake zijn als de dominee binnen drie maanden weg was. Voor eigen risico, dat wil zeggen zonder verdere doorbetaling. Punt uit. Een verschil van, wat zou het zijn drie, vier, vijf maanden? In ieder gewoon bedrijf zouden verstandige mensen op deze basis tot een compromis komen. Ruzie en vechten tot het laatste gaatje is nooit goed voor de continuïteit. In de kerk is dat anders. Daar gaat het om de macht. Om persoonlijke eer. Om je zin te krijgen. God is uit de eeuwigheid verdwenen. Op aarde maken kerkbestuurders uit hoe Hij gediend moet worden. Een norm daarbij, bijvoorbeeld over ‘de ware kerk’ of een idee hoe de kerk zou moeten zijn, hebben ze niet meer. Het is of ze een auto besturen in een sneeuwstorm. Verblind. Ook over de effecten van hun besluiten denken ze niet meer na. Vol gas, maar zonder idee waar ze heen willen.

Emoties rond begrafenis en avondmaal

Kort na de tweede gemeenteavond werd ik, laat op de avond, opgebeld door een vrouwelijk gemeentelid. Ze vertelde me dat haar man die week was overleden. Haar man, van huis uit kerkelijk maar er later van vervreemd geraakt, was door de dominee weer bij de kerk gekomen. Hij, de dominee, had hem begeleid in zijn ziekte en zou de begrafenis doen. Ze was met haar dochters de rouwkaarten aan het schrijven en juist op dat moment was ze gebeld door een kerkrentmeester die haar had gezegd dat de dominee geschorst was en dat die begrafenis dus niet kon door gaan. Daarna had hij haar sterkte toegewenst en de telefoon op de haak gehangen. Wat moest ze nou, de rouwkaarten waren al gedrukt? Gelukkig is dat goed gekomen. Maar voor mij ging er op dat moment een deur dicht. Die deur had trouwens al op een kier gestaan. Dat kwam door een protestactie tijdens het avondmaal. Toen de dominee de gemeente uitnodigde aan het avondmaal te gaan, bleven de kerkenraadsleden die wilden dat hij zou vertrekken collectief zitten. Was niet afgesproken, zeiden ze later. Spontaan opgekomen. Later maakten ze van hun actie nog een verwijt aan de dominee: hij was later niet naar hen toe gekomen om te proberen de avondmaalsgemeenschap te herstellen. Daarmee was hij volgens hen pastoraal tekort geschoten.

In het avondmaal raken tijd en eeuwigheid elkaar. Het is een sacrament. Daar zit het woord sacer, heilig in. Als je niet aan het avondmaal wilt gaan wegens ruzie, dat kan, dan blijf je thuis. Je gebruikt het sacrament niet als strijdmiddel in een twist. Dan maak je van een heilig spel een klucht.

Uiteindelijk kwam het tot een afzettingsprocedure bij de landelijke kerk. Maar daarvoor was er heel wat gebeurd. Toen de stemmen in de kerkenraad staakten besloot de raad hulp van buitenaf in te roepen. In de kerk heet dat een bijzondere visitatie. Toen ik er van hoorde, meldde ik mij bij de visitatoren om mijn visie op de zaak te geven. Wat ze er mee deden moesten zij zelf weten. Ik zocht het contact vanuit de gedachte dat je in zo’n conflict iedere snipper informatie kunt gebruiken. Toen ik ze sprak, bleek zo tussen de regels door dat ze hun mening al gevormd hadden. De dominee was het probleem. Het beste zou zijn als hij opstapte, de vraag was hoe dat te bereiken zonder grote schade aan te richten. Ik vond die vroege stelligheid vreemd. Die bevreemding verdiepte zich nog toen ik later van de dominee hoorde dat hun eerste vraag in zijn gesprek met hen niet was: “Hoe kijkt u aan tegen deze zaak?”, maar “Vindt u het niet vreselijk wat ze allemaal over u zeggen?” Hij had daar niet tactvol op gereageerd en dat had geen gunstige indruk gemaakt. Later begreep ik dat er voor alles uit gelobbyd was vanuit de kring van gemeenteleden die de dominee graag zagen vertrekken.

Uiteindelijk kozen de visitatoren in hun eindrapport toch voor bemiddeling. Terecht leek me. De gemeente zou splijten als er, voor welke kant ook maar, partij gekozen werd. De dominee en de kerkenraad moesten, flink begeleid, samen aan de slag om er uit te komen. Het rapport werd besproken in de kerkenraad die toen nog fifty/fifty was samengesteld in voors en tegens.

Hoewel de kerkenraadsvergadering waarin het eindrapport van de visitatoren besproken werd met gebed begonnen zal zijn, was de broederlijkheid ver te zoeken. Veel boosheid en verbaal geweld van degenen die wilden dat de dominee weg moest. Zo veel, dat de voorzitter van de diaconie het welletjes vond en zwijgend de vergadering verliet. Thuis schreef hij meteen zijn ontslagbrief uit de kerkenraad. De andere diakenen volgden hem later. Zo ontstond in de kerkenraad een meerderheid voor vertrek van de dominee. De visitatoren bogen voor dit geweld, trokken hun voorstel in, en kozen in een nieuwe versie voor ontslag van de dominee.

‘Ik ken hem goed uit het schoolbestuur’

In de kerkelijke praktijk is zo’n zaak dan feitelijk beslist. Weliswaar wordt de zaak nog twee keer op hoger plan besproken, de eerste keer in de classis, een soort regiovergadering van kerken, de tweede keer bij het Generale College voor de Ambtsontheffing van de landelijke Kerk. Maar het gebeurt maar hoogst zelden dat deze colleges afwijken van wat kerkenraad en visitatoren beslist hebben. Ik kende de voorzitter van de classis goed en meldde mij bij hem net als ik bij de visitatoren gedaan had, om, als hij dat dienstig vond, mijn visie op de zaak te geven. Die visie was en is dat het hier ging om een uit de hand gelopen machtsstrijd tussen de dominee en een deel van de kerkenraad waar de gemeente part noch deel aan had. Dat de kerkenraad een minderheid van de gemeente vertegenwoordigde. Dat een wegsturen van de dominee rampzalig zou zijn voor de continuïteit van de gemeente. De voorzitter van de classis reageerde vriendelijk dat hij, als dat nodig was, graag gebruik zou maken van mijn expertise maar dat hij de voorzitter van de kerkenraad goed kende uit een (christelijk) schoolbestuur waar zij samen in gezeten hadden en dat hij alle vertrouwen had in diens wijsheid. Hij heeft mij nooit meer gebeld.

De classis, zo hoorde ik later, hoeft niet meer aan ‘waarheidsvinding’ te doen. Dat betekent dat ze zich niet meer hoeft af te vragen wat er werkelijk aan de hand is. De visie van de, intussen uitgerookte, kerkenraad is per definitie de juiste visie. Zoals later de visie van de classis voor de nog hogere kerkelijke autoriteit de juiste en per definitie zorgvuldig tot stand gekomen visie is omdat het de visie van de classis is.

Door de secularisatie en vergrijzing zijn er nog maar weinig kerkbestuurders over. De meesten kennen elkaar. Van andere besturen of al uit de studententijd. Bevorderlijk voor een kritische beoordeling van elkaar is dat niet. In theorie kent de kerk beroepsmogelijkheden bij hogere kerkelijke organen. In de praktijk moet je je daar niet te veel van voorstellen. Het gebeurt slechts een heel, heel enkele keer dat een hoger college kerkenraad en/of visitatoren terug fluit.

Een spelletje armpje drukken

In de katholieke kerk is geen democratie. Het is de bisschop die bepaalt hoe het toe gaat in zijn diocees. In tegenstelling daarmee heeft de protestantse kerk zich er altijd op beroepen dat zij wel democratisch is. Dat in de protestantse kerken de leek, en niet de bisschop de dienst uit maakt. En inderdaad de kerkenraad, het bestuur van de gemeente, is een democratisch verkozen lekenbestuur. Maar democratie heeft nog een ander kenmerk, namelijk checks and balances. In een democratie wordt de macht getoetst. De macht moet zich permanent verantwoorden. Ik ben er altijd blind van uit gegaan dat dat in de kerk ook gebeurde. Dat een classis of een hoger kerkelijk college een uitspraak van kerkenraad en visitatoren ook inhoudelijk zou toetsen. Dat gebeurt niet. De colleges kijken alleen of er procedureel goed gehandeld is. Of er sprake is van een kerkrechtelijk juist besluit van de kerkenraad. Dat een kerkenraad tot zijn besluit gekomen is na de dissidente helft van de raad uitgerookt te hebben, gaat hen verder niet aan. Dat de classis het besluit van de kerkenraad volgt zonder ooit zijn licht in de gemeente opgestoken te hebben, regardeert hen ook niet. Dat betekent dat een kerkenraad een gemeente kan kapen en er mee weg komt.

Geen vereniging overleeft anno 2014 zo’n aanpak. De kerk wel? Natuurlijk niet. Dat de kerk toch voor dit ondemocratische systeem kiest, komt omdat ze gelooft in haar eigen geloof. Ze gelooft dat ze gelooft dat de wereld nog net zo is als in de tijd van de vroegere Hervormde Kerk. Toen de Vaderlandse Kerk gezien werd als de plek waar Gods Woord verkondigd werd. Ook toen maakten bestuurders er de dienst uit. Ook toen ging dat vaak niet goed. Maar men geloofde toen nog écht in de eigen boodschap. Daarom was er,  meer dan nu, van binnenuit iets van checks and balances. Meer besef dat besturen ook dienen is. En dat kerkrecht moet samen gaan met liefde. Liefde voor de mensen, liefde voor Gods Woord. Dat kon regenten wijs maken, en mild. Ik ben die houding in dit conflict niet tegen gekomen.

De tijd van die regenten ligt achter ons. Iedere gemeente in de Kerk zoekt naar zijn een eigen vorm. Niemand weet meer wat de beste wijze van kerk zijn is. Zoveel gemeenten, zoveel zinnen. Als dan strijd ontbrandt, speelt Gods Woord geen enkele rol. De bestuurders vergaderen, kijken of de procedures goed doorlopen zijn en stempelen af. Als inhoud verdampt, beslist de macht.

Korte tijd na de uitspraak van het college van de ambtsontheffing dat de dominee moest vertrekken, informeerde één van de drijvende krachten achter zijn gedwongen vertrek bij een wederzijdse vriend hoe het met me ging. “Waarom wil je dat weten?”, vroeg onze vriend. “Oh”, zei hij, “wij hebben gewonnen. De dominee moet weg.” Toch een spelletje armpje drukken. Geen tragedie, maar een klucht.

Oudere berichten

© 2017 Jan Greven

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑

%d bloggers liken dit: