Jan Greven

Dertien jaar schreef Jan Greven om de veertien dagen een recensie in het dagblad Trouw. De boeken die hij besprak gingen over God, geloof, transcendentie, maar ook over stilte en meditatie. Geleidelijk aan werden de recensies persoonlijker, kregen meer de trekken van een gesprek. Dat gesprek, met de schrijvers, zijn lezers en zichzelf zet hij voort op deze site.

Op Bonaire

Sinds drie weken ben ik op het Antilleneiland Bonaire. Als predikant van de Verenigde Protestantse Kerk van Bonaire (VPKB). Een debuut, want verder dan een afgeronde studie theologie ben ik nooit gekomen. 

Het eiland is vacant sinds 2010, toen de toenmalige dominee met emeritaat ging. Er werd haast gemaakt met de benoeming van een opvolger, want op 10 oktober van dat jaar (10/10/10,  hier een begrip) zouden, als onderdeel van de nieuwe Koninkrijksovereenkomst, op de Antillen voor het eerst in de geschiedenis kerk en staat gescheiden worden. Tot 10/10/10 benoemde de overheid predikanten en priesters en betaalde hun traktement. Na die datum was dat afgelopen. Althans voor de nieuwkomers. Vanwege hun rechtspositie, ze waren immers ambtenaren, kregen de zittende, of liever gezegd staande, geestelijken hun traktement doorbetaald tot het einde van hun dienstverband.  

Begrijpelijk dus dat de VPKB  alles op alles zette om voor 10/10/10 een nieuwe predikant benoemd te krijgen. Dat leek te lukken. Er werd een predikant gevonden en een maand voor de bewuste datum stuurde de Kerk een voordracht tot benoeming naar Curaçao. Helaas, de overheid is soms even grillig als ondoorgrondelijk. Ondanks alle smeekbeden om een beslissing verdween de voordracht in een la en bleef daar tot na 10/10/10, zodat Bonaire op die beslissende dag vacant was en ‘dus’ de salariskosten van de nieuwe predikant zelf moest dragen. 

Gezien de omvang van de gemeente en het ontbreken van een systeem van Vrijwillige Bijdragen, een onmogelijke opgave. De beoogde predikant zag van zijn benoeming af en het is aan de fractie van de Christen Unie in de Tweede Kamer te danken dat toenmalig verantwoordelijk minister Donner, na intensief lobbyen,  zijn hand over zijn hart streek en als compensatie Bonaire alsnog wat geld ter beschikking stelde.

De Kerkenraad besloot dat geld maar even vast te houden en voorlopig te werken met tijdelijke predikanten. Met een voorkeur voor gepensioneerden. Ze zouden een huis ter beschikking krijgen en een auto en verder ook figuurlijk pro deo werken. Bij het zoeken naar dit soort tijdelijke waarnemers kwam ik, totaal onverwacht, in beeld en zo ben ik hier twee maanden, van 1 mei tot en met 2 juli, waarnemend predikant. 

Ik kijk mijn ogen uit en dat komt vooral door de bijzondere voorgeschiedenis van de VPKB. De Antillen zijn voor negentig procent katholiek. De protestantse kerk is tot op grote hoogte de kerk van de Nederlanders. Zo had Bonaire omstreeks 1940 5725 inwoners (thans zo’n 14.000). Daarvan waren er 5475, meer dan negentig procent, katholiek.  Er waren twee katholieke kerken. Een in de hoofdplaats Kralendijk en één in het dorpje Rincon. De pastoor van Rincon kreeg het begin jaren dertig van de vorige eeuw aan de stok met een deel van zijn parochianen. Volgens sommige bronnen weigerde de pastoor een onwettig  kind te dopen van een religieus gemengd (protestant en katholiek) stel. Volgens andere wilde een groep parochianen, behorend tot een paar families en allen afkomstig van het gehucht Playa Grandi, niet ver van Rincon, de bijbel in hun eigen taal, het papiamento lezen. Toen ze met een papiaments Nieuwe Testament bij de pastoor kwamen en hem hulp vroegen bij de uitleg, was zijn reactie dat daar niets van kon komen, waarna de geestelijke het boek voor hun ogen verscheurde. Beide versies lijken waar. 

In Kralendijk stond in die jaren ds. A. van Essen. Van Essen had een zendingsachtergrond. Toen de groep uit Playa Grandi bij hem kwam met hetzelfde verzoek als ze eerder aan hun pastoor gedaan hadden, reageerde hij positief. Dat was in juli 1932. Binnenkort precies tachtig jaar geleden

Daarna ging het snel. Met eigen handen bouwde ‘Playa Grandi’ een protestants kerkje in Rincon. Twee jaar later, in 1934, was het klaar. Het staat er nog steeds en er zijn nog steeds diensten. 

Zo heeft de Protestantse kerk van Bonaire behalve Nederlandse ook Bonairiaanse wortels en beschouwen de Bonairiaanse protestanten Rincon als hun geestelijke bakermat, terwijl de Nederlanders op Kralendijk georiënteerd zijn. 

Onder die Nederlanders vind je alle schakeringen van het Nederlands protestantisme. Van de Protestanten Bond tot de bevindelijke kant van de Gereformeerde Bond. Je merkt het aan de liederen in de dienst. Vrolijke opwekkingsliederen in het Papiamento, afgewisseld met liederen uit het Liedboek of uit de bundel van Joh. de Heer. 

Ik laat me overspoelen door die diversiteit. Ik zie hoe een kerk, ondanks grote culturele verschillen, kan functioneren als gelovigen elkaar de ruimte geven. 

Mensen die tijd en energie investeren in de kerk, investeren iets van zichzelf. Dat doen ze ook in hun beroepsmatige leven. Al krijgen ze voor dat laatste een salaris. In de kerk krijgen ze dat niet. Dat voelt alsof ze aan de kerk iets van zichzelf, een geschenk in de vorm van tijd en aandacht, geven. Wie een geschenk geeft, is kwetsbaar. Het geschenk moet niet te groot zijn, maar ook niet te klein. Het moet in overeenstemming zijn met de relatie tussen degene die geeft en degene die ontvangt. De ontvanger moet het met de juiste toon accepteren. Niet te overdreven, maar ook niet te koeltjes. 

Het besturen van een kerk, maar voor iedere vrijwilligersorganisatie geldt hetzelfde, is daardoor geen sinecure. In Nederland niet, maar in een multiculturele omgeving als Bonaire al helemaal niet. 

Vandaar mijn fascinatie. Ondanks het feit dat de Kerk hier nu twee jaar vacant is, leeft ze. Er is enthousiasme. Er is saamhorigheid. Ik zie nu eens van binnenuit, en niet als langstrekkende gastprediker, hoe belangrijk de zondagse diensten voor het functioneren van de kerk zijn. Als een moment van samen zijn. Een moment van de Geest.

Het is alsof deze nieuwe Bonairiaanse wereld wordt opgetrokken naast mijn andere, persoonlijke wereld. De wereld van het gemis, het verlies. Het is een merkwaardig gevoel, waar ik nog geen vat op heb. Mijn persoonlijke wereld wordt bepaald door de dood van Aartje, mijn lieve dochter die ik iedere dag mis. Tranen in de ogen als ik alleen maar aan haar denk. Ondanks al het nieuwe en de inspiratie die het me geeft, blijft het gemis onverdragelijk en even moeilijk te bevatten als vlak na haar dood. Ook al is het nu al weer bijna vijf maanden geleden. 

Zou het zo gaan? Zou het zo gaan dat je geleidelijk aan een nieuwe wereld om je heen schept en dat los daarvan de wereld van het verdriet blijft bestaan? 

Zou het daardoor komen dat echt diep genieten, genieten vanuit het besef ‘alles is goed’, niet meer lukt. Hoe zeer ik ook geniet van de zee, de zon en de wind van Bonaire, van de geestelijke diversiteit in de kerk, van de ontmoetingen en van de mensen, het blijft genieten in een beperkte wereld. Er is iets weg, iets definitiefs verloren. Tegelijk gaat het leven door. 

Soms denk ik: wat zou het allemaal mooi geweest zijn, als de dood niet had toegeslagen. Een onzinnige gedachte, want de dood heeft wel toegeslagen. Hoe leven we verder nu de dood zo intiem bij ons is binnen gedrongen? Ik zoek, denk, heb het nog niet gevonden. Ik leef in twee werelden. Misschien wel voorgoed. 

De irritatie van Bert Keizer

 

Bert Keizer is geïrriteerd.  Hij ergert zich aan wat hij noemt neurosofen. Neurosofen zijn hersenonderzoekers die menen dat ze het eeuwenoude probleem van de verhouding tussen lichaam en geest definitief hebben opgelost. Dick Swaab, schrijver van “Wij zijn ons brein”, is zo’n neurosoof. 

Swaab wil af van de ziel. Ons geestesleven ziet hij als gesputter, de term is van Keizer, tussen neuronen. Zo’n visie stemt nederig en haakt in op een algemeen aanwezige behoefte klein van de mens te denken.  

Net als Swaab vindt ook Keizer dat wij het idee moeten opgeven dat zich ergens in ons binnenste zo iets als geestelijk leven afspeelt.  Alsof er ogen achter onze ogen zitten. Alsof ergens een inwendige stuurman aan het roer zit. Maar daarmee houdt de overeenkomst tussen hem en Swaab wel op. 

Sinds kort bestaat er zo iets als een godhelm. Zet de helm op, richt elektrische impulsjes op een specifiek hersengedeelte en de helmdrager heeft een godservaring.  Prachtig, vindt Keizer. Maar probeer eens een lentehelm. Kun je met hulp van zo’n helm ook lentegevoelens reduceren tot neuronen gesputter? En kun je omgekeerd uit de neuronenactiviteit een beeld krijgen van de lente zoals de helmdrager zich die voorstelt? 

Nee natuurlijk en dat komt doordat onze hersenen werken volgens een strikt persoonlijke procedure. Eerst zijn er onze belevingen. Later vindt de neurosoof, op onze aanwijzingen, daar de passende hersenactiviteit  bij. Keizer vergelijkt de hersenscan met een landkaart van Frankrijk. Zonder het reëel bestaande Frankrijk geen landkaart. Zonder van te voren ervaren belevingen van de lente, of van God, geen hersenscan van lentegevoelens of Godservaring.  

Gedachten lezen met hulp van hersenscans is volgens Keizer een begripsmatige onmogelijkheid. Neuronen nemen geen besluiten. Je kunt het stokje van het geestelijk leven niet aan ze doorgeven.

Toch wordt dat laatste wel geprobeerd. Keizer ziet vooral onder psychiaters een grote behoefte zich van de geest  af te maken. Een ontmoeting met patiënten gaan ze bij voorkeur uit de weg. Liever beperken ze zich tot het uitschrijven van medicijnen om het brein te reguleren. Een pijnlijk en beschamend gevolg van het neurosofisch gedachtengoed, aldus Keizer. 

Swaab en andere neurosofen zijn volgens hem blijven steken in het denken van Descartes. Voor Descartes was het denkend subject het begin en einde van het denken over de wereld. Swaab heeft dat denkend subject vervangen door het brein.  Zoals ooit Descartes’ subject de wereld interpreteerde, zo doet dat nu “het brein”.

Alsof ons brein het primaat heeft. Maar zo is het niet. Keizer vertelt over een experiment met jonge poesjes waarvan de ogen direct na de geboorte werden dichtgenaaid. Toen de oogjes later weer open mochten, bleken de poesjes ongeneeslijk blind.  Conclusie: niet het brein, niet de ogen, maar de wereld heeft het primaat. Vanuit de wereld licht onze geest op. En niet andersom. Ik moest bij dat verhaal denken aan Eskimo’s die wel  dertig benamingen hebben voor sneeuw. Niet omdat ze dat in hun brein verzonnen hebben, maar omdat hun wereld hen dat ingeeft. 

Geestelijk leven, zo blijkt uit de poesjes en de Eskimo’s, is geen bezigheid die zich alleen in het innerlijk afspeelt.  Ons zien is wat anders dan het maken van een afdruk van de wereld in ons hoofd. Ons zien is een manier om in de wereld te zijn. Het is de wereld die ons de mogelijkheid geeft om te zien. Wordt ons die mogelijkheid onthouden, dan blijven we blind. Net als de poesjes.

Ziel, bewustzijn, is niet iets dat in ons gloeit of op ondoorgrondelijke wijze in ons verwijlt. Het is iets dat we doen. Om te overleven hebben we brein,  lichaam en wereld nodig. Tussen brein en wereld vindt een permanente wisselwerking plaats. In die wisselwerking spelen ook geestelijke begrippen als angst, honger, zelfbehoud en seksualiteit, een rol. 

Hoe? Daar blijft ook Keizer het antwoord op schuldig. Uiteindelijk weet hij ook niet wie of wat wij zijn. Maar in elk geval niet ons brein. 

Anderzijds doet hij daar niet moeilijk over. Dat we onszelf nog niet begrijpen, is eerder een kwestie van filosofie dan van neurologie. Ons mankeert het nog aan filosofisch gereedschap om onszelf zo verbonden met de wereld te denken dat wereld, lichaam en geest in elkaar overvloeien. Maar dat die verbondenheid er is, staat voor hem vast. 

Waar Swaab zoekt naar eenheid en uniformiteit in het menselijk brein, zoekt Keizer naar verscheidenheid en individualiteit. Eerst het levensverhaal. Ieder mens uniek en de moeite waard persoonlijk gezien en gehoord te worden. 

Heel anders dan de culturele hoofdstroom. Gelukkig maar.  

 

Bert Keizer, Waar blijft de ziel. Lemniscaat.

€ 4,95

De kracht van verbeelding

 

Jarenlang heeft Henk van Os op televisie het Nederlandse volk uitgelegd hoe naar kunst te kijken. In de documentaire bij zijn afscheid, vroeg de interviewer naar de bron van zijn liefde voor kunst. ‘Als iemand dat echt wil begrijpen, zou het moeten gaan over jouw ‘drang tot godsdienst.’, zei zijn zoon Pieter toen ze samen de documentaire bekeken. 

Drang tot godsdienst? Henk keek er van op. Wat bedoelde Pieter? Hij besloot er een brief over te schrijven en zo ontstond een briefwisseling. Persoonlijk van toon, maar wel om te publiceren. 

Voor Henk (1938) is geloof een kwestie van levensoriëntatie. Zonder zou hij niet kunnen. Als hij zondagmorgen kerkklokken hoort, denkt hij: ‘Daar moet ik heen!’ Voor Pieter (1971) geldt dat absoluut niet. Misschien, schrijft hij, ontbeer ik wel jouw verbeeldingskracht. Maar hoe graag hij ook de betovering ondergaat van een ongeloofwaardig verhaal, verder dan tegen beter weten in hopen op betovering, komt hij niet. ‘De waarheid is dat ik, anders dan jij, niet het geloof van mijn vader heb.’, schrijft hij.  

Hij reageert daarmee op Henk die zijn laatste brief met een soort belijdenis had afgesloten: ‘Ik heb het geloof van mijn vader.’ Pieters grootvader, Henks vader, sprak aan het einde van zijn leven vaak over de suizende stilte waarin de profeet Elia God ontmoette. Het was, schrijft Henk, de vervulling van het verlangen naar een adres. Een adres voor je dankbaarheid. Voor het kortstondige en tegelijk tijdloze besef van volledigheid dat een gelovig mens soms kan overkomen. Henk beschrijft een paar ervaringen die hemzelf overkwamen en concludeert: Ik vermoed dat het verlangen naar een adres de kern is van mijn geloof.

Zoon Pieter heeft zo’n adres niet. In die zin heeft hij gelijk als hij schrijft  dat zijn geloof niet dat van zijn vader is. Toch is het verschil minder groot dan je zou denken.  

Bij Henk heeft geloof te maken met anders willen worden, uit jezelf treden. Bijzonder sterk voelt hij dat bij het vijftiende-eeuwse mystieke concept van Franciscus als een tweede Christus van de Italiaanse kunstenaar Sassetta.

 

De_kracht_van_verbeelding_1

 

Hier wordt een heilige gevierd omdat hij radicaal iemand anders wilde worden. Franciscus staat er afgebeeld als de gekruisigde. Dat ontroert Henk. In Franciscus ziet hij de tegenstelling met de moderne mens. Die wil vooral zichzelf blijven en is daarom eenzaam en vervreemd van de wereld die hij zelf schept. Bij zoon Pieter vind je dezelfde onvrede over een onttoverde wereld. De afkeer van de vader is de afkeer van de zoon. 

De brieven gaan niet alleen over geluk en dankbaarheid. Er was nogal wat verdriet.  Henks zusje Gerdientje kwam in 1958 om bij een auto-ongeluk. Zoon en broer Wouter leed aan schizofrenie en beroofde zich van het leven. Als Henk, als student op excursie in Frankrijk, hoort van het ongeluk van zijn zusje, begint hij als een razende te vloeken. Het houdt niet op. Urenlang. Later beseft hij dat God ook in razernij en machteloze woede een adres voor hem was. Het geeft hem inzicht, helpt hem ook. Maar de meeste troost vindt hij toch bij een tekst uit het bijbelboek Prediker die oproept ondanks alle verdriet en vergeefsheid ‘dus’ je brood te eten met vreugde en de wijn te drinken met een vrolijk hart’. Als plekken van zon in een donker bos. Meer dan dat zit er niet in. 

De brief van Pieter over de dood van zijn broer Wouter springt onverwachte kanten op. Wat zou je anders verwachten? Maar op zeker moment gaat het over flow. Je leest een boek, lost een cryptogram op, speelt een partij tennis en doet dat zo intensief, dat je even alles om je heen vergeet. Dat is flow. Flow helpt tegen verdriet. ‘Ongelukkig? Niet te veel over praten. En vooral: doe iets!’, schrijft Pieter. 

Ook daarin lijkt hij op zijn vader. Het gaat om de wil te veranderen. Alleen de rede is daartoe niet in staat. Integendeel. De rede dooft de verbeelding uit. Terwijl je voor veranderen juist alle verbeeldingskracht nodig hebt. Henks drang tot godsdienst komt voort uit zijn wil om te verbeelden. Om in Franciscus Christus te zien. Diepte te voelen in ‘gewone’ ervaringen.  Zo is zijn liefde voor kunst ontstaan. Dat heeft hij overgebracht op zijn zoon, die net als hij, leeft uit verbeelding. Zij het zonder vast adres van zijn verlangen. 

Henk & Pieter van Os, Vader en zoon krijgen de geest. Brieven over de drang tot godsdienst. 

Uitgeverij Balans € 16,95

 

 

 

 

Op zoek naar levenswijsheid

Handleiding voor een Evenwichtige Geest en een Kalm Gemoed - Lenoir, Frederic F

 

Duizenden jaren, aldus Fréderique Lenoir, heeft religie de rol van opvoeder van het innerlijk leven vervuld. Die rol vervult ze, althans in Europa, steeds minder. Ze is verstard. Terwijl mensen op zoek zijn naar zingeving, biedt zij slechts dogma’s en normen. 

Lenoir springt in dat gat. Gaat zijn lezers voor op weg naar wijsheid. Begin eens, houdt hij hen voor, met toe te geven dat we geen volledige controle op ons leven uitoefenen. Hij citeert de middeleeuwse mysticus Meister Eckhart met zijn “niets willen, niets weten, niets hebben” als voorwaarde voor Gelassenheit en sereniteit. Maar toch, ook al ontbreekt volledige controle, voor onze reactie op geluk en ongeluk zijn we wél zelf verantwoordelijk. Lenoir moet niets hebben van de slachtofferrol die mensen zich tegenwoordig aanmeten – met een claim op schadevergoeding onder handbereik. 

Wie zich verantwoordelijk voelt voor het eigen bestaan, voelt zich ook verantwoordelijk voor het leven in algemenere zin. Zo iemand steunt mensen in nood, komt op voor mensenrechten, strijdt voor behoud van de planeet. Ken vooral u zelf, zegt Lenoir. Zelfkennis verjaagt het geïdealiseerde beeld dat wij van onszelf hebben. Iemand met zelfkennis ziet in anderen zichzelf en oordeelt daarom niet. 

Lenoir is een gelovig mens. Zij het niet gelovig, zoals zijn Katholieke Kerk dat voorschrijft. In de stilte van het gebed bereikt hij zijn diepste innerlijk. Hij hoort de stem van zijn geweten en probeert de wil van God te doen. Tot het leven zelf heeft hij een nederige houding. Het leven is zoals het is, en niet zoals we het zouden willen of dromen. 

Tot twee keer toe schrijft hij over veerkracht die bestaat in onvermoede krachten waarmee we bij tegenslag en verdriet uiteindelijk met een grotere wilskracht, een grotere ambitie aan onszelf vorm kunnen geven. 

Lenoirs wijsheid is de wijsheid van een actief, betrokken en veerkrachtig mens. Die zich verantwoordelijk voelt voor het leven, de mensen, en zichzelf. Hij kent het verdriet. Weet van de pijn die hoort bij het leven als we geliefden verliezen. Het is de tol die we betalen voor onze liefde. De pijn moeten we met open ogen accepteren.  

Witte Donderdag hoorde ik de Matteus Passion.

 

Buss und Reu

knirscht das Sündenherz entzwei,

dass die Tropfen meiner Zähren

angenehme Spezerei,

treuer Jesu, dir gebaren.

 

zingt de Alt in het begin als een vrouw de voeten van Jezus zalft. Er is nog hoop. Er zit nog veerkracht in de mensen. Ze kunnen nog wat. Al zijn het maar tranen van berouw. Laten die dan zijn als geurige olie. 

Na Jezus’ geseling bieden ook de tranen geen soelaas meer. Opnieuw zingt de Alt:

 

Können Tranen meiner Wangen

nichts erlangen,

o, so nehmt mein Herz hinein!

Aber lässt es bei den Fluten,

wenn die Wunde milde bluten,

auch die Opferschale sein! 

 

Geen veerkracht meer. Zelfs niet in onze tranen. Ons hart slechts een offerschaal voor Jezus’ bloed. 

Vroeger zou ik die tekst als typisch voorbeeld voor Bachs piëtistische bloedtheologie hebben gezien. A la Lenoir zou ik vertrouwd hebben op mijn eigen veerkracht. Maar veerkracht veronderstelt behalve kracht ook richtinggevoel. Een veerkrachtig mens weet in welke richting het herstel dient te gaan. Ik heb intussen ervaren dat het leven je met iets kan confronteren waardoor je dat richtinggevoel kwijt raakt. Niet uit slapte of onvoldoende zelfinzicht, maar existentieel. Zo’n moment beschrijft Bach in het beeld van het hart als offerschaal voor Jezus’ bloed. Er valt niets meer te geven, alleen te ontvangen.

Zulke momenten van ontvangen heb ik, zo merk ik nu, in het samenzijn met vrienden. Het is in dat samenzijn of je, nadat je de weg bent kwijt geraakt, even met anderen oploopt. Het lijkt even of het bestaan weer richting heeft. Al hoeft dat helemaal niet. Zo snel gaat dat niet. Maar het is al troostvol als het zo lijkt. 

Mijn hele leven heb ik Pasen gevierd, maar pas dit jaar heb ik begrepen waarom de Opstanding pas ervaren wordt als de discipelen met elkaar samen zijn. Aan een tafel. Pasen is niet een individuele emotie maar wordt ervaren in een samenzijn van vrienden, waarin richtingsgevoel, levensmoed ontstaat. 

Lenoir gaat sterk uit van eigen veer- en denkkracht. Aan mijn levenswijsheid is inmiddels het inzicht toegevoegd, dat er momenten zijn waarop eigen veer- en denkkracht te kort schiet. Dat heb ik te accepteren. Gelukkig zijn er dan mensen die verder helpen. Op zulke momenten is het hart een offerschaal. Alleen in staat te ontvangen. Wij zijn bedelaars, zei Luther. Ik begrijp dat nu. Beter dan ooit. 

Frédéric Lenoir, Handleiding voor een evenwichtige geest en een kalm gemoed. 

Uitgevrij Ten Have € 19,95

 

Eeuwig leven?

Eeuwig_leven

Het is druk. Veel mensen om ons heen. Maar het luistert nauw. Je moet ook alleen kunnen zijn. Rust. Om in alle rust het verdriet te laten boven komen. De kunst is het goede evenwicht. Niet te veel met anderen. Niet te veel op jezelf. Hetzelfde geldt trouwens voor de gesprekken. Het kan niet altijd gaan over verlies en verdriet. Ook daar is het zoeken naar evenwicht. Niet alléén over verdriet en moeite. Maar ook niet zó over de gewone dingen, dat het lijkt of het leven gewoon is. Ook dat evenwicht verschuift trouwens. Haast zonder dat je het merkt. Ik kan al veel meer ‘gewone’ gesprekken hebben dan een maand geleden. 

In die periode gingen twee van mijn bezoekers met elkaar in discussie. Ik zat er bij, luisterde naar hun gesprek en voelde me buitengesloten. Onzin natuurlijk. Niemand wilde mij buiten sluiten. Maar toch. Al luisterend naar het heen en weer van de discussie overviel me een groot gevoel van isolement. Een geweldige moeheid trok over me heen.    

Je kunt niet van te voren voorspellen wie van de bezoekers de kunst van een goed afgewogen rouwgesprek verstaan. Tegen sommige bezoeken zie je op en ze zijn een verademing. Van andere stel je je veel voor en ze vallen tegen.

‘Je moet je goed realiseren, dat je de eerste maanden niet helemaal toerekeningsvatbaar bent’, zei een vriendin. Ik keek daar nogal van op. Maar ik begin steeds beter te begrijpen wat ze bedoelt. Mijn wereld is verschoven. Voorgoed. Ik ben zelf verschoven, al weet ik nog niet in welke richting.  

Jullie behoren nu tot de aniwim, schreef iemand. Zo had ik het nog niet zo bekeken. In de bijbel zijn de Aniwim de door ongeluk getroffenen. Het ongeluk heeft ze zachtmoedig gemaakt. En nederig. Er zit iets van afhankelijkheid in het woord. Zij zullen het land bezitten, zegt Psalm 37 en Jezus zegt het de Psalm in zijn Zaligsprekingen na: Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten.  

Ik weet niet of zachtmoedigheid en nederigheid er bij mij qua eigenschappen inzitten, maar ik begreep wel wat ze bedoelde. Het idee was altijd zelf de wereld aan te kunnen. Zelf verantwoordelijk te zijn. Van het eigen leven een kunstwerk te maken. Ik weet nog goed dat ik de gedachte van het leven als een kunstwerk voor het eerst tegen kwam. Het was in een boek over de Franse filosoof Foucault. Ik vond het een prachtig idee. Het leven als kunstwerk betekende kansen grijpen, niet verstoffen. Wat ik wel wist, maar me niet realiseerde, was dat Foucault overleden is aan Aids. Toch sprak hij zo over het leven. Als een kunstwerk ondanks gemis en verdriet. Nu besef ik pas hoe bijzonder dat is.  

Zo ver als Foucault ben ik nog lang niet. Ik sta nog maar aan het begin. Ik kan nog niet eens het verlies accepteren. Beeld me keer op keer in dat het niet waar is. Dat alles berust op een vergissing en dat alles straks weer gewoon doorgaat. De gedachte aan zeven januari 2013, wanneer het precies een jaar geleden zal zijn, dat ze stierf, brengt de tranen in mijn ogen. Zo zal dan een jaar dood zijn. Ik wil er niet aan denken. Wil haar bij me houden als een levende.  

En dan gaat het nog niet eens over het verlies zelf. Wat zal ik straks het meeste missen? Haar liefde, haar grapjes, haar observaties? Waarom kan ik het niet opbrengen haar huis binnen te gaan? De voorwerpen te zien waarmee ze leefde, haar liefde te zien in de fotolijstjes, haar verzameling boeken, haar heerlijke huis? Tranen, tranen, als ik er aan denk. Ik stel het uit. Ik ben er nog lang niet aan toe.   

Ook voor later orde is de vraag wat ze voor me betekende. Welke rol ze in mijn leven speelde. Wat betekent haar dood, het feit dat ze er niet meer is, voor de betekenis van mijn eigen leven? Het is alsof alles met een enorme golf van zinloosheid is overspoeld. Hoe kan ik mezelf formuleren zonder haar? Hoe kan ik haar voortaan uitsluitend zien in historisch perspectief? Als iets van vroeger? Van voorbij?  

Ik heb niet veel met eeuwig leven. Of met de hemel. Ik wil best alle mogelijkheden openhouden, maar het geeft me geen troost. Zoals het vroeger was, komt na de dood nooit meer terug. Daar kan geen eeuwigheidscompensatie tegenop. 

Er wordt wel gezegd dat geloof in eeuwig leven essentieel is voor het christelijk geloof. Vroeger gold dat zeker. En voor een groot aantal mensen nu nog. Voor mij niet. Ik zie het eeuwig leven als een idee dat mensen hielp hun leven als betekenisvol te verstaan. Als verzet tegen vergeefsheid. Eeuwig leven gaf ieder mensenkind een unieke betekenis. Gaf zin aan het aardse leven. 

In dat laatste perspectief heb ik mijn eigen geloof altijd gezien. Menselijk bestaan is niet zinloos. Ik zeg dat vanuit mijn geloof. En laat anderen hun eigen overtuiging. Zo wil ik ook kijken naar het leven van mijn dochter. Nu ze zelf niet meer kan opkomen voor de betekenis van haar bestaan, moet ik, moeten anderen dat voor haar doen. Als een laatste dienst. Door de dood is de betekenis van haar leven geworden tot een betekenis voor anderen. Zo lang wij, de overlevenden, haar opnemen in ons bestaan, haar een plaats geven in ons leven en haar zo verder met ons meedragen, zo lang leeft zij voort. Leeft haar liefde voort. Haar zorg. Haar aandacht. Zo kan ze onderdeel worden van het kunstwerk van ons leven.   

Die kant moet het uit. Of het ervan komt, ik weet het niet. De weg is nog lang. Haar liefde voel ik nog uitsluitend als gemis. Terwijl het vroeger een bron was van kracht. 

 

Is rouw depressiviteit?

Nieuw-1

Lijd ik aan een depressie als ik rouw om de dood van mijn dochter? Het is nu zeven weken geleden sinds ze stierf. Nog steeds is droefheid het eerste dat ik voel als ik wakker word. Op de meest ongelegen momenten – pas nog bij de kaasboer op de markt – kan ik mijn tranen niet bedwingen. Ik voel me moe, vergeet dingen, kan me soms moeilijk concentreren. Allemaal symptomen die horen bij een depressie.  

De mondiale lijst van psychische aandoeningen, bekend als DSM 4 (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders), houdt bij rouw twee maanden aan als uitsluitingsgrond voor de diagnose depressiviteit. Ik heb dus nog een week ‘normale rouw’ te gaan. Daarna mag ik mijzelf, als er niks verandert, van DSM 4 depressief noemen en kan ik de dokter om antidepressiva vragen.  

Intussen, zo las ik in het dagblad Trouw, is er een concept DSM 5, dat volgend jaar DSM 4 moet vervangen. Het concept gaat een stap verder en schrapt iedere uitsluitingsgrond. Wie rouwt zoals rouwenden al eeuwenlang rouwen, is voortaan depressief. Waarom zou je iemand die lijdt aan een echtscheiding wel depressief mogen noemen en iemand die rouwt niet?  

De DSM lijsten zijn belangrijk, omdat ziektekostenverzekeraars zich erop baseren voor het toekennen van vergoedingen. Met de diagnose ‘depressiviteit’ kunnen rouwenden vanaf dag één aan de antidepressiva. De verzekering betaalt en dat is goed nieuws voor de farmaceutische industrie. Er zijn nogal wat rouwenden in de wereld. 

In het laatste nummer van het tijdschrift The Lancet (www.thelancet.com) protesteert psychiater Arthur Kleinman, hij is hoogleraar in het Amerikaanse Harvard, tegen deze ontwikkeling. Wat hij schrijft, is me uit het hart gegrepen. In maart 2011 stierf Kleinmans vrouw na een huwelijk van 46 jaar aan de ziekte van Alzheimer. Nu, bijna een jaar later, voelt hij nog het verdriet. Een deel van hemzelf is weg  Hij wil haar niet kwijt, koestert zijn herinneringen. Zo blijft ze hem nabij. Is dat verkeerd? Duidt zijn hardnekkig niet willen vergeten op iets zieks? Iets pathologisch? Iets voor de psychiater? 

Hij vindt van niet. De twee maanden van DSM 4 waarin rouw niet als depressiviteit gediagnosticeerd mag worden, vindt hij al schokkend kort. Laat staan helemaal geen termijn, zoals DSM 5 voorstelt. Na de dood van zijn vrouw was niets meer zoals het was. Hij moest zijn weg zoeken naar een andere tijd, een nieuwe levensperiode, een andere manier van leven. Hij had er niet om gevraagd. Hij moest. Het leven gaat door. Het klinkt hard. En het is hard. 

De dood van een geliefde duwt een mens uit zijn bestaan. De vanzelfsprekendheid is weg. Waarom leidde ik mijn leven, zoals ik deed voor de dood er een krater in sloeg? Ons geluk lijkt iets uit een ver verleden. Alles is verschoven. De dood dwingt het leven opnieuw te formuleren. Contrecoeur. We willen niet. We lijden er aan. 

Maar dat niet alleen. We moeten er aan lijden. Het moet pijn doen. Onder de titel Een verlangen naar ontroostbaarheid  heeft de Belgische filosofe Patricia de Martelaere (ze overleed in 2009 aan een hersentumor) over dat moeten een mooi essay geschreven. Zij legt een verband tussen de weigering om afstand te doen van de pijn en de betekenis die ‘het verloren object’ (met excuus voor de technische term) voor de rouwende heeft. Die betekenis kan zo groot zijn, dat rouwenden weigeren het verlies te boven te komen. Ze willen niet dat de rouw ooit voorbij gaat, omdat ze het verloren object dan pas echt zouden verliezen. Het zou uiteindelijk toch vervangbaar zijn. Deze mensen troost je niet door te zeggen dat het verdriet op den duur voorbij zal gaan. Integendeel, het is het ergste dat ze zich kunnen voorstellen. Het onuitputtelijke verdriet is het laatste teken dat het verloren object nog niet helemaal verloren is. 

Als deze rouwenden niet meer lijden aan het verlies, is er voor hen niets meer. Niets meer om voor te leven. Precies hier is het omslagpunt van rouw naar melancholie en depressiviteit. De rouwende gaat verder. De melancholicus weigert verder te gaan.  

Bijna twee maanden na de dood van mijn dochter moet ik aan verder gaan nog niet denken. Het is nog niet te bevatten dat het leven zonder haar doorgaat. Dat mijn leven zijn loop zal hernemen. De gedachte alleen al voelt als ontrouw. Aan haar. Aan mijzelf. 

Voor de één ligt dat anders dan voor de ander. Kleinman is bijna een jaar onderweg en het is vallen en opstaan. Anderen pakken na een paar maanden de draad weer op. Ieder heeft recht op zijn eigen weg, op zijn eigen ontroostbaarheid. 

Toch heeft De Martelaere gelijk: rouw eindigt in achter laten. Een achter laten van wat je zo lief had. Het leven gaat door. Is dat ontrouw? Ten diepste heb je iemand lief om wie hij of zij is, of was. Niet om wat hij of zij voor jou betekent. Na de dood is dat niet anders. Door onze gestorvenen los te laten, tonen we dat we van hen hielden om wie ze waren. Dat we hen niet beminden vanwege ons eigen geluk. Dat we hen los kunnen laten. Omdat we zo intens van hen hielden, kunnen we verder zonder hen. Kunnen ze tenslotte van ons wegfladderen als vlinders uit een tuin. Maar wat een pijn! Er wordt iets losgescheurd. De meest verschrikkelijke en tegelijk meest menselijke pijn. Wat een ontkenning van liefde en verbondenheid om die pijn met pillen te willen verzachten. 

 

Patricia de Martelaere, Een verlangen naar ontroostbaarheid. 

Uitgeverij Meulenhoff  € 12,50

Religie begint met een schreeuw

Als het aan Alain de Botton ligt, krijgt religie eerherstel. Nee, niet vanwege alle leerstelligheden die bij religie horen. De Botton is atheïst en geen haar op zijn hoofd die denkt aan verandering. Het gaat hem om wat religie doet. 

Zo is religie heel goed in het scheppen van saamhorigheid en gemeenschapszin. Uit zichzelf zijn mensen egocentrisch en agressief,  maar kijk eens wat er gebeurt tijdens een katholieke eucharistieviering. Wildvreemden begroeten elkaar met een vredesgroet alsof ze elkaar al jaren kennen. Verdriet, menselijk falen, verlies, je hoeft je er dáár niet voor te schamen. Ze horen bij het mens zijn. Niemand hoeft zich uitgesloten te voelen. Tussen de vier muren van de kerk gelden andere regels, andere tafelmanieren. Zo ontstaat gemeenschap. 

Natuurlijk ligt aan de eucharistie een hele stapel leerstelligheden ten grondslag. Van De Botton mag je die allemaal schrappen. Als je maar bij elkaar blijft komen rond een tafel, waar tafelmanieren gelden die zijn afgekeken van de eucharistie. Waar bepaalde vragen niet (‘Wat doe je?’) en andere vragen (‘Waar ben je bang voor?’) wel gesteld mogen worden. In een verindividualiseerde cultuur als de onze is zo’n maaltijd heel belangrijk voor de gemeenschapszin. Doodzonde om niet te benutten wat je van de eucharistie kunt leren, enkel en alleen omdat je bepaalde leerstelligheden niet meer gelooft. 

Nog iets. De huidige mens ziet zichzelf als middelpunt van het heelal. Met het eigen leven als toppunt van de geschiedenis. Gevolg: grote ontreddering bij verlies en bij dood. Religies zijn er goed in om mensen terloops bij hun eindigheid te bepalen. Je kunt van ze leren hoe een besef van nietigheid vast te houden. Ook dit maal hoef je daar niet religieus voor te zijn. Kijk eens naar de sterren! Voel je nietig! Wijd een aparte dag aan VY Canis Majoris in het sterrenbeeld De Grote Hond. De grootste en helderste ster van ons heelal. Negenenveertighonderd lichtjaren verwijderd. Besef dat je maar een stofje bent. Misschien spaart dat straks ontreddering.  

Interessante voorstellen. Zouden ze werken? Ontstijgt een liefdesmaal zonder religieuze kern de ambiance van een buurtbarbecue? Boordevol goede bedoelingen. Goed voor de saamhorigheid. Maar meer dan één keer per jaar moet je ’t niet doen. Is niet juist de religieuze kern de ziel, het geheim van het wekelijks eucharistisch samenzijn?

Werkt een besef van eindigheid als de nood echt aan de man komt? Bij acuut verdriet om plotselinge dood? Eindigheidsbesef is filosofische troost. Filosofische troost werkt, zij het filosofisch. Als idee. Als er niet getroost hoeft te worden, omdat alles goed is.  

De Botton ziet religies als bedachtzame menselijke constructies. De mens bedenkt een theorie en construeert een praktijk om problemen als saamhorigheid en kwetsbaarheid op te lossen. Schrap de theorie maar houd de praktijk in ere. Dat is zijn boodschap. 

Daarmee mist hij de kern, want religie begint niet met kalme bespiegeling en theorievorming. Religie begint met een schreeuw. Een wanhopige, ongearticuleerde schreeuw. Van verdriet. Van wanhoop. Om dood. Om onrecht. Daarna is het een hele tijd stil. Doodstil. Bij ontreddering heb je niet zo maar woorden bij de hand. Langzaam, pas heel langzaam ontstaat er na de breuk iets als heling. Daagt er weer iets van betekenis.

Drie dagen bleef het doodstil rond Christus in zijn graf. En dan nog wordt de opgestane Heer eerst nog aangezien voor de tuinman. Veertig jaar trok Israël door de woestijn op weg naar de belofte. Toen ze er waren, bleek het beloofde land bewoond door anderen.  

Heel veel later bouwden priesters en theologen leerstellige constructies om en over zulke religieuze oer gebeurtenissen. Wil je die oer gebeurtenissen op het spoor komen, dan moet je te werk gaan als een archeoloog. De constructie steen voor steen deconstrueren om tenslotte te raken aan de oorspronkelijke emotie. Verder dan dat kom je niet.  

Dat is wat anders dan de bulldozer van De Botton die alle leerstelligheid in één keer opzij schuift. In religie zoals De Botton die ziet, zit geen pijn. Ze is het product van opgewekte ratio vanuit de filosofische leunstoel. Met een goed glas onder handbereik. Volkomen ontoereikend als kwaad en dood toeslaan. Als de verbijstering te groot, de duisternis te intens, de stilte te diep is. Religie begint met wachten.. Met verlangen naar nieuw licht, naar doorbreking van de stilte na de klap. Religie begint met geloof. Tegen beter weten in. 

Alain de Botton, Religie voor atheïsten. Een heidense gebruikersgids.

Uitgeverij Atlas € 22,95

Ik voel me een beginner.

Aa is dood. Drie woorden. Ze dringen nog niet tot me door. Er was niets dat er op wees dat er iets was met haar hart. Er waren geen waarschuwingen vooraf. Niets hadden we kunnen doen om het te vermijden. 

En toch. De dood hoort bij het leven. Ik was het misschien even vergeten.  

Ik lees in Gardens van Robert Pogue Harrison. Hij is hoogleraar Italiaanse literatuur aan de Stanford University in Californië. Hij schrijft over Odysseus en Circe, dochter van de zonnegod Helios. Onsterfelijk, prachtig mooi. Ze woont op een eiland, verleidt Odysseus en probeert hem voor eeuwig bij zich te houden. Hij zou onsterfelijk zijn, net als zij. Maar Odysseus wil niet. Hij wil terug naar Ithaca, zijn eiland. Naar Penelope, zijn vrouw. Vergrijsd en niet meer van die jeugdige schoonheid als vroeger. Hij kiest voor vergankelijkheid.  

Wat zou er gebeurd zijn, vraagt Harrison zich af, als Odysseus anders gekozen had en wél bij Circe gebleven was? Goede kans dat hij, om in al die eeuwigheid toch wat om handen te hebben, een tuintje begonnen was. Met bloemen, groenten, planten. Stel nu eens dat je Circe’s eiland vanuit de lucht had kunnen zien. Je had eeuwig groen gezien. Geen bloemen, geen vruchten. Want bij bloemen en vruchten horen groei, rijpheid en, onvermijdelijk, vergaan. In een eeuwige tuin heb je dat niet. Daar is geen vergankelijkheid, geen vergaan. Maar ook geen bloemen. Geen hoogtepunten. En dan ineens had je het tuintje van Odysseus gezien. Misschien lag er wel bruin blad te smeulen in een vuurtje. Er was onkruid, er waren bloemen. Er was schoonheid en vergankelijkheid. Het één kan niet zonder het ander. Je wist het meteen: daar woont een mens. 

Wij leven in het tuintje van Odysseus. Niet in de eeuwige tuin van Circe. Stel dat ik voor de keus gesteld werd. Ik hoop dezelfde moed op te brengen als Odysseus en te kiezen voor trouw aan vergankelijkheid. Voor Penelope, om met haar oud te worden. Voor het kale Ithaca, waar hard gewerkt moet worden om de aarde iets te laten opleveren. Voor genieten met Aartje, ook al is dat genieten broos en vergankelijk. Geluk kan niet zonder vergankelijkheid. Genieten kan niet zonder besef ‘straks niet meer’, ‘straks nooit meer’. 

Nog maar drie weken geleden zaten we in de Argentijnse zomer. Een warme zomeravond. We dronken witte wijn. ‘Wat hebben we het goed’, zeiden we, ‘bovenaards, haast gevaarlijk goed’. 

De dood heeft dat genieten niet van zijn glans beroofd. Integendeel. De dood heeft een diepere glans gegeven aan de herinnering aan toen. 

Ik voel me een beginner. Wat weet ik van het leven? Wat van de dood? 

Het ergste dat een mens kan overkomen.

Vorige week overkwam mijn vrouw en mij het ergste wat een mens kan overkomen. Onze dochter Aartje stierf. Geheel onverwacht. Ze was 38 jaar. Altijd gezond geweest. Nooit een dag ziek. En toch. Een hartaanval. Ze moet meteen dood geweest zijn, want ze lag heel rustig op de bank voor de televisie. In het huisje in de Jordaan waar ze in haar eentje woonde. Omdat ze, geheel tegen haar gewoonte in, een paar keer de telefoon niet beantwoordde, toen ik haar belde, ging ik er heen. Toen al doodongerust. Reservesleutels van haar huis had ik niet. De brandweer kwam er aan te pas en brak de deur open. Ze was al een paar dagen dood toen ik haar vond. Ze was al heel erg dood.

Na een In memoriam dienst in de Amsterdamse Doopsgezinde Singelkerk hebben we haar in haar graf gelegd. Wat ik als herinnering in die dienst zei, leest u hieronder. 

Doorgaan met leven. Ondanks de dood. Dat wil ik ook met deze site. Maar geef me even tijd. Ik meld me weer zo gauw mogelijk. Waarschijnlijk niet alleen met recensies, maar ook om te delen wat ons is overkomen. Wij zijn immers de enigen niet.  

In Memoriam

Aartje_20x25_cm_2

Onze schat. Mijn oogappel. Onze lieve, lieve Aartje. Het ergste is werkelijkheid geworden. Ze is er niet meer. Onbereikbaar geworden door de dood. We zijn verstomd. Hoe gaan we verder zonder haar?

Ik weet dat nog niet. Wij weten dat nog niet. Wat een voorrecht was het haar als dochter te hebben! Zo trouw, loyaal. Zo liefdevol. Met kleine attenties liet ze blijken hoeveel ze van je hield. Ze was geestig, een tikje cynisch, in elk geval ironisch. 

Ik haalde haar graag op als ze naar ons toe kwam. Onveranderd op station Naarden Bussum. Haar bezoekjes duurden nooit lang. Aa had het niet zo op lang bij anderen blijven, ouders of geen ouders. Een kopje thee, een borrel, gezellig eten en dezelfde avond met de trein weer naar huis. Want thuis was ze het liefst. 

Alleen. Met haar spullen om haar heen. Zorgvuldig uitgezochte spullen die een maximum aan comfort en geborgenheid gaven. Een ligbank voor de televisie, boeken, muziek, dvd’s met films. Warm als haar ziel, een verlengstuk van haar zelf. Uit alles bleek haar levenskunst. Een op eigen welbevinden gerichte levenskunst. Tegelijk was Aa royaal voor anderen en narcistisch noch egocentrisch. Dat kan.

Aartje was één van die zeldzame mensen die genoeg had aan zichzelf. 

In de familie vieren we kerst altijd op kerstavond. Aa bleef dan wel slapen maar wou, na het ontbijt, op Eerste Kerstdag graag terug naar huis. ‘Wat ga je nu doen?’, vroeg ik toen ik haar thuis afzette. “Een boodschapje als de winkels open zijn en verder sluit ik me twee dagen op in mijn huisje. Heerlijk.” Aa had weinig met Kerst Inn.

Ze was wezenlijk zelfstandig. Waar was dat op gebaseerd? Rechtstreeks viel haar dat niet te vragen. Ze had een ommuurd tuintje diep in haar, waar zij zelf als enige toegang had. Ze had haar leven zorgvuldig opgebouwd. Moeilijkheden overwonnen. Ik denk dat haar geheim, en haar wijsheid was, dat als je A hebt, dat je dan ook niet B kunt hebben. 

Aa had geen kinderwens. Hoe vaak hebben we dat niet moeten uitleggen? Het voor haar moeten opnemen. Nee, Aa vond kinderen enig, verwende haar nichtjes en de kinderen van haar vrienden, maar vond het heerlijk als ze hen weer bij hun ouders kon achterlaten en alleen naar huis mocht. Ook de gedachte aan een minnaar, of minnares had geen bekoring voor haar. Hoe vaak hebben we niet gehoord: ‘En, heeft Aa al een vriendje?’ Oh, nee, is Aa lesbisch? Wat je je al niet moet laten welgevallen met kinderen die niet gaan voor huisje, boompje, beestje. We legden het uit en werden 9 van de 10 keer niet geloofd. Dat kan toch niet! Dat iemand én geen vriend én geen kinderen wilde en toch gelukkig is. Aa onthulde door haar levenswijze de intolerantie van onze cultuur tegenover afwijkend gedrag en de krankzinnige waardering van het moederschap.

Aa paste niet in het patroon. Maar leed daar niet onder. Ook dat moesten we er altijd bij zeggen: Ze is écht gelukkig. Aa was het alternatief. Wat kun je beter, mooier hebben dan zo’n prachtige, relativerende, zelfstandige dochter. We waren, en zijn buitengewoon trots op Aa. 

Maar Aa was geen heilige. Als ik haar ophaalde van Naarden Bussum, was ik, nog voor ik de twee haakse bochten om het station heen kunnen nemen, al volledig bijgepraat over in haar omgeving aangetroffen onrecht. Onrecht was er altijd. Aa zag het als een buizerd een veldmuis: van grote hoogte en met oog voor detail. Niet allen onrecht wekte trouwens haar verontwaardiging. Ook onbillijkheid, botheid, vleierij, menselijke lust, krenterigheid, vernedering en humeurigheid wonden haar op. Ze kon messcherp analyseren en zichzelf buiten schot plaatsen door haar verhalen met cynische humor te kruiden. Daardoor bleef ze altijd, hoewel zeer betrokken, buitenstaander. ‘Schrijf het op! Schrijf het in godsnaam op!, riep ik dan tegen haar. Aa grinnikte dan wat: Ik wist wel dat je dat zou zeggen. Deed het niet. Maar is de laatste tijd toch met haar ervaringen van de afgelopen jaren in de uitgeverij aan de slag gegaan. 

Al had ze haar twijfels. Uit integriteit en solidariteit. ‘Ik heb toch beloofd niets over het bedrijf naar buiten te brengen?’ “Als jouw baas zich daar bij anderen aan gehouden had, had hij de helft van zijn boeken niet kunnen uitgeven’, zei ik. Ja, zei ze, “hij zegt zelf altijd: Als je er maar boven zet dat de gebeurtenissen beschreven in dit boek niet berusten op feitelijkheid, kom je er via de vrijheid van meningsuiting wel weg mee.” Dan zet jij erboven: “De gebeurtenissen in dit boek zijn volstrekt ongeloofwaardig, maar berusten geheel op feitelijkheid”. Zo was ze aan de slag. En we zouden in mei en juni samen twee maanden naar Bonaire om te kijken of er wat van te maken viel. Daar verheugden we ons buitengewoon op. 

Ik zei al : Aa was geen heilige. Ze was voor je of tegen je. Had je haar hart, dan had je haar hart ook voorgoed. Maar ze had ook haar humeuren en een hele lijst van zaken en personen waar ze een hekel aan had. Die lijst liet zich lezen als een keizerlijk chinese encyclodedie. Met bovenaan de moedertjes met kinderbakfiets, die op grond van meegevoerd kindertal rekenen op verkeersimmuniteit, de toeristen bij het Anna Frank huis die de Gracht versperden, überhaupt toeristen, zeker als ze onverwacht de straat over steken, schrijvers die teruglopende verkoopcijfers compenseren met kapsones, journalisten en alle anderen die ooit een opmerking gemaakt hadden die bij Aa in het verkeerde keelgat gevallen was. Aa onthield alles, kon lachen als je haar er mee plaagde, maar gaf geen krimp. 

Aa’s ballotage was uitzonderlijk streng. Als ik hier rond kijk en mijn ogen over jullie laat heen gaan, vermoed ik dat Aa toch met een lichte frons naar, schat ik, een vijfde tot wellicht zelfs een kwart van de aanwezigen had gekeken. Zo lief en zacht als ze kon zijn, zo hard, ongemakkelijk en compromisloos was ze dan. 

Hoe zou dat komen? Ik denk dat, zoals ze zich in haar huisje met alleen prettige dingen omringde, dat ze dat ook zo wilde met de mensen om haar heen. In haar werk was dat soms moeilijk. Werken met en voor mensen die ze niet zag zitten, was niet haar sterkste punt. Daarom was ze ook opgelucht toen ze in juni ontslag nam en op eigen houtje verder ging. Ze leefde op. Er was iets van haar afgevallen. Al had ze goede jaren op haar werk gehad.

Veel mensen vragen ons: wat kunnen wij voor jullie doen? Een ding vooral kunnen jullie voor ons doen en dat is Aa recht te doen. Haar te gedenken als een bijzondere vrouw, die genoot van het leven, zich verbaasde over de absurditeit van de mensen en het leven zelf, er met humor en, soms cynisme, over kon praten. Als iemand met een groot vermogen om lief te hebben. 

Tegenover de dood staan we machteloos. Wat we wél kunnen doen is, ook na Aa’s dood,  betekenisvol te leven, te weigeren het leven te laten wegsijpelen in onbenulligheden. Rechtop te blijven. Rechtop, dat past bij Aa. Tegelijk: heerlijk om vandaag jullie steun te ervaren en straks op jullie steun te mogen rekenen. Reken in jullie verdriet ook op de steun van Vera en mij. 

Zo, zoals Aa, zo zelfstandig, zo sterk, maar ook zo grenzeloos verbonden met wie je lief hebt, zo kun je leven. Ach, wat hebben we van haar gehouden. Sterker dan de dood is de liefde. Sterker dan de dood is de wil om waardig en goed te leven. Moge de nagedachtenis van onze lieve, lieve Aartje ons allen daarbij tot zegen zijn.