Jan Greven

Het denken blijft doorgaan

Een onverstaanbaar college in Utrecht

milbank1

Professor Milbank zou komen en dat is bijzonder. John Milbank is een van de voormannen van de Radical Orthodoxy (RO). Een nieuwe theologische lijn die sinds de jaren negentig vanuit het Engelse Cambridge aan de weg timmert. RO wil aan de ene kant teruggrijpen naar de oude Christelijke kerk van de eerste eeuwen, en dan vooral naar Augustinus. Tegelijk neemt zij de huidige, postmoderne cultuur als uitgangspunt. Het resultaat is een mengeling van (post)modern en orthodox, waarbij je bij orthodox vooral moet denken aan de “orthodoxe” Geloofsbelijdenissen van de oude Kerk die vroeger achterin het Psalmboekje stonden (Twaalf artikelen van het Geloof en de Geloofsbelijdenissen van Nicea en Athanasius).
Milbanks komst was te danken aan de Protestantse Theologische Universiteit, die dominees opleidt voor de Protestantse Kerk Nederland (PKN). De Universiteit had hem uitgenodigd om op vrijdag 2 september j.l. in de Utrechts Janskerk het Academisch Jaar te openen. Paginagroot had Milbank de zaterdag voorafgaand aan zijn Utrechtse optreden in Trouw uitgelegd waar hij theologisch voor stond. De verslaggever was voor het interview helemaal naar Yorkshire gereisd. Goed idee! Ik begon enthousiast te lezen, las het interview nog eens en nog eens, maar kwam er niet uit. Wat Milbank nu precies voor ogen stond, ontsnapte me. Natuurlijk lag dat aan mij. Het ontbrak me klaarblijkelijk aan filosofische kennis en theologische diepgang om Milbank en zijn RO te begrijpen. Het liet me niet los. Ik bleef nieuwsgierig. In de eerste plaats naar de man en zijn Radicale Orthodoxie. Maar ook vanwege de uitnodiging. Wat voor punt wilde de Universiteit maken door juist hem uit te nodigen voor zo’n belangrijke gebeurtenis als de opening van het Academisch Jaar?

John MIlbank

John Milbank

Ik meldde me aan voor de plechtigheid en las in de dagen er voor zo veel mogelijk over RO en John Milbank. Vroeger zat je daarvoor een paar dagen op de bibliotheek. Nu hoef je je huis niet uit. Google kent John Milbank en zijn theologische beweging van haver tot gort. Wat ik vond, was interessant, al viel het me qua helderheid niet mee. RO vereist nogal wat voorkennis. Het gaat over postmoderde denkers als Foucault en Derrida, ook al niet de makkelijksten. Maar ook over uiteenlopende figuren als Augustinus en Nietzsche en Middeleeuwers als Thomas van Aquino en Duns Scotus. Het was intrigerend, maar wel ingewikkeld en ik voel me niet bekwaam hier even in het kort uiteen te zetten wat ik van die paar dagen studie heb opgestoken.

Vrijdag was ik ruim op tijd in Utrecht. Ik liep nog even door de stad waar ik heel lang niet geweest was. Vroeger kwam ik er vaak. Er kwam een onbestemd gevoel over me. Zoals je kunt hebben als je ergens komt waar je jaren niet geweest bent en ontdekt dat alles gewoon is door gegaan. Hoor je er nog wel? Het leek een beetje of ik mij zelf overleefd had. Misschien kwam dat gevoel ook op, omdat ik weer eens zou ondergedompeld worden in de theologische wetenschap. Iets dat me nu nog maar zelden overkomt, maar dat lang geleden mijn vak was. Ik had er zin in. De liturgische viering waarmee de Opening van het Academisch Jaar die middag was begonnen, was nog aan de gang, toen ik bij de kerk kwam. Muziek vulde de ruimte. Het koor zong prachtig.

De bijeenkomst zou om 16.00 uur beginnen, maar het was kwart over vier toen de stoet van hoogleraren voorafgegaan door de pedel door de kerk naar voren schreed. Voor mij allemaal nieuwe gezichten, en toch zag het geheel er heel vertrouwd uit. Of de tijd had stik gestaan en er niets veranderd was. Of ik keek naar dezelfde stoet als waar ik dertig, veertig jaar geleden naar had gekeken. Een zwarte rij van toga en baret, waarin de gezichten zo wit afstaken dat het leek of ze nooit in de zon kwamen. Toen. En nu. Alleen liep nu vooraan in de stoet, vlak achter de pedel een jonge vrouw in een rood jurkje dat haar goed stond. Ze keek stralend. Toch een verschil.

De kerk zat vol. Studenten, maar ook belangstellenden die op de lezing afgekomen waren. We werden welkom geheten. Uiteraard in het Nederlands. Ik kon het goed verstaan, al zat ik op de achterste rij, maar merkte al meteen dat de Janskerk een flinke nagalm had. Ik schatte zo’n anderhalve seconde. Ik begreep beter waarom die muziek zo prachtig geklonken had. In deze kerk klinkt alles gedragener. Sprekers ook. Tenminste als ze zich aanpassen en rust nemen om de zinnen gelegenheid te geven uit te rollen in de ruimte van de kerk. Zoals de zee golven de tijd geeft om een voor een uit te rollen op het strand. Doe je dat niet, ga je snel spreken, dan rollen de zinnen, niet anders dan golven, over elkaar heen en storten zich in een stroom van klanken over de toehoorders uit. Met als gevolg dat je af en toe een los woord hoort, maar dat het gissen blijft naar de zin waarin het woord zijn plek had.

Tot mijn schrik gebeurde dat al meteen bij het welkomstwoord van de decaan. Als ze wat sneller sprak, was het al gauw moeilijk te volgen. Als dat bij het Nederlands al zo was, hoe zou dat dan bij het Engels gaan? Ik begreep van de decaan dat John Milbank was uitgenodigd als een verlaat afscheidscadeau voor ds. Arjan Plaisier die in juni van dit jaar afscheid had genomen als secretaris van de PKN. Plaisier had de Universiteit graag laten kennis maken met Milbank. Zodoende. Het maakte me extra nieuwsgierig. Zou ik herkennen wat Plaisier zo had aangesproken?

Helaas, het antwoord er op moet ik schuldig blijven. Uit niets bleek dat professor Milbank iets verteld was over de akoestiek van de kerk en de problemen die dat oplevert voor het gesproken woord. Laat staan dat hij even met een geluidsregisseur geoefend had om uit te vinden hoe zijn woorden het best zouden overkomen. In de voordracht van zijn lezing was even weinig moderniteit als in de toga en baret van de stoet hoogleraren. Nadat hij het woord gekregen had, vouwde hij een stapeltje papier open en begon snel voor te lezen om binnen de hem toebedeelde tijd te uit te komen.

In het begin ben je welwillend en doe je je best te volgen wat een spreker zegt. Het zal toch niet aan je kennis van het Engels liggen dat je hem niet verstaat? Of aan mijn gehoor en de achterste rij? Bovendien, niemand stak zijn vinger op om te zeggen dat hij er te weinig van verstond. Begrijpelijk, wie wil nou in het openbaar het risico lopen als risée te worden weggezet in zo’n geleerd gezelschap omdat hij als enige een college in het Engels niet kan volgen? Maar het werd erger en erger. In het begin, klaarblijkelijk maakte hij een tochtje door de geschiedenis van de theologie, dook er nog af en toe een jaartal op dat je verstond en waaruit je kon afleiden dat hij waarschijnlijk over iets in de Middeleeuwen sprak. Maar geleidelijk aan verdwenen zelfs die bakens en was het enige woord dat herkenbaar op dook uit de zee van geluiden die over me heen spoelde, het woord “theology”.

Hoe lang blijf je luisteren naar iets waar je niets van verstaat? Ik heb het lang vol gehouden, maar vond het na een klein uur wel welletjes en ben weggegaan. Iedereen zat toen nog braaf te luisteren met als uitzondering twee mensen in de hal van de kerk, die er ook niets van hadden verstaan en maar met z’n tweeën waren gaan praten. Ik was blij met ze. Ik was de enige niet.

Vreemd allemaal. Heel vreemd. Je laat iemand van ver komen om iets te vertellen. Vervolgens huur je een kerk die heel geschikt is voor liturgie en muziek. Maar akoestisch totaal ongeschikt voor een moeilijke academische voordracht. Daar laat je iemand in een bovengemiddeld snel tempo een rede uitspreken die zelfs op papier (de rede staat op de Website van de Universiteit) al moeilijk te volgen is. Zonder ook maar een enkel modern hulpmiddel om door iets visueels ordening aan te brengen in wat anders een ondoorzichtig geheel blijft.

Misschien is dat wel de situatie van de theologie.

Het paradijs

hei&wei483

In het paradijs zijn geen bloemen. Bloemen raken uitgebloeid, verdorren. Dat past niet in een paradijs. Alles is daar eeuwig hetzelfde. Eeuwig groen. Niets verdort. De tijd staat er stil.

Op 5 juli ging het in de Gemeenteraad over het centrum van het oude dorp. Op tafel lag een stuk dat wethouder Boersen, die er over gaat, “nog maar een verhaal” noemde. Spijkers met koppen komen later. Om haar op weg te helpen gaf de Raad haar een paar wensen mee. Positieve wensen, zoals een klein marktje, maar wel zo dat het gras bij de muziektent er niet onder lijdt. Of minder obstakels voor voetgangers op het trottoir. Vooral bij Albert Heyn. Wat bankjes om op te verpozen. En nog wat terrassen. Vooral in de zon. Maar ook negatieve wensen zoals niet parkeren aan de rand van het Klarenbeekpark. En vooral geen onderzoek door de gemeente naar uitbreiding of verplaatsing van Albert Heyn. Als de ondernemer dat zelf wou doen, uitstekend. Maar de politiek moest zich er buiten houden.

Toen ik dat allemaal zo hoorde, dacht ik aan het paradijs. Aan Blaricum als het paradijs. Eeuwig hetzelfde. Huiver om ook maar iets te veranderen. Hoogstens een bankje of een piepklein marktje dat het gras niet aantast. Maar verder niets. Helaas, aardse paradijzen zijn nooit eeuwig. Op aarde zijn wél bloemen die uitgebloeid raken. Geen schoonheid zonder vergankelijkheid. Wat doe je er tegen? Op zeker moment moet je beslissen. Beslissen betekent veranderen en dan ben je het paradijs al uit. In het paradijs verandert nooit iets.

Wat gaat wethouder Boersen doen? Gaat ze porren in het paradijs? Of zal ze, afgezien van een marktje en een verpoosbankje helemaal niets of zo weinig doen dat het niet opvalt? Dat laatste zal lastig zijn want er wringt iets. Dat het in ons dorp zo prettig is, zo levendig in de juiste maat, dat je er altijd wel bekenden tegenkomt (“Raad eens wie ik tegen kwam bij Albert Heyn?”) komt door de dagelijkse boodschappen. De winkel van Albert Heyn is de ziel van het dorp. Met in zijn kielzog de andere winkels: de IJzerhandel, Altijd Bloemen, Stut, Rémy, de Drogisterij. Wassenaar, de Groenteboer, de Visboer enz. En dan heb ik de horeca nog niet eens genoemd. Zelfs in het ooit zo katholieke Blaricum heeft de markt de kerk verdrongen. Het hart van ons paradijs is commercieel.

Erg? Welnee. Als je het maar beseft. Want de markt is de tegenpool van het paradijs. In het paradijs mag niets veranderen. De markt moet zich permanent aanpassen. In het paradijs hoef je niet te werken. In de markt moet je steeds op je qui-vive zijn, je aanpassen, meebewegen met de klanten. Ons zo gekoesterde dorpsgevoel drijft op ondernemerschap. Maar zeg dat nooit hardop! Laat de mythe bestaan dat we wonen in een dorp dat zijn identiteit in een door de markt beheerste samenleving heeft bewaard als ooit het dorp van Asterix en Obelisk. Ik ben benieuwd naar de spijkers met koppen van wethouder Boersen.

Over Luther, de geschiedenis van het kamp Buchenwald, boekdrukkunst en internet,

luther 1

Luther spijkert zijn stellingen aan de Wittenbergse Slotkapel

In Lutherstad Wittenberg maken ze er werk van. Begrijpelijk. Volgend jaar is het daar groot feest. Op 31 oktober 2017 is het op de kop af vijfhonderd jaar geleden dat Luther zijn stellingen tegen de Aflaatpraktijken van Paus en Kerk tegen de deur van de Slotkerk spijkerde. En al wordt er steeds meer betwijfeld of Luther ook daadwerkelijk met hamer en spijkers in de weer geweest is, die deur is nog steeds een trekpleister van jewelste, zij het dat daar op het ogenblik een hek om heen staat. Met het oog op de komende feestelijkheden wordt de kerk grondig gerestaureerd en is maar één uur per dag open voor een rondleiding met gids. We deden zo’n rondleiding en kregen een stortvloed van historische feiten en feitjes over de Slotkerk over ons heen. Te veel, veel te veel.
Erg was dat niet, want terwijl de gids ons het ene na het andere detail voorzette, kon je rustig rondkijken. Het licht viel binnen door glas in lood ramen met in die ramen de stadswapens van steden die in de zestiende eeuw overgingen naar het Protestantisme. De steden, en niet Paus, bisschoppen of heiligen, als dragers van het nieuwe geloof. Het protestantisme was, en is, het geloof van burgers. In de Wittenbergse ramen vertegenwoordigd door hun stadsbestuurders. Burgers die zich er dankzij Luther van bewust waren geworden dat ze zelf wensten te bepalen wat ze qua geloof acceptabel vonden en wat niet. Bij die bewustwording had de Kerk in de persoon van Paus en Curie, een behoorlijk handje geholpen. Geldnood van de Paus, veroorzaakt door uit de hand gelopen kosten voor de bouw van de Sint Pieter, had geleid tot een zacht gezegd onorthodoxe aanpak van zondenvergeving en toegang tot hemel en eeuwig leven. “Als het geld in het kistje klinkt, zieltje in de hemel springt”, hield de Dominicaanse Predikheer Johan Tetzel in Luthers onmiddellijke omgeving zijn hoorders voor. Alles was te koop. Het geloof verworden tot ruilmiddel. Luthers stellingen waren de katalysator van de onvrede daarover.

En toch zou het met die stellingen niets geworden zijn, als de boekdrukkunst niet kort er voor was uitgevonden. Een uitvinding van doorslaggevend belang voor de geschiedenis van de Kerk, voor de geschiedenis van Europa en zeker voor de geschiedenis van Duitsland. Dankzij de nieuwe boekdrukkunst waren de stellingen van Luther al rond de jaarwisseling van 1517/1518, dus nauwelijks twee maanden na de Wittenbergse hamerslagen, verkrijgbaar in Bazel, Neurenberg en Leipzig. Daarna ging het snel. Overrompelend snel. Vooral voor Paus en Keizer. Het zou niet de eerste keer zijn dat machthebbers de macht van nieuwe media volledig verkeerd inschatten.

Een week na Wittenberg was ik in Weimar. Stad van Goethe en cultuur. Maar, zoals vaker in Duitsland: weinig is wat het lijkt. Tien kilometer van Weimar met al die hoog verheven, prachtige Duitse cultuur, ligt het voormalig concentratiekamp Buchenwald. Gebouwd in 1936. Bevrijd in 1945. Na de oorlog als Speziallager Nr. 2 voor politieke tegenstanders in de Russische Bezettingszone onveranderd concentratiekamp gebleven. Zevenduizend slachtoffers tussen 1945 en 1950, bovenop de vijftigduizend die er stierven in de Nazitijd tussen 1936 en 1945.
Speziallager Nr. 2 werd opgeheven bij de oprichting van de DDR in 1950. De zorg voor het ontruimde kamp, een lieu de memoire als weinig andere, kwam bij de Duitse communisten en die zijn niet zuinig omgesprongen met wat er van het kamp over was aan barakken en plekken van verschrikking. In 1991, toen de DDR opging in het nieuwe Duitsland, waren alle barakken gesloopt. Alleen het poortgebouw stond er nog. Met de klok die stilstaat op kwart over drie, het tijdstip dat het kamp bevrijd werd. En het crematorium. Dat is er ook nog. Maar van de barakken rest alleen de plek waar ze ooit stonden. Gemarkeerd als een rechthoek met losse stenen en een nummer, zodat je kunt zien welke barak er stond. Aan de randen van de rechthoek een laag stenen muurtje met daarop hier en daar een steen als herinnering aan iemand die daar ooit stierf. Een van de 50.000.

Dat poortgebouw en crematorium gespaard bleven, had speciale redenen. In het crematorium was de voorzitter van de vooroorlogse Kommunistische Partei Deutschland (KPD) Ernst Thälmann op persoonlijk bevel van Adolf Hitler in 1944 vermoord. De stilstaande klok in het poortgebouw verwijst naar het tijdstip dat de illegale KPD kampleiding de leiding van het kamp veroverde op de SS. Beide gebouwen waren van te veel belang voor de geschiedenis van de KPD om te slopen. Een DDR-besluit om het terrein na sloop van de barakken te herbebossen, zodat er niets meer zou zijn dat aan het kamp zou herinneren, is nooit uitgevoerd. Kennelijk was dat toch een brug te ver.

Een paar kilometer van het oorspronkelijke kamp staat, verscholen in de bossen, een gebouwtje met daarin een permanente tentoonstelling over Die Geschichte der Gedenkstätte Buchenwald. Een vriend had me geadviseerd daar vooral naar te gaan kijken en hij had helemaal gelijk. Zelfs na de schok van het bezoek aan het voormalige concentratiekamp was het een schokkende tentoonstelling.
Je las hoe zich direct na de oorlog een internationaal Buchenwald-comité vormde om de herinnering aan het kamp levend te houden. Het comité bestond uit prominente ex-gevangenen, zowel communisten als niet-communisten. Met dat comité is het gegaan zoals in meer comité’s van ex-concentratiekampgevangenen, ook in ons land: de communisten hebben de niet-communisten er geleidelijk aan uit gewerkt.

In het Buchenwald-comité hadden ze dat binnen een paar jaar voor elkaar en toen dat eenmaal zo ver was, werd de geschiedenis van het kamp in communistische zin herschreven. Er kwam een onderscheid tussen Opfer des Fachismus en Kämpfer gegen den Fachismus. De slachtoffers waren joden, zigeuners, jehovagetuigen, homo’s. De strijders waren degenen die in het kamp beland waren na daadwerkelijk verzet en die dat verzet in het kamp voortzetten: de communisten. Er kwam een rangorde : eerst de Kämpfer, daarna de Opfer.

luther 2

Steenreliëf Mahnmal Buchenwald. Zie linksboven de gevangene achter de tralies die een aan zijn armen opgehangen medegevangene een stuk brood toe stopt achter de rug van de SS bewaker om.

In de Buchenwald-herdenking draaide het steeds exclusiever om het communistisch verzet in het kamp. In 1958 kwam er een reusachtig gedenkteken, een Mahnmal, een paar kilometer van het oorspronkelijke kamp dat helemaal om dat verzet draaide. Er kwam een grote toren, een beeldengroep die het verzet uitbeeldde, verschillende in realistisch, socialistische stijl uitgevoerde in steen gehouwen reliëfs waarin het verzet tot uitdrukking werd gebracht en een brede lange trap, uitlopend in een amfitheater waar men bijeen kon komen bij herdenkingen.

luther 4

Beeldengroep Mahnmal Buchenwald

De bedoeling was dat het “Mahnmal”, en niet het oorspronkelijke kamp, de plek van herdenking zou worden. Dat je, als je naar Buchenwald ging, niet naar de restanten van het Kamp ging, maar naar het Mahnmal, waar niet de Opfer, maar de Kämpfer centraal stonden. Waar het niet in de eerste en laatste plaats ging over de gruwelijkheden van de nazi’s en het lijden van al die honderdduizenden gevangenen, laat staan over de naoorlogse gruwelijkheden van de Russen (7000 doden), maar over het communistisch verzet.

luther 3

Waarschuwing tegen fouten in de constructie.

Die hele opzet is sinds de hereniging van Duitsland op 3 oktober 1990 totaal veranderd. Alle nadruk ligt nu weer op het Kamp. Er wordt nog wel naar het Mahnmal verwezen, maar je moet er naar zoeken en als je de toegang gevonden hebt, word je gewaarschuwd. Op het eerste gezicht, zo lees je (zie afb.) zien het Mahnmal, de toren, de trappen, het beton er allemaal nog behoorlijk uit. In werkelijkheid zit er betonrot in het beton en heeft het monument dringend behoefte aan renovatie omdat er bij de bouw verschillende fouten gemaakt zijn. Ze worden allemaal opgesomd, van slechte waterafvoer tot verkeerde aanleg van de trappen waardoor de stenen los zitten. Aldus gewaarschuwd kun je dan het monument betreden. Maar je verbaast je. Zelfs al dat gezamenlijk lijden en sterven bracht geen saamhorigheid in het herdenken, maar verbitterde strijd over de eerste plaats met de ‘slachtoffers’ als (opnieuw) verliezers.
Op de nadering van de Amerikanen, aldus de Spaans/Franse schrijver Jorge Semprun die twee jaar in Buchenwald doorbracht, was de SS gevlucht. Op 11 april 1945 arriveerde het zesde Pantserregiment van het Derde Amerikaanse leger. Kort daarvoor had het communistische kampverzet de overgebleven SS’ers verdreven. In de officiële communistische geschiedschrijving vind je van de Amerikaanse bevrijding heel weinig terug. Het kamp lijkt bevrijd door het communistisch verzet.
Op de tentoonstelling trof me het verhaal van Ernst Busse. Busse was al sinds de oprichting van de KPD in 1919 lid van de Partij. In 1933, direct na de machtsovername van Hitler, werd hij gearresteerd en na drie jaar eenzame opsluiting in 1936 naar het nieuw te bouwen concentratiekamp Buchenwald getransporteerd. Daar blijft hij tot de bevrijding. In Buchenwald is hij lid van het illegale KPD leiding van het kamp. Op het laatst als Kapo van het Krankenrevier voor de zieken. Na de oorlog krijgt hij verschillende functies. Hij is vice minister president van de deelstaat Thüringen en later onderminister van Landbouw in Berlijn.

In 1950 wordt hij “op grond van verklaringen van vroegere medegevangenen” door de Russen tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld en in 1951 in de Gulag van de Stalinistische tijd gestuurd. In augustus 1952 wordt hij in het Sonderlager 6 van het gulagkamp Workuta aan de IJszee door de Russen doodgeschoten.

luther 5

Ernst Busse

Het schokt me. Negen jaar Buchenwald en dan door de Russen tot levenslang veroordeeld, opnieuw het concentratiekamp ingestuurd en geëxecuteerd? En dat “op grond van verklaringen van medegevangenen”? Wat zouden ze verklaard hebben? Dat Busse afweek van de partijlijn? Dat hij twijfelde aan het communisme?
De zaak laat me niet los en als ik thuis ben zoek ik op Google naar Ernst Busse en vind daar het hele verhaal. Direct na de bevrijding was er niets aan de hand met Busse. Wel waren er geruchten dat hij te nauw met de SS zou hebben samengewerkt. Ook zijn politieke carrière liep, nadat hij minister van Binnenlandse Zaken van de deelstaat Thüringen was geweest, niet voorspoedig. Hij bracht het tenslotte tot vierde minister van Landbouw in Berlijn. Dat het tenslotte helemaal verkeerd liep, kwam doordat de Russen een andere visie op zijn rol in het kamp moeten hebben gehad dan zijn Duitse partijgenoten. Die laatsten hebben na de oorlog ook zelf onderzoek gedaan naar de toestanden in de kampen en in het bijzonder naar mogelijke collaboratie tussen communistische en andere kapo’s (allen gevangenen) met de SS. Wat ze vonden is nooit bekend gemaakt. Tot bij de Duitse hereniging in 1990 de archieven opengingen en er in 1994 onder redactie van de historicus Lutz Niethammer een boek met documenten en een inleiding verscheen met de titel “Der gesäuberte Antifaschismus”, Die SED und die roten Kapos von Buchenwald.
Ernst Busse kwam daar niet brandschoon uit. Als kapo van de ziekenboeg zou hij over leven en dood beslist hebben. En zelf mensen „abgespritzt“, met een injectie gedood, hebben. Ook zou hij verantwoordelijk zijn voor de dood van een Sovjet officier en voor de dood van een Russische medecommunist. Bovendien zou hij gebruik hebben mogen maken van een sinds 1943 bij het kamp horend SS-bordeel.

De publicatie van Niethammer lokte in 1994 een forse Historikerstreit in Duitsland uit. Hoe bewaar je je integriteit in een misdadige regime? Kun je daar overleven zonder vuile handen te maken en valt dat mensen te verwijten? De discussie werd getoonzet door de Thüringse editie van het schandaalblad BILD dat zijn mening al klaar had en in een voorpublicatie schreef over een moordzuchtige samenwerking („eine mörderische Kumpanei“) tussen fascisten en communisten in Buchenwald.
Toen ik dat allemaal thuis achter mijn computer las, bedacht ik hoe enorm onze situatie is veranderd door Internet. Dat die gedachte bij me op kwam, kwam door mijn ervaring in Wittenberg met die Luther-stellingen die al drie maanden later honderden kilometers verder te verkrijgen waren. Er loopt een rechtstreekse lijn van het protestantisme naar de boekdrukkunst. Maar intussen heeft Internet voor een belangrijk deel de plaats van de boekdrukkunst over genomen. Zonder Internet, met alleen de boekdrukkunst, zou het na mijn bezoek aan Buchenwald gebleven zijn bij de opvatting die zich bij mij gevormd had, toen ik daar op die tentoonstelling las over Ernst Busse. Ik beschouwde Busse spontaan als een dissident die was gaan twijfelen aan het communisme, over die twijfel had gepraat tegen zijn communistische medegevangenen, wat hem in de bloedige Stalintijd van na de oorlog fataal was geworden. Aan de mogelijkheid van een foute Kapo had ik niet gedacht. Mijn standpunt zou helder geweest zijn, maar wel fout.

Nu kon ik via Internet alles uitzoeken. Zelfs had ik rechtstreeks toegang kunnen krijgen tot de documenten die Niethammer in 1994 publiceerde. Ik hoefde Niethammes boek daar niet meer voor aan te schaffen. Busse’s medegevangenen hadden hem beschuldigd van collaboratie met de SS en medeplichtigheid, of zelfs meer, aan moord. Ik werd een discussie ingezogen over een grijs gebied in een wereld waar zwart en wit messcherp van elkaar te onderscheiden leken te zijn. Een discussie over schuld, verantwoordelijkheid en moed. Busse werd in 1990 (na de val van de Muur) gerehabiliteerd; hij zou slachtoffer zijn geweest van een machtsstrijd tussen de kameraden die de oorlog in ballingschap in Moskou hadden doorgebracht, zoals partijleider en latere president van de DDR Walter Ulbricht, en partijgenoten die hadden overleefd in de concentratiekampen. De Russen hebben hem nooit gerehabiliteerd.

Een boek leidt tot een standpunt. Je bent het eens met de schrijver of niet. Internet leidt tot overwegingen. Je zit bij wijze van spreken in een zaal en laat de verschillende getuigen voor je optreden. Als was je regisseur en onderzoeker tegelijk. Je oordeelt minder snel. Je denkt anders.

Als dat consequenties heeft voor mijn denken over “Buchenwald”, heeft dat dan ook consequenties voor mijn geloof aan wat Luther in zijn stellingen aan de orde stelt? De vraag stellen, is haar beantwoorden : ja, dus.

De grote verdamping

Carel ter Linden, ooit geliefd en gerespecteerd predikant van de Haagse Kloosterkerk, gelooft niet meer in een persoonlijke God. God is bij hem geëvolueerd tot een ethisch appel, een “innerlijk ervaren, beslissend appèl tot verantwoordelijk mens zijn”. Een paar jaar geleden beschreef hij deze omslag in zijn geloof. Sommigen ervoeren het als een bevrijding. Voor anderen was het een koude douche.

Zou jongere broer Nico (verder Ter Linden), ooit predikant van de Amsterdamse Westerkerk, ook gerespecteerd, ook geliefd, aan zijn Haagse broer gedacht hebben toen hij schreef dat “geloven op een hoog abstractieniveau” hem niet gegeven is en dat hij zich God daarom “onbekommerd als een persoon voorstelt”? Ter Linden schrijft dat in een onlangs verschenen boekje waarin hij mijmert over wat is gebleven van zijn geloof. Ook zijn geloof is, net als dat van broer, anders geworden. Ook bij hem is God verschoven. Zij het niet richting abstractie, zoals bij broer Carel. Maar richting Israël.

Meer en meer heeft hij oog gekregen voor de rol die God als bevrijder speelt in de verhalen van Israël. God bevrijdt van afgoden. Toen, in het land Kanaän. Nu, in ons eigen “platland”. De kerk, voor Ter Linden een vertelgemeenscha waarin het draait om verhalen van bevrijding, zou moeten voorgaan op het pad naar de vrijheid. Helaas komt daar niet veel van terecht. Ter Linden is voorzichtig in zijn kritiek op de kerk, maar ervaart er wel een gebrek aan diepgang. Aan kennis ook. Kennis van vooral het Hebreeuws als de taal om God te verstaan. En misschien ook aan liefde. Liefde voor de verhalen. En liefde voor de mensen voor wie de verhalen bestemd zijn.

Het heeft even geduurd, schrijft Ter Linden, voordat het tot hem doordrong dat God voor alles de bevrijder is. Ik herken dat. Ook ik heb God indertijd geleidelijk aan ontdekt als een vrijheid brengende tegenkracht. Als een God die was te vinden in bevrijdingsbewegingen. In Afrika. In Latijns Amerika. Maar ook in het eigen bestaan, voor wie zich losmaakte van oude structuren en opstond tot een bevrijd leven. Amerikaanse theologen als Paul van Buuren (The secular meaning of the Gospel) en Harvey Cox gingen voor op dat pad. Net als Duitse theologen als Jürgen Moltmann (Die erste  reigelässenen der Schöpfung), Helmut Gollwitzer en Rudolf Bultmann.

De ontdekking van God als Bevrijder paste bij de tijd waarin Ter Linden en ik die ontdekking deden. Het waren de jaren zestig van de vorige eeuw. We dronken de religieuze variant in van de oproep tot vrijheid die toen overal te horen was. Maar het is wel een ontdekking van toen. Van die tijd. Een tijd waarin er nog heel wat te bevrijden viel. Waarin oude vaak nog vooroorlogse structuren de dienst uit maakten. Politiek, ethisch, kerkelijk. Nu, een halve eeuw later is dat verleden tijd. Het werk is gedaan. Er heeft een massale ontvoogding plaats gevonden.

Er spelen andere vragen. “Alles Ständiges und Stehende verdampft, alles Heilige wird entweiht” (Alles wat duurt, alles wat staat verdampt, al het heilige wordt ontwijd) , schrijven Marx en Engels in het Manifest van de Communistische Partij van 1848. Marx en Engels hebben het toen goed gezien. Het kapitalisme bracht, en brengt nog, grote verdamping. Bevrijd, los gemaakt is er genoeg. Maar is er nog binding? Is er nog gemeenschap? Is er nog verantwoordelijkheid voor de publieke zaak? Wat telt nog, behalve eigenbelang? Wat telt nog, behalve geld?

Geloven in deze tijd is nadenken over God in een tijd van verdamping. Dat betekent dat God andere accenten krijgt dan een halve eeuw geleden toen Hij ons voor ging op het pad van bevrijding. Hoe ik die andere accenten zie, kan ik het best vertellen aan de hand van een Midrash verhaal over de zonen van Jacob die terugkeren uit Egypte en hun oude vader Jacob, die al tweeëntwintig jaar rouwt om zijn zoon Jozef, moeten vertellen dat Jozef nog leeft. Ze zijn bang dat zijn hart het begeeft als ze hem dat zo rechtstreeks vertellen. De oplossing wordt gevonden door een lied dat gezongen wordt door de dochter van Aser, een van Jacobs zonen. Ze heet Serah. Ze wacht tot Jacob bidt en als hij zo staat voor zijn God, zingt ze hem toe : “Jozef leeft, in Egypte, twee zonen zijn hem geboren, Manasse en Efraïm.” Een lied hoeft niet waar te zijn. Zo bereidt het meisje haar grootvader voor op de waarheid. Zonder dat zijn hart breekt.

Is er toch nog iets dat heilig is en niet ontwijd wordt, dat overeind blijft in de verdamping? Soms is er iets van een mogelijkheid. Een vergezicht. Opgeroepen door een gedicht. Door muziek, een lied. Door zo’n prachtig verhaal uit de Bijbel of de Midrash. Het hoeft niet waar te zijn. Sterker nog, het is niet waar volgend de regels van de rationaliteit. Het waait ons toe. Het overkomt ons. Als een mystieke ervaring waarin Gods aanwezigheid wordt ervaren. Zoals je het parfum ruikt van iemand die juist voorbij gegaan is.

Nico ter Linden, En dan nog dit. Wandelen met God. Uitgeverij Balans.

Een wolk in de woestijn

jewsandwords

Ik denk veel over religie de laatste tijd. Zo velen hebben religie de deur uit gedaan. Ik niet. Maar wat hebben ze de deur uit gedaan? En wat heb ik gehouden? Een bepaalde, christelijke visie op leven en dood? Een pakket geloofsartikelen? De gewoonte om op zondagmorgen naar de kerk te gaan? Verbondenheid met medegelovigen? Hoewel hun situatie heel anders is dan de mijne, heeft het boek dat de Israëlische schrijver Amos Oz samen met zijn dochter Fania Oz-Salzberger schreef over joods zijn mij behoorlijk geholpen in mijn denken over die vragen.

Aan het begin van hun boek stellen Amos en Fania zich aan de lezer voor als seculier joodse Israëli’s met hebreeuws als moedertaal. Hun hele leven lezen ze al hebreeuwse en niet-hebreeuwse joodse teksten. Toch zit er geen splinter aan religiositeit in hun lijf. Ze geloven niet in God. Bovendien leven ze in een cultureel klimaat waarin het citeren van bijbelteksten, het verwijzen naar de uitleg in Midrash en Talmoed, en zelfs interesse in het joods verleden meer en meer geclaimd worden door de orthodoxie. En daardoor meer en meer politiek gemotiveerd. Op zijn best iets van vroeger, op zijn slechtst een teken van nationalisme, eigenwaan en triomfalisme. Als reactie op dat claimen door de orthodoxie, distantieert de seculier liberale stroming, waar zij zich toe rekenen, zich steeds meer van “typisch joods”. Met als gevolg dat “joods” steeds meer gaat samenvallen “orthodox”. Niet heel verschillend met de situatie in ons land waarin “christelijk” steeds meer gelijkgesteld wordt met “streng christelijk”.

Vader en dochter Oz verzetten zich tegen die distantiëring. Ze weten dat het Westers secularisme de bijbel beschouwt als een achterlijk boek en de christelijke traditie als “hoogstens iets van het verleden” heeft afgeschreven. Het Joods secularisme daarentegen moet volgens hen de Hebreeuwse bijbel onveranderd omarmen als een schitterende schepping van de menselijke geest. Voor honderd procent de moeite waard als leidraad bij het zoeken naar antwoorden op levensvragen. Zoeken vinden ze trouwens belangrijker dan de antwoorden.. Antwoorden kunnen weliswaar zorgen voor een gerust hart, maar je levert je vrijheid er voor in. Antwoorden zijn vaak valkuilen, schrijven ze.

Ergens tussen de terugkeer uit Babylonische ballingschap in de zesde eeuw voor Christus en de verwoesting van de tweede tempel door de Romeinen in het jaar Zeventig van de christelijke jaartelling heeft het Boek, de Hebreeuwse bijbel, in het joodse denken een centrale plaats gekregen. Jood zijn is sinds die tijd verbonden met de woorden van het Boek. Al heel jong leren joodse jongens en meisjes de letters van het hebreeuwse alfabet, oefenen ze in hardop voorlezen, studeren ze de uitleg in Midrash en Talmoed. Joodse continuïteit zit niet in bloedlijnen of chromosomen. Niet in God of in Gods leiding van Israël door de eeuwen heen. Nee, de continuïteit zit in het Boek, in woorden. Woorden die één voor één bestudeerd, op de tong geproefd worden. God is één van die woorden. Niet meer en niet minder. Aldus Amoz en Fania Oz.

Op het omslag van het boek staat een foto van twee stoelen. Een grote en een kleine. De grote voor de vader. De kleine voor het kind. Naast elkaar. Met op de leuning van de grote stoel een opengeslagen boek. Studeren op het Woord. Kern van de relatie tussen een joodse vader en zijn kind, is dat de vader de kennis van het Woord overdraagt. Zoals een leraar zijn kennis overdraagt op een leerling. De familieband is een band van het Woord.

Joden, zeggen vader en dochter Oz, zijn mensen die aan de oever van de rivier staan en stroomopwaarts kijken. Naar waar de rivier vandaan komt. Naar waar de rivier al geweest is. Door daar naar te kijken, door te kijken naar het verleden, proberen ze te begrijpen hoe te sturen in het stroomgebied stroomafwaarts. In de toekomst die ze nog niet kennen. Ze vergelijken het menselijk leven met zijn onvoorspelbare toekomst met het rijden in een auto met een voorruit van matglas met achteruitkijkspiegels om iets van oriëntatie te hebben. Om woorden en om kinderen.. Daar draait het om. Bij seculiere niet anders dan bij religieuze joden. Samen zoeken naar de Wet, naar wat goed is in het leven. Bij die zoektocht geholpen door een onafzienbare rij voorgangers die net zo zochten, uitlegden, vonden. Altijd is het op die manier gegaan. Al in de bijbel zelf. Ze noemen het verhaal van de dochters van Selofchad. Ik kende het niet. Ik denk omdat in mijn traditie de bijbel meer wordt gelezen met oog op antwoorden dan om te helpen bij vragen. Het staat in het bijbelboek Numeri hoofdstuk 27 en speelt zich af als bij de in bezitname van het beloofde land alle manlijke leden van de families die veertig jaar door de woestijn getrokken zijn een stuk grond krijgen. Bij die verdeling wordt de familie van Selofchad uit de stam van Manasse overgeslagen, want Selofchad, die in de woestijn gestorven is, liet ‘slechts’ vijf dochters na. Die vijf, Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa, accepteerden die discriminatie niet en protesteren bij Mozes, de priester Eleazar, de leiders en het hele volk. Waarom zouden zij als Selofchads nakomelingen geen stuk grond krijgen terwijl hun vader wel de hele tocht door de woestijn had meegemaakt? Mozes, die er ook niet uit komt, legt de zaak voor aan God. En God gaat om. “De dochters van Selofchad hebben gelijk”, zegt hij tegen Mozes en voegt daaraan toe: “ En zeg tegen de Israëlieten : Wanneer iemand sterft zonder zoon, moet zijn bezit overgaan op zijn dochter.” Zo is meteen het erfrecht geregeld door God die in dit verhaal optreedt als wetgever tegenover het volk Israël dat je in dit verband kunt beschrijven als een jurisprudentie producerende gemeenschap. Of als een politieke en wettelijke beschaving. En dat is wat anders dan een volk met dezelfde religie. In het verhaal van Numeri 27 gaat het om een kwestie van erfrecht. Er zijn ook andere kwesties om je het hoofd over te breken. Over wat betekenisvol leven is, bijvoorbeeld. Of over hoe  verdriet te boven gekomen kan worden. Of, nu al die vluchtelingen er zijn, om de vraag hoever ik me het lot van anderen moet aantrekken. Al die vragen hebben te maken met die diepste vraag wie ik uiteindelijk zelf ben.

Bij hun zoeken naar antwoord op die vragen laten Amoz en Fania Oz zich helpen door hun traditie. Door de woorden. In de Hebreeuwse bijbel. In Midrash en Talmoed. Ik herken hun vragen. Hun aanpak stelt me voor de vraag in hoeverre mijn, christelijke, traditie mij helpt bij het zoeken naar de antwoorden op mijn vragen. Soms lijkt het of ik me van mijn traditie moet ontdoen omdat ze me voor de voeten loopt met antwoorden nog voor ik de vraag goed en wel geformuleerd heb. Hoewel hun orthodoxie daar waarschijnlijk anders over denkt, is de joodse traditie zoals Amoz Os en zijn dochter die lezen, minder stellig.

Zoekend, tastend zoeken ze erin hun weg. Het is de traditie van de dochters van Selofchad, maar ook van helden als Mozes en David, en van een God, die soms net zo op zoek is als wij. Een weg met markeringen op een zoektocht zonder einde. Religieus of niet religieus Amoz en Fania Oz voelen zich deel van een Volk. Het Volk van Israël, dat zijn bestaan dankt aan een Boek, aan woorden. Bij mij ligt dat anders. Als ik me verbonden voel, is dat omdat ik me herken in de vragen die in mijn traditie gesteld zijn en de antwoorden die daar al zoekend op geformuleerd werden. Zo kan er een gevoel van verwantschap ontstaan. Kán. In de loop van de jaren ben ik voorzichtiger met die verwantschap geworden. Zo vaak leidt groepsvorming tot claimgedrag. Claims op waarheid. Claims op hoe het moet. Alsof eeuwigheid in beheer gegeven is. Als ik dat laatste merk, stap ik op, ga alleen verder en kijk: mijn traditie gaat met me mee. Minder concreet dan een Boek. Meer als een wolk in de woestijn.

Amos Oz and Fania Oz-Salzberger, jewsandwords.

Yale University Press

Een halve eeuw Kandidaat

classisAlmelo19660001

Op zes januari 1966 schreef ik bovenstaande brief aan de weleerwaarde heer ds. Boelens. Boelens was toen behalve gereformeerd predikant te Delden, ook scriba (secretaris) van de classis Almelo van de Gereformeerde Kerken. In mijn brief noemde ik Boelens trouwens scriba noch secretaris, maar ab-actis. Waarmee ik aangaf nog geheel in de studentikoze traditie te staan, waar een secretaris onveranderd abactis genoemd wordt, terwijl de secretaris in de kerk nooit anders dan als scriba wordt aangeduid.

Ik vroeg Boelens of hij het punt Preparatoir examen J. Greven wilde agenderen voor de eerstvolgende vergadering van de classis. Merkwaardigerwijze, maar misschien was dat in het vooroverleg al ter sprake gekomen, schreef ik er niet bij dat ik op 17 december van het jaar daarvoor mijn kandidaatsexamen theologie gedaan had en dat ik me daarmee voor dat examen bij de classis gekwalificeerd had.

Wel schreef ik dat ik inmiddels al diverse voorbereidingen had getroffen. Voor het vak Nieuwe Testament zou ik de eerste twee hoofdstukken van de Brief van Paulus aan de Galaten bestuderen waarover de predikant Berkhoff me aan de tand zou voelen. De Almelose predikant ds. G. Smeenk had me een paar hoofdstukken uit de dogmatiek opgegeven. En ik had een proefpreek voorbereid over Prediker 3 : 1 – 15 en 2 Petrus 3 : 1- 16.

Het antwoord van ds. Boelens heb ik niet meer. Wel een handgeschreven brief van hem, gedateerd 26 januari 1966, waarin voorzitter, scriba en assessor van de classis verklaren dat de eerwaarde heer J. Greven te Almelo op die dag met gunstig gevolg preparatoir is geëxamineerd. De envelop heeft geen postzegel en als adres alleen Eerw. Heer J. Greven, Almelo. Ik had de brief na het examen meteen meegekregen.

Van het examen herinner ik me vooral de sfeer. Iets van gewichtig, maar vriendelijk en ontspannen. Letterlijk bijgebleven is me alleen het gesprek met mijn ‘eigen’ Almelose predikanten Smeenk en Vogelaar over mijn motivatie voor het predikantschap. Ik kende ze eigenlijk alleen van de kansel waar ik op zondag onder hun gehoor zat. Het waren geen kanseltijgers. Ze waren vergrijsd in het predikantschap en ik denk dat het ze niet makkelijk afging. Maar ze wisten wel waar het over ging. “Houd je van mensen?”, vroeg Smeenk. Achteraf bezien de enige relevante vraag voor zo’n examen.

Met beide examens,  kandidaats en preparatoir, op zak, kon je dominee worden. Plechtig gezegd was ik op vierentwintigjarige leeftijd kandidaat geworden voor de Heilige Dienst en om de kerken gelegenheid te geven met me kennis te maken, mocht ik als “kandidaat” voorgaan in kerkdiensten. Zo werd ik ook aangekondigd: “Vanmorgen gaat bij ons voor kandidaat J. Greven.” Ambtelijk handelingen als dopen, avondmaal bedienen of de zegen aan het begin en het einde van een kerkdienst, mochten niet. Een dienst leiden wel. En zo is het gebleven. Tot de dag van vandaag. Nooit de stap naar het ambt gezet. Een halve eeuw Kandidaat.

De Haagse Vreeswijkstraat

In memoriam Gert Peelen (1947-2015)

vreeswijkstraat

Negen maanden voor zijn overlijden vroeg Gert Peelen mij te spreken bij zijn afscheid. “Jij bent nog de enige die alles heeft meegemaakt. Jij weet waar ik vandaan kom.”, zei hij.

Dat klopte. Onze ouders waren buren in de Haagse Vreeswijkstraat en zeer bevriend. Gert was van 1947. Ik ben, net als Gerts oudere broer Fred, van 1941. Ik had hem bij wijze van spreken geboren zien worden. We gingen naar dezelfde gereformeerde kerk, naar dezelfde christelijke Lagere School.

Zijn vader, directeur van een clichéfabriek,  had iets artistieks. Iets dat buiten het gangbare gereformeerde viel. Hetzelfde gold van mijn vader, die als verslaggever van de Nieuwe Haagse Courant nogal eens buiten de grenzen van de gereformeerde wereld opereerde.

Tegelijk waren onze vaders echt gereformeerd. Stevig in de leer, zij het niet in alle opzichten orthodox. Ze lieten zich door de kerk niet alles zo maar voorschrijven en dat werd ze niet altijd in dank afgenomen. Maar daar zaten ze niet mee. In de kring van het gezin hadden zij het, samen hun vrouwen, voor het zeggen. We kwamen beiden uit een hecht en liefdevol gezin.

Een plek zo solide, zo geborgen, dat Gert er zijn leven lang moed en inspiratie aan ontleende. Hetzelfde geldt voor mij.

In onze gesprekken hadden we het niet alleen over onze jeugd, maar ook over de kerk en over het geloof. Overigens meer sociologisch dan theologisch. Logisch, Gert was per slot van rekening socioloog. In het laatste nummer (1998) van het VU Magazine waar hij jarenlang hoofdredacteur van was, schreef hij over zijn jeugd in de Vreeswijkstraat. Natuurlijk spelen de kerken een rol in dat verhaal. Maar meer als gebouwen, als plekken van samenkomst. De Valkenboskerk, De Paaskerk, de Vredekerk. De kerk was een onderdeel van de bedding waarin onze levens zich indertijd afspeelden. Indertijd. Voor hem was het geloof iets van toen geworden. Iets dat hoorde bij het leven van toen. Niet iets  om je tegen af te zetten. Integendeel. Zo was het geweest en het was goed zoals het geweest was.

Behalve mij had Gert ook uitgever Jan Oegema uitgenodigd. Jan Oegema vertelde hoe het qua geloof verder met Gert was gegaan. Gert had daar zelf in 2008 over geschreven in het dagblad Trouw. In het artikel karakteriseerde hij zichzelf als transreligieus. Om uit te leggen wat hij daarmee bedoeld had, citeerde Oegema uit dat artikel:

“”Hoewel ieder etiket nieuwe misverstanden meebrengt, is ‘transreligieus’ […] wellicht een toepasselijker term dan ‘soloreligieus’. Zonder behoefte aan de verplichtende binding aan een gemeenschappelijk beleden overtuiging, hebben transreligieuzen de rivier doorwaad en staan zij, voorbij de laatste stad, in het open veld, “tegelijk verwonderd en beangst door de onbemensde ruimte”, […].

Hun uittocht was een bewuste keuze. En geheel op eigen kracht hebben zij, meestal na enige incubatietijd, de religiositeit in zichzelf herontdekt. In hun rugzak koesteren zij nog de kostbaarheden van het christelijke cultuurgoed. Attributen waarvan zij evenmin afstand kunnen doen als hun hang naar het mysterie en het sleuteltje dat past op ‘het mechaniek van de ontroering’ (Kopland).””

Gert is de enige niet die ‘transreligieus’ is geworden. Velen hebben dezelfde ontwikkeling doorgemaakt. Religie, aldus Oegema, is voor hen niet langer een vindplaats van waarheid, zoals dat was in het milieu van Gerts en mijn ouders, maar van betekenis. De houding die daar bij hoort is niet een houding van zeker weten, maar van niet-weten. Een niet-weten, dat de eeuwige vragen  (aldus Gert geciteerd  door Jan Oegema) “niet op voorhand het zwijgen [op legt] met dogma’s van godsdienstige dan wel godloochende aard”.

Ik heb het Gert niet kunnen vragen, maar ik vermoed dat hij het bij zijn afscheid van het leven met opzet zo gearrangeerd heeft. Ik moest eerst vertellen over zijn wortels, over waar hij persoonlijk en religieus vandaan kwam. Waarna Jan Oegema zou vertellen dat er enerzijds wel en anderzijds geen dikke streep onder dat verleden stond. Dat het verder was gegaan. Dat het een zoektocht was geworden. Een zoeken naar antwoord, naar een goede omgang met  lijden, met ziekte en dood, met religieuze vragen.

Gert associeerde de term “transreligieus” met de oversteek van een rivier. Hij was de rivier over gestoken en had op de andere oever zijn vroegere geloof achter gelaten. Zonder zich er tegen af te zetten. Integendeel, hij was er dankbaar voor. Zijn traditie had hem openheid bijgebracht. Openheid voor religieuze vragen. Van afstand en met ontroering keek hij terug op zijn jeugd.

Gert dichtte. In de poëzie zocht hij naar niet te bevatten geheimen. Ook in poëzie kan iets oplichten van betekenis die zich achter de woorden laat vermoeden. Iets van waarheid, maar een heel andere waarheid dan vroeger. Deze waarheid leidt niet tot weten, maar licht bij in ons niet-weten.

Misschien moet je wel religieus opgevoed zijn om zo te blijven zoeken.

Een vesper in de Dorpskerk

pkerkB

In februari 2014, nu al weer ruim anderhalf jaar geleden, schreef ik op deze site over de ruzie in mijn Dorpskerk. Het ging over de predikant. Een deel van de gemeente en de helft van de kerkenraad kon hem luchten noch zien. De andere helft kerkenraadsleden had het goed met hem maar toen die één voor één waren uitgerookt en opgestapt, lag de weg open voor een menselijk zowel als kerkelijk zeer schadelijke afzettingsprocedure. Intussen is de predikant al weer bijna een jaar weg. Hij woont in een klein huisje in een naburig dorp en houdt zich wonderbaarlijk staande. Zijn reputatie is zeer ernstig, wellicht voorgoed beschadigd. Bij sollicitaties ondervindt hij veel hinder van wat het hele proces in negatieve zin aan Google heeft bijgedragen. De pastorie, riant gelegen in het centrum van het mooie dorp, is voor twee jaar verhuurd aan een buitenstaander. Het kerkbezoek is dramatisch teruggelopen.

Arjan Plaisir, de secretaris van de PKN, zei onlangs dat we moeten wennen aan de gedachte dat niet ieder dorp of stad een eigen protestantse kerk zal hebben. Zo’n verdamping, heb ik ervaren, hoeft lang niet altijd door secularisatie te komen. Een kerkelijke gemeente is zeer goed in staat zichzelf de das om te doen en het geldende kerkrecht heeft niets in huis om zo’n ontwikkeling te keren. Integendeel, ze versterkt haar.

Intussen probeert een waarnemend predikant de zaak weer wat op orde te brengen. Zo is hij begonnen met een vesper op iedere eerste zondag van de maand. Een vesper draait om stilte. Er kan gepreekt of uitgelegd worden, maar dat hoeft niet. Er wordt een psalm gelezen. De lofzang van Maria heeft een vaste plek. Misschien, zo was de gedachte, moeten we na alle boze en heftige woorden maar eens beginnen met stilte.

Ik besloot er heen te gaan. Bij dat besluit zat ook koppigheid. Koppigheid om me mijn Dorpskerk niet te laten ontnemen, me er niet uit te laten werken, zoals de kerk altijd de verliezers van een conflict eruit gewerkt heeft: van Arminius via Geelkerken tot Schilder. Het vesper begon om half zes. Ik was er tien minuten van te voren. Ik duwde de deur van de kerk open. Lang geleden dat ik dat gedaan had. Wie zou ik aantreffen? Onmiddellijk hoorde ik de muziek. Er zaten mensen in de kerk. En een koor. Wat ik hoorde, was het koor. De dominee die voor zou gaan in de vesper, zat op een bankje in het voorportaal. Wat goed, dacht ik, dat zo veel mensen gekomen zijn, dat er zelfs een koor is en dat ze met elkaar oefenen. De dominee zal wel wachten tot ze uitgeoefend zijn. Maar zo was het niet. Wat ik hoorde was het slot van een concert. Net het laatste deel. Een toegift zat er niet in, zei de leider van het koor, vanwege een vesper. De kerk stroomde leeg. Niemand bleef, op drie man na. De symboliek van de leegstromende kerk en slechts een paar die blijven, trof me. Uiteindelijk bleven we met zeven man over. Met de organist, de dominee en de koster meegeteld, kwamen we net op tien. Precies het getal dat nodig is voor een dienst in de synagoge. Het vesper begon en meteen viel er iets van me af. Door de stilte. De psalm, die we lazen en zongen. De muziek. Dat we met zo weinig waren deerde me niet. Het was of er iets op zijn plaats viel, of je voelde dat de Dorpskerk lang geleden hiervoor gebouwd was. Voor stilte en samenzijn. Ik zal niet zeggen dat ik de aanwezigheid van God voelde. Dat gaat meteen al weer zo ver. Maar iets van een glimp, van verbondenheid met wat ons overstijgt, van verbondenheid met elkaar had ik wel. Het troostte me.

De dominee las uit het evangelie van Matteüs over de walmende vlas pit die niet zal uitdoven en het geknakte riet dat niet zal breken. En dat voelde ik ook. De Kerk verdwijnt niet zo maar. Godzijdank hangt haar aanwezigheid niet af van volhouden op de huidige manier. Na al het geruzie en geharrewar ben ik daar uitgesproken sceptisch over. Ze bestaat zo lang er een paar mensen bij elkaar komen om een psalm te lezen, een lied te zingen, met elkaar stil te zijn. Meer is niet nodig. Saamhorige aanwezigheid als opnieuw beginnen.

De Passiespelen van Tegelen

passie1

We waren in Tegelen. Voor de Passiespelen. Ze worden er om de vijf jaar gehouden. Niet in de passietijd, zoals je misschien zou verwachten. Maar van mei tot september iedere zondag. Dit jaar is het weer zover. Het schiet al op. Dertien september voor het laatst. Daarna pas weer in 2020. Een vriend is betrokken bij de organisatie. Zo kwam ik er.

Uit mezelf zou ik er niet zo gauw heen gaan. Oberammergau, Beieren, katholiek, en een snuif anti-joods. Dat zijn mijn associaties bij Passiespelen. Een vooroordeel. En onterecht nog ook. In Oberammergau waar de Spelen één keer in de tien jaar gehouden worden, lag het accent, zo las ik op hun Website, de laatste keer (2010) op Jezus’ oproep tot radicale bekering, zijn liefde voor alle mensen, onafhankelijk van ras, geslacht of stand en de ergernis die dat opriep. Een universele boodschap waar niets anti-joods bij is.

In Tegelen waren er niet zulke theologisch gemotiveerde speciale accenten. We zagen ‘gewoon’ het verhaal van de kruisiging. Met als enige theologische ingreep dat het Spel begint en eindigt met de Emmaüsgangers. Daardoor wordt het verteld vanuit de Opstanding en eindigt het niet, zoals de Mattheuspassion, met Jezus’ dood en begrafenis.

Ik hoorde dat de rollen (allemaal gespeeld door amateurs uit de Tegelense samenleving) al twee jaar voor de uitvoering worden toebedeeld en dat dat altijd de nodige spanningen oproept. Sowieso al door het onvermijdelijke “Waarom hij (of zij) wel en ik niet?”, maar deze keer ook doordat de regisseur voor de Christusrol een Marokkaanse leraar aan een Middelbare School had uitgekozen. “Kan een moslim zo’n rol wel geloofwaardig spelen?” “Moet je van alle kandidaten nu juist een moslim kiezen voor deze rol?”. Dat waren de vragen. Het Bestuur van de Spelen weerstond de druk en bleef achter zijn regisseur staan. Terecht. De Christus rol werd prachtig vertolkt.

Wat we zagen, was spektakel. Stel je voor (zie boven) : een brede, overdekte, oplopende tribune voor zo’n 2500 mensen. De tribune kijkt uit op een openluchtpodium met twee niveaus. Vijfenzeventig meter breed en 45 meter diep. Over de volle breedte en diepte gebeurt van alles. Je komt ogen en oren tekort. Romeinse soldaten halen kruisen neer en richten ze elders weer op. In de tempel, het grote gebouw in het midden, zijn Schriftgeleerden met elkaar in discussie. Je herkent de hogepriester aan zijn gouden borstplaat en mompelt voor je zelf “de efod” (kennis van de Lagere School die klaarblijkelijk nooit verloren is gegaan). Op een lager niveau is het rumoerig, soms chaotisch en in al dat lawaai, geroep en gedoe ontrolt zich het verhaal. Met aan het einde de gevangenneming van Jezus, zijn geseling (‘echte’ bloedrode strepen op zijn rug) en kruisiging. Met om het kruis van Jezus heen de andere kruisen met de misdadigers die respectievelijk vloeken of bidden. Precies zoals het er staat.

In vergelijking met de discipelen (met uitzondering van Petrus, maar die is door zijn verloochening meer een tragische figuur en Judas die zichzelf na zijn verraad spectaculair ophangt door van een muur te springen) zijn de vrouwen veel aanweziger. Vooral Maria Magdalena trekt de aandacht, al was het maar door een décolleté zo diep dat daar tot op de millimeter met het Bestuur over onderhandeld moet zijn. Al wordt het verhaal letterlijk verteld, zonder interpretatie gaat dat natuurlijk niet. Pontius Pilatus is een aarzelende magistraat. Eerder een filosoof dan een keiharde opportunist. Getrouwd met een wijze vrouw, naar wie hij helaas niet luistert. En de schriftgeleerden? Zij zijn bang voor opstand en staan op hun religieuze strepen. Net als in de evangeliën blijven uiteindelijk twee aanklachten tegen Jezus op de zeef liggen. Hij zou de tempel verwoesten en in drie dagen opbouwen en hij noemt zichzelf de Zoon van God. Twee joodse zonden die volgens joods recht om bestraffing vragen.

Ik heb de spelen in Oberammergau in 2010 niet gezien, maar uit wat ik op de Website in de samenvatting las, leid ik af dat de veroordeling van Jezus daar vooral gebaseerd was op zijn oproep tot bekering, hand in hand met ergernis over zijn veel te losse omgang met hoeren, tollenaars en zondaren. Een Jezus zoals de Grootinquisiteur van Dostojewski opzoekt in de gevangenis. Een mens vol liefde, zonder oordeel, de belichaming van een vrijheid waar de Kerk van de Grootinquisiteur niets van moest hebben.

Tegelen volgt de evangelieverhalen en laat daardoor, net als de evangeliën, zien hoezeer Jezus’ dood en veroordeling een joodse aangelegenheid zijn geweest. “’t En zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u kruisten……., ik ben ’t, o Heer, ik ben ’t die u dit heb gedaan.”, dichtte Jacob Revius. Ik zing het graag, maar in Tegelen kon ik toch moeilijk om de joodse tempelautoriteiten heen.
Anderzijds: zo is het nu eenmaal gelopen. Of althans, zo is het opgeschreven. Toch had ik de Schriftgeleerden liever wat aarzelender, minder triomfantelijk gezien, meer bekommerd om de gevolgen van hun daden. Zeg maar tragischer. Want dat is het: een tragisch drama dat zich als een onvermijdelijkheid voltrekt. Chaotisch, willekeurig, sjoemelend met het recht. In een uithoek van een wereldrijk. En toch het begin van een wereldgodsdienst. Normaal al nauwelijks te bevatten en al helemaal niet als het letterlijk voor je ogen wordt nagespeeld.
Tenslotte hangt er een bebloed lichaam levenloos aan het kruis.

passie2

Ik kijk er naar en besef scherper dan ooit de absurditeit van mijn geloof: deze bebloede, doodgemartelde en doorstoken man heeft God doen kennen. Rauw en pijnlijk, zo zonder theologische verpakking. Meer vragen dan antwoorden. Een mysterie. Een groot mysterie.

Interview door Elsbeth Gruteke

Deze week werd ik over mijn boek Aartje geïnterviewd door Elsbeth Gruteke van de EO. Het gesprek wordt a.s. zaterdag, 27 juni, van 20.00 tot 21.00 uur uitgezonden op Radio 5 (middengolf 747). Voor wie dat wil, is het vanaf vandaag, namiddag, ook via Internet te beluisteren. Dit is de link: :  http://www.eo.nl/radio5/programmas/onderweg/

« Oudere berichten

© 2016 Jan Greven

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑

%d bloggers liken dit: