Jan Greven

Het denken blijft doorgaan

Maand: april 2013

Wie verlangt er naar ontroostbaarheid?

Wie_verlangt_er_naar_ontroostbaarheid

 

In haar boek De schilder en zijn model beschrijft Patricia De Martelaere de gepassioneerde verhouding van een vrouw met twee mannen die met een tussenpoos na elkaar in haar leven komen. Zo zeer hecht ze zich aan hen dat ze hen als onvervangbaar beschouwt. Onvervangbaar? Twee keer achter elkaar onvervangbaar? Dat kan toch niet! Je kunt denken dat iemand onvervangbaar is. Tot je een ander ontmoet die datzelfde gevoel van onvervangbaarheid bij je oproept. Op dat moment is de eerste onvervangbare per definitie niet onvervangbaar meer. Hij is namelijk vervangen. Zo voelt de protagoniste van De schilder en zijn model dat ook. Ze heeft het er moeilijk mee, dat er na de eerste, nog een tweede man in haar leven kwam. Met dezelfde impact. Ze vindt dat onaanvaardbaar. Het maakt haar onzeker over haar eerste ‘echte’ liefde. Ze wordt er woedend over. Woedend op zichzelf. 

Het ‘hele drama’ schreef De Martelaere later in een toelichting, is dat de twee mannen voor de vrouw achtereenvolgens de onvervangbare functie van God vervullen. “De opeenvolging van twee Goden maakt het absolute compleet ridicuul.” 

Gelukkig liep dat bij het klassieke liefdespaar Romeo en Julia nog anders. Julia stak zich met een dolk door het hart toen ze zag dat Romeo zich van het leven had beroofd. Goed zo! Stel je de afschuwelijke situatie voor dat ze dat niet gedaan had. Dat ze na een periode van intens verdriet uiteindelijk overeind was gekrabbeld en – het leven gaat door – op een ander was gevallen. Even gepassioneerd. Even absoluut – dat zat nou eenmaal in haar aard.  Zou dat niet zijn om te sterven van verdriet? “En dan niet om het verlies van Romeo, maar om zijn vervangbaarheid en dus om het verlies van God.”, schrijft De Martelaere. Geliefde, onvervangbaarheid, God, het absolute. Ze liggen in elkaars verlengde. 

In de boeken van De Martelaere speelt vervangbaarheid een belangrijke rol.  Onvervangbaarheid is het ideaal. Vervangbaarheid de realiteit, al willen de minnenden en beminden in haar boeken daar niet aan. Keer op keer werpen zij zich met een absolutistisch verlangen in een liefdesrelatie. Steeds weer blijkt herhaalbaar wat zij als uniek hebben beschouwd. 

Unieke relaties, unieke eenmalige overgave, gaan hun macht te boven. Vroeger was dat anders. Vroeger geloofde men in overgave die zowel uniek als onvervulbaar was. De Martelaere noemt Teresa van Avila. Ze leefde in mystieke vroomheid. Absoluut gericht op God. In een onvervulbare liefde. Onze tijd gelooft niet meer in onvervulbare liefde. De verlangens van onze tijd zijn binnenwerelds, relatief en vervulbaar. Andere smaken zijn er niet. Teresa’s gerichtheid op de Heer wordt achteraf weg verklaard als gesublimeerde seksualiteit. Niet uniek, ook niet onvervulbaar. 

Over haar roman De schilder en zijn model, schreef De Martelaere dat de roman gaat over “Jeanne d’Arc, die staat te razen en te tieren, niet omdat ze wordt verbrand , maar omdat het vuur is uitgegaan.” 

Marja Pruis, schrijver en recensent van De Groene Amsterdammer,  schreef een boek over Patricia de Martelaere. Een bijzonder boek. Het heeft iets van een biografie, maar ook van een journalistieke speurtocht. Een speurtocht zowel naar De Martelaere ’s privé bestaan als naar haar denkbeelden. Beide zijn niet eenvoudig. Zoekend en tastend vindt Pruis haar weg. Toen ze het bovenstaande citaat over Jeanne d’Arc las, begon haar iets te dagen. In 1993 schreef De Martelaere een essay over Het verlangen naar ontroostbaarheid . Aanvankelijk dacht Pruis dat het een essay was over rouwen. Over verlangen om te blijven in verdriet, zich niet te laten troosten, om daardoor degene om wie getreurd wordt niet kwijt te raken, onvervangbaar te houden. Uniek. Zoals Romeo voor Julia. 

In 1995 verdwijnt de echtgenoot van De Martelaere. Waarschijnlijk pleegde hij zelfmoord door tijdens een oversteek naar Engeland van de veerboot in zee te springen. Zijn lichaam is nooit gevonden. Al bij de eerste ontmoeting tussen hem en Patricia had hij over zelfmoord gesproken. Vier jaar na zijn dood blikt De Martelaere  in een interview terug op haar essay uit 1993. Ze vertelt dat zij na het verdwijnen van haar man grote sociale druk ervaren heeft om te rouwen. Om ontroostbaar te blijven. Ze verzette zich daar tegen. “Ik denk”, zegt ze, “dat Freuds diagnose juist is dat ongelukkige mensen eigenlijk niet willen veranderen, maar houvast beleven aan hun ongeluk. ….Als je je laat troosten stem je in met verandering.” Ze vindt het een ‘volkomen onlogische gedachte’ dat je door je ontroostbaarheid moet bewijzen dat iemand iets voor je heeft betekend. Je moet, zegt ze, van je verdriet geen gebruik maken op een moment waarop het in het leven wat minder gaat. 

Uit wat De Martelaere in dat interview zegt over haar essay, maakt Pruis op dat Het verlangen naar ontroostbaarheid niet over rouwen gaat, zoals zij eerst meende, maar over obsessieve verliefdheid. De obsessief verliefde vrouw uit De schilder en zijn model beschouwt de mannen op wie zij verliefd is als onvervangbaar. Zij is ontroostbaar omdat zij uit haar leven zijn verdwenen. Zo onvervangbaar als haar mannen waren, zo onvervangbaar was vroeger God. Maar dat is voorbij. Niets, niemand is onvervangbaar. Voor alles is troost. We lazen het hierboven: mystiek is gesublimeerde seksualiteit. Het vuur van Jeanne d’Arc is uit. ‘Er daagt iets bij me’, schrijft Pruis: het essay zou wel eens geschreven kunnen zijn door iemand die èn rouwt èn obsessief verliefd is: “iemand die zich er nooit mee verzoend heeft dat God niet zou bestaan, dat de oorspronkelijke liefde voor hem onherhaalbaar is of zou moeten zijn.”.

Kenmerkend voor het leven, stelt De Martelaere in een van haar essays, is verlangen. Ze onderscheidt twee soorten van verlangens. Een klein verlangen dat streeft naar kleine vervulling en van het een hupt naar het ander. En een groot verlangen dat als een motor achter al die kleine verlangens zit. Maar of het nu het kleine verlangen is of het grote, alle verlangens willen uiteindelijk hetzelfde: het bereiken van vervulling en daarmee het einde van het verlangen. Het einde van de onrust. Na een gestild verlangen is het even windstil. Een stilte die je trouwens ook bereiken kunt door alle verlangen uit te bannen. Door helemaal niks te doen. Waarom zou je je inspannen voor een verlangen als het resultaat van je inspanning uiteindelijk op hetzelfde neer komt als wanneer je nergens aan begonnen was: stilstand, rust. En uiteindelijk de dood. 

Via de omweg van het leven zijn we onderweg naar de dood. Kinderen, stelt De Martelaere moet je leren die omweg te willen maken. Je moet ze er zelfs enthousiast voor maken, ze leren op pad te gaan voor vervulling, vernieuwing na te streven, de onzekerheid tegemoet. In plaats van zich vast te klampen aan houvast. 

Maar wie dat niet meer wil, kan kiezen voor een verlangenloos bestaan. Daarmee wapent hij zich tegen verlies. Wat je niet meer wilt, kun je ook niet meer verliezen. Wie ontroostbaar wil blijven, weet dat. Wat hij verloor is onvervangbaar. Hij legt zich daar bij neer en wapent zich op die manier tegen nieuw verlies. De plek van de beminde blijft leeg. Eens verloren, altijd verloren, maar, gelukkig, niet opnieuw verloren. 

En toch. Tegen beter weten in, is er steeds weer de liefde. Het verlangen. En onvermijdelijk, opnieuw het verlies en het verdriet om het verlies.  

Maar als alles verloren kan gaan, is er dan niets dat blijft? In haar zoektocht naar ‘wat blijft’ komt De Martelaere uit op Wittgenstein. Volgens Wittgenstein bestaat er iets als ‘het onuitsprekelijke’ dat voor ons belangrijker is dan de dingen die we wel kunnen zeggen. ‘Wat blijft’ bestaat, dat is het goede nieuws. Alleen kunnen we niet zeggen wat het is.   

De Martelaere gaat een stap verder en probeert via het boeddhisme het onuitsprekelijke van Wittgenstein in te vullen. Dat gaat zo. Er is onderscheid tussen ‘wat blijft’  en wat is. Kijk om je heen: alles wat bestaat, alles wat is, verandert, veroudert, verkleurt, wordt anders. Zijn is worden. ‘Wat blijft’ daarentegen verandert niet en hoort daarom niet tot de categorie van het Zijn.  ‘Wat blijft’ hoort bij eeuwigheid, niet bij tijdelijkheid. 

Nu kun je twee dingen doen. Je kunt zoals de christelijke theologie dat doet tegenover het altijd veranderende Zijn God plaatsen als het hoogste, eeuwig onveranderlijke zijn (wel een Zijn maar een heel ander Zijn dan ons zijn – en vraag me niet dat nu verder uit te leggen) , waarin we uiteindelijk, moegestreden van al onze verlangens om te worden wie we nog niet zijn, kunnen rusten.   

Je kunt ook met het boeddhisme zeggen dat ‘wat blijft’ niet het hoogste zijn is, maar juist het tegendeel: het niet-zijn, het Niets. Die laatste weg kiest de Martelaere. We beschouwen, zegt zij, wat is als waar het leven om draait. Ten onrechte. Het leven draait om het Niets. We komen op uit het Niets en verzinken in het Niets. Het Niets is onze thuishaven. Het is juist het iets dat ons daarvan weg houdt. Leven is leren verliezen, leren loslaten. Leren streven naar het einde van de hartstocht voor iets. Leven uit hartstocht voor het Niets. 

De Martelaere, schrijft Pruis, was een groot bewonderaar van de Japanse schrijver Yasunari Kawabata, die in 1968 als eerste Japanner de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg. In een van zijn boeken beschrijft Kawabata een verhouding tussen een getrouwde man en een geisha, die hij van tijd tot tijd opzoekt ergens in de bergen. Als de man vertrekt, zegt zijn minnares: “Als je weg bent, zal ik ingetogen leven.” Ingetogen. De zin zette zich in het hoofd van Marja Pruis en dat begrijp ik goed. Ingetogen is wat anders dan ‘na een tijdje is er weer een ander’. Wie ingetogen leeft, schreeuwt het verdriet niet van de daken, maar bewaakt het als een kostbare schat. Voor Pruis is het een metafoor voor verlangen naar ontroostbaarheid. 

Ik weet het niet zeker, maar ik heb de indruk dat Pruis met meer enthousiasme aan haar studie over De Martelaere begon dan ze er mee eindigde. De Martelaere lijkt haar steeds opnieuw te ontsnappen. Geleidelijk aan raakt ze meer gebiologeerd door de persoon dan door de denkbeelden. Terwijl ze aan de andere kant, en terecht, keer op keer onderstreept dat de Martelaere juist een strikte scheiding wilde tussen wie ze privé was en haar romanpersonen. 

Vooral met haar boeddhistische ideeën heeft Pruis moeite. Een zin als: Het Alles is het Niets vindt ze net zo iets als van een zwarte deur zeggen dat deze voortaan een witte deur is. Meer een kwestie van woorden – maar wat schiet je er mee op wanneer je dezelfde dingen anders benoemt? “In het boeddhisme”, schrijft ze, “lijkt De Martelaere iets gevonden te hebben wat haar verlies van het godsbesef goedmaakt. Alleen ik kan niet reproduceren wat het is….”

De Martelaere leed aan het verlies van uniciteit dat de mens is overkomen na de dood van God. Het verlangen naar ontroostbaarheid is daardoor ook heimwee naar God. Haar ontroostbaarheid lijkt een kwestie van keus. Je kunt er voor kiezen ontroostbaar te blijven. Is het altijd een keus? Soms zijn mensen absoluut onvervangbaar. Voor de één een man, voor de ander een vrouw, voor een derde een kind. 

De Martelaere ’s romanpersonen weigeren zich ontroostbaar te voelen, verliezen zich steeds weer in relaties, krijgen steeds weer een klap op de kop. Het zijn zwemmers op zoek naar vaste grond, naar ‘wat blijft’. Met als uiteindelijke wijsheid dat je je niet moet verzetten tegen de stroom om maar vaste grond te vinden. Aan de stroom moet je je overgeven, als aan het grote Niets. 

Ik wil ontroostbaar blijven. Maar daar niet in blijven steken. Ik wil verder gaan. In vertrouwen. Zoals Teresa van Avila. Op zoek naar het licht. Hoe het zal zijn in dat licht, weet ik niet. Alleen dat ik beweeg. Ontroostbaar, maar richting het licht. Dat lijkt mij de kern van Pasen. 

 

Marja Pruis, Als je weg bent. Over Patricia de Martelaere.

Uitgeverij Prometheus € 19,95

De EO maakt het verschil

Dekkervrijmaking-1

 

Eind jaren zeventig van de vorige eeuw begeleidde ik uit hoofde van mijn toenmalige functie bij de IKON een televisiekerkdienst  van de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt (GKV) van Bunschoten Oost. In de consistorie trof ik de kerkenraad met alle ouderlingen in zo’n zwart pak, dat je in die tijd alleen nog bij obers zag: gestreepte zwarte pantalon, zwart jasje, wit overhemd, grijze das. De diakenen idem dito op één na. In een scheerwollen donkerblauw pak sprong één er uit. Een zakenman, zo te zien. Ineens was ik terug in de kerk van mijn jeugd. Dertig jaar eerder. Ik zag de ouderlingen weer zitten. Allemaal in het zwart. Tegenover de diakenen. Ook zwart, maar met hier en daar iets alternatiefs. Iets blauws. Heel voorzichtig. Als de olijftak van de duif: voorbode van een nieuwe tijd.

 

 

De kerkenraad in zwart pak 

 

De dresscode van Bunschoten Oost zal intussen wel veranderd zijn. En niet alleen de dresscode. Dertig jaar geleden werkten de vrijgemaakten aan een eigen ‘Proefbundel’ van psalmen en gezangen. Het Liedboek van de Kerken beschouwden ze als ‘een bundel van de valse oecumene’ . Nu doen ze mee aan Het Nieuwe Liedboek. Toen waren ze tegen kindernevendiensten. Kinderen hoorden in de eredienst. Nu zijn overal nevendiensten. Op zondag volgden alle kerken dezelfde liturgie. Nu zijn er plaatselijk grote verschillen.

Elk jaar legt een Jaarboekje vast wat er in de GKV gebeurt. Godsdienstsocioloog Gerard Dekker pluisde veertig van die Jaarboekjes, van 1970 tot 2010, uit. Op zoek naar veranderingen. Met als vraagstelling: zie je bij de vrijgemaakten, dertig jaar later, dezelfde veranderingen als bij de synodaal gereformeerden van wie ze zich in 1944 afscheidden? Zijn conclusie: ja, de parallellen zijn zo opvallend dat je van een zelfde ontwikkeling kunt spreken.

Neem het Gereformeerd Politiek Verbond, de politieke partij van de vrijgemaakten. Opgegaan in de ChristenUnie, zoals de gereformeerde Anti Revolutionaire Partij opging in het CDA. Of hun krant, het Nederlands Dagblad. Het gereformeerde Trouw stelde zich in de jaren zestig van de vorige eeuw open voor niet-gereformeerden. Het Nederlands Dagblad noemde zich vanaf 1993 ‘christelijk betrokken’ in plaats van ‘Gereformeerde krant van christelijk Nederland’ . ‘Synodale’  vrouwen kregen in 1965 kerkelijk stemrecht, vrijgemaakte vrouwen in 1993. Voor de synodalen was 1975 de top. Sindsdien daalt het ledental. Bij de vrijgemaakten kwam de top in 2005. Vanaf dat jaar daalt het ook bij hen. Allemaal dertig jaar later.

De vrijgemaakten, zo bleek bij de presentatie van zijn boek in hun Kampense Theologische Universiteit, waren niet blij met Dekkers bevindingen. Logisch. De ‘synodalen’ hebben zij altijd als afschrikwekkend voorbeeld beschouwd. Vooral hun rapport ‘God met ons’ uit 1980 dat afstand nam van het letterlijk Schriftgezag, zagen ze als een dieptepunt. Nooit te beroerd voor hoge woorden zagen zij in hun eigen kerken God zelf aan het werk. En nu zou bij hen dezelfde verdamping  plaats vinden?

Helaas, Dekkers parallellen zijn te opvallend voor toeval. De ontwikkelingen lijken sprekend op elkaar. Toch bleef ik op één punt haken. Vrijgemaakten, schrijft Dekker, denken over het algemeen conservatief over abortus en euthanasie. Dat is niet gereformeerd.  Het is niet toevallig dat twee gereformeerde hoogleraren (de onlangs overleden Utrechtse gynaecoloog Haspels en de VU ethicus Kuitert) een belangrijke bijdrage leverden aan het denken in ons land over resp. abortus en euthanasie. Gereformeerden willen, zoals de stichter van hun kerk Abraham Kuyper zei, ‘in rapport zijn met de tijd’. Ontwikkeling is uitdaging.

Een conservatieve, anti abortus en euthanasie opvatting hoort bij Pro Life. Pro Life is Amerikaans en hoort bij de evangelische beweging. In 1970, toen de gereformeerde verdamping begon, bevond die beweging zich in de marge. Bezwaarde gereformeerden konden in 1970 weinig anders dan hun kerk verlaten voor christelijk gereformeerd of baptist. Dat dat nu anders is, komt door de EO, die het evangelicale geloof als volwaardig alternatief op de kaart heeft gezet. Bovendien is er met de EO jongerendagen een verbinding gelegd met jongeren. Evangelicale vrijgemaakten hoeven door die ontwikkeling hun kerk niet uit. Integendeel, meer en meer nemen ze hun kerk over. Maar minder gereformeerd, minder ‘in rapport met de tijd’,  zijn ze wel. Dekker heeft gelijk: de gereformeerde smaak van de vrijgemaakte kerken zal meer en meer verdwijnen. Maar de evangelicale stroming komt op. Bunschoten Oost zal nog galmen van de gospelsongs, als het zover al niet is. De kerkenraad komt swingend op. De naam is gebleven. Als geschiedenis.

Gerard Dekker, De doorgaande revolutie. De ontwikkeling van de Gereformeerde Kerken in perspectief.

Uitgeverij Vuurbaak. ADChartareeks nr. 23.  € 19,90

© 2017 Jan Greven

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑

%d bloggers liken dit: