Jan Greven

Het denken blijft doorgaan

Betonblokken

Als u dit leest ligt de Blaricumse Kermis (BK) al weer een maand achter ons. Maar nu, nu ik dit schrijf, niet. Nu is het woensdag 23 augustus. De eerste zomerse dag van augustus en de laatste dag van de BK. Ik vind kermis wel mooi. Vroeger was het volgens mij vooral boerenlol. Nu zie ik veel opa’s en oma’s met kleinkinderen. Met daarnaast wat ik maar aanduid als ‘geroutineerd kermispubliek’. Ik zie ze alleen op de BK en vraag me altijd af waar ze de rest van het jaar zijn. Ik zou ze niet willen missen. Ze horen er bij als de oliebollenkraam.

Maar kermis moet ook meer zijn. Iets van het hele dorp. Iets van samen. Een glas in de hand, zachtjes meedeinen op de muziek. Kijken naar ringsteken, touwtrekken, of gewoon naar elkaar aan de tap van Moeke of de Oude Tak. Kermis heeft iets met saamhorigheid.

Ik ben niet zo’n “onderdompelen in de groep” type. De middagwandeling met de hond heb ik zo verlegd dat ik langs de kermisattracties loop. Beschouw het als mijn bijdrage aan de saamhorigheid. Iedere middag kijk ik mijn ogen uit. Meisjes die braaf zitten te wachten in een heen en weer machine die ze straks zo hard zal ronddraaien dat de paardenstaart ze haaks op het hoofd staat. Ze gillen het uit. Gewoon, tegenover de al lang gesloten Rabobank. Prozaïscher gebouw kun je je niet voorstellen. En toch. Pure extase.

Iets verderop trekken de botsauto’s hun banen. Ik kijk graag naar botsauto’s. Als kind al. Ik zie altijd hetzelfde. Altijd is er een man (altijd een man) die alle botsingen vermijdt en zijn wagentje over de vloer stuurt alsof hij een lading porselein van A naar B moet brengen. Altijd zijn er de uitgelaten botsers, die alleen maar willen botsen en daardoor nauwelijks vooruit komen. Altijd zijn er de chauffeurs van het gemiddelde, die gewoon rijden en dan ineens alsof ze overmand worden door een niet te weerstane drang, het stuur omgooien om te botsen. Hele generaties botsers zijn gekomen en gegaan. De types zijn gebleven. Ik kijk naar eeuwigheid. Zo maar op een woensdag. In mijn eigen dorp.

Zou het met saamhorigheid net zo zijn als met de botsautootjes? Generaties komen en gaan, gevoelens van saamhorigheid blijven? Roept het samen komen op het Oranjeweidje of aan de tap dezelfde saamhorigheidsgevoelens op als vroeger?

En dan zie ik de betonblokken. Het zijn er drie. Ze liggen aan begin en einde van de afgesloten straten. “Verstandig”, denk ik, “veilig achter de blokken”. Toch verschuift er iets. De blokken laten zien dat er iets van de vanzelfsprekendheid weg is. Heeft dat invloed op mijn gevoel van saamhorigheid? Wordt het er door meer naar binnen gericht? Meer als contrast met de boze buitenwereld?
De blokken bepalen me er bij dat saamhorigheid niet als vanzelf komt aanwaaien. Je moet er iets voor doen. In de eerste plaats bewust leven. En je moet je verantwoordelijk voelen. Verantwoordelijk voor de kwaliteit van je omgeving. En waakzaam. Daarom deden die betonblokken mij goed.

Zelfstandig verder?

Afbeeldingsresultaat voor blaricum

Helemaal in het begin van zijn regeerperiode wilde minister Plasterk alleen nog gemeentes met minstens 100.000 inwoners. Grote opwinding. Het 100.000-plan was snel van tafel. Maar het streven naar grotere gemeentes is gebleven. Grotere gemeentes betalen hogere salarissen en hoe beter je betaalt, hoe hoger de kwaliteit van je ambtenaren. Die hogere kwaliteit is nodig omdat de taken van de gemeentes de laatste jaren fors zijn uitgebreid. Veel van wat de Rijksoverheid vroeger deed, is nu zorg voor de gemeentes. Kunnen kleine gemeentes al die nieuwe taken aan?

Nee, zeggen rationeel ingestelde bestuurders. Kleine gemeentes zijn te klein voor al die nieuwe taken. Voeg ze daarom samen. Voeg Blaricum (krap 10.000) samen met Huizen en Laren en je hebt een gemeente van ruim 63.000 inwoners.

Uit het oogpunt van rationeel bestuur niets op aan te merken en niet toevallig het standpunt van twee partijen in de Blaricumse Raad, D66 en VVD, die, ook landelijk, rationeel bestuur hoog in het vaandel hebben staan.

Als alles alleen om rationaliteit draaide, zou de kous hiermee af zijn. Maar zo is het niet. Het opheffen van een gemeente, zeker als die gemeente samenvalt met een dorp, voelt bij mensen die zich met hun dorp verbonden voelen als een aanslag op hun identiteit. Dat maakt emoties los. Emoties die nog eens extra gevoed worden door een groeiende afkeer van een overheid die puur rationeel streeft naar grotere verbanden, strakke regels, sturing op afstand en meer bureaucratie. En dat alles van bovenaf opgelegd.

De plannen van de Provincie Noord Holland voor een Gooise herindeling met eerst drie gemeentes (waaronder waarschijnlijk één die bestaat uit Huizen, Blaricum en Laren) en op termijn één grote gemeente Gooiland roepen, stuk voor stuk, al die emoties op.

Je voelt het in de reactie op de Provincieplannen van de (plaatselijke) partijen in de Blaricumse Raad die nu eenmaal wat minder bestuurlijk rationeel en wat meer op het eigen dorp gericht zijn. Net als VVD en D66 zien ook zij dat het ambtenarenapparaat versterkt moet worden. Daarin gesteund door het CDA willen ze dat bereiken door, met handhaving van de gemeentelijke zelfstandigheid, de ambtelijke samenwerking in de BEL uit te breiden met Huizen. Zo streven ze naar het beste van twee werelden: betere ambtelijke diensten en behoud van politieke zelfstandigheid. Met acht tegen vijf (VVD en D66) heeft de Raad voor die reactie op de Provincieplannen gekozen. Laren koos al eerder voor dezelfde koers. Evenals Huizen dat de Provincieplannen het meest radicaal afwijst, absoluut zelfstandig wil blijven, pleit voor betere regionale samenwerking en de deur openzet voor een vervlechting van zijn ambtenarenapparaat met dat van de BEL.

In augustus moet de Provincie de reacties van de zeven Gooi/Vecht Gemeentes op haar plannen hebben. Hoe eensgezinder die reactie is, hoe meer die serieus genomen moet worden.  Bij onenigheid kan de Provincie haar eigen, overigens met grote stelligheid geponeerde, plannen makkelijker doorzetten. Er was immers geen breed gedragen alternatief?

En de burger? Deze burger ziet toe, begrijpt en verbaast zich over het ouderwetse, alles op macht en ratio, macho karakter van de provinciale aanpak

Een weggelopen hond

Terwijl ik voor mijn stukje van de vorige keer op deze plek luisterde hoe de Gemeenteraad de plannen voor de Bijvanckpleinen besprak, ontsnapte de hond Flash. Ik merkte het meteen bij thuiskomst. Het tuinhek stond open en dat hoort niet. Voor het huis mijn vrouw. Beetje wanhopig. Ze had er al twee uur zoeken opzitten. Ik stapte in de auto en reed ook nog een uurtje door het donkere dorp. Mijn vrouw had intussen al gebeld met de Dierenambulance. Ook daar geen bericht.

De filosoof Heidegger zei ooit dat de timmerman pas weet wat de hamer voor hem betekent als de steel van de hamer gebroken is. En zo was het. Ineens voelde ik wat de hond voor me betekent, hoe hij deel uitmaakt van mijn leven. Ik miste de ogen waarmee hij me, al lijkt hij te slapen, permanent in de gaten houdt. Iedere dag loop ik een uur. Denk je dat ik dat zonder hond zou doen? En dan ineens verdwenen.

Ook nog zonder halsband met 06-nummer. Hij was immers thuis. Van slapen kwam die nacht niet veel. Je staat toch om de twee uur even op. Maar nee, niets, nada. De volgende dag belden we met de Stichting Amivedi die een website beheert voor weggelopen huisdieren. Buitengewoon vriendelijke en meelevende mensen. Een beschrijving met foto kwam op het net. We plaatsten een bericht op Facebook en hingen een Vermist, met foto, op plaatsen waar hij vaak komt en bekend is. Er zat emotie in die oproep. Volgens sommige vrienden zelfs een beetje te. Waarschijnlijk hadden ze gelijk. Maar het voelde of ik iets kostbaars verloren had. Een mens is onvervangbaar. Een hond niet. Ik weet het. Maar toch.

Intussen meldde zich een aardige mevrouw van de Stichting Dogsearch Nederland. Zij bood aan die avond met twee speurhonden teams te gaan zoeken. “Maar”, zei ze, “hebt u al op de site Amivedi gekeken. In Nijkerk is een hond aangemeld”. Op de site zag ik een bruine hond die best Flash zou kunnen zijn. Maar Nijkerk? Eerst de A27 over en dan de Eem? Overg e z w o m m e n bij het pontje van Eemdijk of via de brug bij Eembrugge? Onwaarschijnlijk.

Ik riep mijn vrouw. De gelijkenis was frappant. We kregen een telefoonnummer. Een boerderij ergens in de polder tussen Bunschoten en Nijkerk. Ja, die ochtend had er een volledig uitgeputte hond met stuk gelopen poten voor de deur gestaan. Hij had de hele dag geslapen. Bij de dierenarts hadden ze het nummer van zijn chip uitgelezen. Ik kon het nummer voorlezen, dan wisten we of het Flash was. Ik haalde diep adem. Het voelde als examen. Het nummer klopte.

Een wonder. Ik ging hem meteen halen. Hij sprong tegen me op, maar leek het weerzien toch als iets vanzelfsprekends te zien. Natuurlijk kwam de baas hem halen. Daar was hij baas voor. Thuisgekomen viel hij meteen in slaap en liet ons met een raadsel. Hoe kon hij opduiken in Nijkerk? Meegenomen en later uit de auto gegooid of ontsnapt? Of op weg op eigen kracht? Maar waarheen en waarom?

Hanging baskets en een wipkip

Goede kans dat ik later nog eens nostalgisch terugdenk aan die mooie zomerse dinsdagavond. In de lucht iets van zorgeloosheid en ‘het kan niet kapot’. Binnen, in de raadzaal aan de Kerklaan, een rondetafelgesprek van de Raad. Met twee onderwerpen dichtbij de burger: een tweede voet/fietsbrug tussen Blaricummermeent en Bijvanck en de pleinen van de Bijvanck. Er zijn twee pleinen. Een bij het winkelcentrum en een bij de Malbak, intussen herdoopt in het Burgemeester Tydemanplein.

Stelt u zich bij die pleinplannen geen bevlogen Spaanse openbare ruimte-artiesten of Deense landschapsarchitecten voor. In Blaricum pakken we dat, degelijk en niet bevlogen, van onderop aan. Via gesprekken met omwonenden en ter plaatse opererende ondernemers. Uit die gesprekken kwam niet veel. Bewoners en ondernemers wilden niet veel. Geen overdekkingen uit angst dat hangjongeren als vliegen op de stroop op zo’n beschutte plek afkomen. Geen bomen omdat terrassen in de zomer en kerststalletjes in de winter het best op een kaal plein kunnen worden opgezet. Er komt wel wat kleur op het plein. Door hanging baskets aan de lantarenpalen en een hinkelbaan. Kleurig en toch geen obstakel. Op het Burgemeester Tydemanplein kan iets meer, maar ook niet heel veel meer, omdat ook dat plein voor activiteiten vrij moet blijven. Er wordt een plantenbak uitgegraven en omgezet in een speelruimte voor kinderen met daarin een schommel, een draaimolentje en wellicht een wipkip. Kosten van dit alles en meer: € 54.000 ex BTW.

Niet genoeg loop in winkelcentrum Bijvanck

De Raad praatte een vol uur over al deze veranderingen en mij zul je daar niet geringschattend over horen. Het gaat namelijk niet om plein-opleukertjes. Het gaat er om dat er niet genoeg loop zit in
het winkelcentrum van de Bijvanck. De pleinen zijn daardoor eerder een blinde vlek dan een pulserend hart. Ongetwijfeld heeft de inrichting van de pleinen daar iets mee te maken. Maar iets is niet
veel. Kan de Raad veel doen om meer loop, reuring en handel op het plein te krijgen? Nee, veel meer dan hanging baskets en een wipkip zit er niet in. De markt moet zijn eigen problemen oplossen.
De politiek kan slechts in de marge voorwaardenscheppend bezig zijn. Zo is het landelijk in het groot. En zo is het in het klein, als het gaat over de pleinen van de Bijvanck. Was het daarom dat ondernemers en aanwonenden schitterden door afwezigheid?

Die nostalgie

En dan is er nog iets en daarom begon ik met die nostalgie. Een complete Raad die zich bezig houdt met de inrichting van een plein, in gesprek gaat met burgers en ondernemers, en tenslotte komt met een plan. Zou je diezelfde intensiteit en aandacht houden in een vergrote gemeente? Ik denk van niet. Het gevolg? Een verder terugtreden van de politiek richting ‘hoofdzaken’ met een opvulling van de
daardoor ontstane ruimte door ambtelijk bestuur en beheer. Met als gevolg een overheid die haar macht uitbreidt in plaats van zich terugtrekt. Het tegendeel van wat diezelfde overheid met de mond
belijdt. Omdat het hier allemaal zo kleinschalig is, zie je het haarscherp voor je ogen gebeuren. Vandaar die nostalgie

Een ingenieursbeslissing

 

Het is nog licht als de Burgemeester de vergadering van de Gemeenteraad opent. De Democratie vergadert in het licht. De zon schijnt door de ramen naar binnen, zij het een ondergaande zon. Er staat niets op de agenda, waarvan je je een half jaar later nog iets zou herinneren. De Raad is er in anderhalf uur klaar mee. Om half tien zit ik al weer op de fi ets naar huis. Gelukkig was er die motie. Een motie VADO. Dat is jargon en staat voor Vreemd aan de orde van de Dag. Er zo maar, buiten de orde om, tussendoor gekomen dus. In de motie verzoeken D66, VVD en het Alternatief van Rob Bruintjes, het college van B&W om ‘objectieve en feitelijke Publieksinformatie over een (mogelijke) herindeling in het Gooi’ met als doel die informatie ‘voor het zomerreces aan de bewoners te doen toekomen’.

Ik zou zeggen: ‘Je hebt weinig aan Informatie die feitelijk noch objectief is.’ Waarom moet je dat extra onderstrepen? Het heeft iets van een bezwering. Wat is trouwens objectieve informatie als het gaat over dit onderwerp? ‘Herindeling in het Gooi’ staat immers voor ‘opheffen van Blaricum als zelfstandige gemeente’. Ik moest aan de klok denken. Een grote, houten klok. Hij hangt op de kamer van de Burgemeester. Een geschenk van de gemeente Baarn aan de gemeente Blaricum. Uit dankbaarheid. Blaricum had in de meidagen van 1940 vierduizend burgers van Baarn opgevangen, die uit hun dorp hadden moeten evacueren. Die klok staat voor gastvrijheid, openheid, zorg. Wat zou er met die klok gebeuren als Blaricum wordt opgeheven? En ik moest denken aan het Mariabeeld bij de Vituskerk. Een ontroerend monument van dankbaarheid. Na de oorlog daar neergezet omdat het dorp voor een wel verwachte verwoesting gespaard was gebleven. Hoewel ik nog niet zo lang in Blaricum woon, nog maar 25 jaar, zorgen klok en beeld voor de gedachte dat ik wel wil horen bij een gemeenschap met zo’n verleden. Zo schep ik voor mijzelf het gevoel dat ik ergens bij hoor. Als
het gaat over opheffen van de gemeente Blaricum, zoals nu in de plannen van de Provincie voor herindeling in het Gooi, gaat het om dat gevoel.

Geen publieksinformatie, hoe dubbel of driedubbel geborgd als objectief en feitelijk, verzoent me met het idee dat me iets wordt afgenomen als het dorp niet meer bestaat als politieke en bestuurlijke eenheid. De wereld is dan, opnieuw, weer een beetje onpersoonlijker en afstandelijker geworden. Zo’n herindeling lijkt een ingenieurskwestie: zet alle voors en tegens objectief en feitelijk (daar heb je die woorden weer) op een rij en neem een beslissing op rationele gronden. Maar het is niet wat het lijkt en daardoor is het dubbelzinnig. Zelfs al zou je op rationele gronden kunnen leven met het opgaan van Blaricum in een groter geheel, emotioneel kun je toch het gevoel hebben dat je iets verliest dat je dierbaar was. Ouderwets, romantisch. Ongetwijfeld. Maar de werkelijkheid zit nu eenmaal anders in elkaar dan de ingenieurs ons willen doen geloven

Wantrouwen is de moeder van de bureaucratie.

Hoe beschermt de gemeente Blaricum de privacy van haar inwoners? De vraag is extra belangrijk geworden doordat de Gemeente er allerlei taken in jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning heeft bijgekregen. Daardoor moet ze samenwerken met hulpinstanties. Welke persoonlijke gegevens mag ze delen met de hulpverleners? Zijn die gegevens dan in goede handen? Hoe controleert de Gemeente dat?

De Rekenkamer van de BEL gemeentes, een onafhankelijk onderzoeksinstituut, verplicht voor iedere gemeente, heeft al die vragen onderzocht. Haar eindrapport Privacy in het sociaal domein werd dinsdag 21 maart j.l. in de Raad besproken.

Om maar met het goede nieuws te beginnen. Er is een Privacy Protocol Sociaal Domein HBEL Er is een Handboek Informatie Beveiliging. En als extra zekering is er de ambtseed, waarin de ambtenaar zweert “….zaken die hem uit hoofde van zijn functie vertrouwelijk ter kennis komen …. geheim te houden voor anderen dan de personen die zij ambtshalve op de hoogte moet stellen.” Toezicht en bewaking van de privacyregels heeft de BEL overgedragen aan Huizen (zie de H in HBEL).

Ik denk eigenlijk dat Protocol, Handboek, Ambtseed en Toezicht vijfentwintig jaar geleden genoeg zouden zijn geweest. Iedereen weet waar hij of zij aan toe is. Bovendien, als extra zekering, staat iedereen onder ede en is er een competente toezichthouder in verband met risico’s en bewaking.

Die tijd ligt achter ons. Zou er nog iemand zijn die durft te zeggen: we hebben de zaken overgedragen aan de gemeente Huizen; de mensen daar zijn competent; bovendien zijn onze ambtenaren gebonden aan hun eed; via Huizen letten we scherp op risico’s en ontwikkelingen en als er op dat punt iets te melden is, horen we het wel? Iemand, kortom, die uitgaat van vertrouwen? Goede kans dat zo iemand als zorgeloos en incompetent wordt weggezet.

Deze tijd begint met argwaan, stelt vragen als : Heeft Huizen als verantwoordelijke voor de uitvoering een risicoanalyse uitgevoerd? Heeft Blaricum erop aangedrongen dat zo’n risicoanalyse er kwam? Heeft Blaricum, toen de gemeente het toezicht op naleving van de regels aan Huizen overdroeg, afspraken gemaakt over de wijze waarop Huizen dat toezicht uitvoert? Rapporteert Huizen daar geregeld over en krijgt Blaricum op regelmatige basis een signalering over de diverse risico’s?

Anders gezegd : je kunt toezicht zo maar niet aan een toezichthouder overlaten. Je moet zorgen voor toezicht op de toezichthouder. De Rekenkamer is daar heel helder over: de toezichthouder moet rapporteren, zich verantwoorden, analyses maken, waarschuwen en jij, gemeente Blaricum, moet daar als opdrachtgever op toezien en eisen dat dat gebeurt! Dieprood is de kleur in het Rapport als het daar over gaat: Niet goed! Aandacht!

Trek minimaal maar één extra ambtenaar uit om dat alarmerende rood te veranderen in geruststellend groen. Dat is dan weer een ambtenaar om andere ambtenaren te controleren en rapporten te schrijven. Weer een vergadering omdat het nu eenmaal weer tijd is voor een rapportage en de Gemeente anders verdacht zou kunnen worden van nonchalance bij zo’n gevoelig onderwerp als privacy.

Wantrouwen is de moeder van de bureaucratie.

Melancholie bij een arhi-procedure

Nooit geweten wat een arhi-procedure is. Maar nu wel. Arhi staat voor Algemene regels Herindeling en regelt de procedure bij gemeentelijke herindelingen. De Provincie Noord Holland is zo’n procedure gestart omdat zij in de Gooi en Vechtstreek van zeven naar drie gemeentes wil. Welke drie wil de Provincie niet zeggen, maar die terughoudendheid lijkt me eerder ingegeven door politieke calculatie dan door onzekerheid, want de brief waarin de Provincie de Arhi aankondigt, ademt een geest van vastberaden besluitvaardigheid. Er moet gefuseerd. Basta.

Ik heb in mijn arbeidzame leven bij het dagblad Trouw en het krantenconcern PCM een paar fusies meegemaakt. Uit die ervaring weet ik dat het besluit over een fusie niet het zwaarste karwei is. Veel zwaarder is wat er na de fusie komt. Als twee organisaties met ieder een eigen cultuur die alles tot in de kleinste details, van het aanbod in de kantine tot de wijze van personeelsbeoordeling, doortrokken heeft, met elkaar vervlochten moeten worden. Dan begint het pas.

Nog twintig jaar na de fusie van het dagblad Trouw met de zogenaamde Rotterdammer Bladen wist iedereen op de redactie nog precies wie “uit Rotterdam” kwam en wie van het Amsterdamse Trouw. Later maakte ik de fusie tussen het Rotterdamse NDU, uitgever van Algemeen Dagblad en NRC Handelsblad en de Amsterdamse Perscombinatie met Trouw en De Volkskrant mee. Ondanks alle inspanning heeft het fusiebedrijf PCM niet gebracht wat de directies voor ogen stond toen ze tot de fusie besloten. PCM bestaat niet meer.

Niets, helemaal niets van deze zorgen over de praktijk van het fuseren vind ik in de brief van de Provincie. Cultuurverschillen tussen het protestantse vissersdorp Huizen en de katholieke, agrarische gemeentes Blaricum en Laren? Verschil tussen Blaricum met HeienWei en Laren met Laarder Courant de Bel? Niets dat er op wijst dat daar een seconde over nagedacht is. Zo’n brief van de Provincie laat zich lezen als een oekaze van het voormalig keizerlijke Chinese Hof: een product van hoogwaardige bureaucratie.

Zou de overgang van zeven naar drie gemeentes de burger dichterbij of verderaf van de plaatselijke politiek brengen? Ik denk het laatste. Maar de burger moest toch juist dichter bij de politiek gebracht worden? Of maak ik me zorgen om niks? Kan het hedendaagse burgers, zolang zij paspoort en rijbewijs maar vlak om de deur kunnen halen, niet meer schelen waar het gemeentehuis staat Leeft het op handen staande opheffen van de gemeente Blaricum bij de inwoners? Ik merk er weinig van. Ik merk niets van actiebereidheid. Ik denk eigenlijk dat de gemeente, net als de kerk, al lang uit de belevingswereld van de Blaricummers is verdwenen. Alleen bij ruzie flakkert de interesse even op.

Het zal dus allemaal wel doorgaan. Goede kans op Huizen, Laren en Blaricum in één gemeente. Bestuur op afstand en een bureaucratie die stuurt. Adequaat, doelgericht. Niemand wordt gehoord, niemand voelt zich gehoord. Soms halen we onze schouders op. Het zal onze tijd wel duren. Soms worden we ineens kwaad: we worden niet gehoord!!

Soms word ik daar melancholiek van.

Red de krant!?

Het gaat niet goed met de Gooi en Eemlander.  Advertenties lopen terug, lezers zeggen op. En nu moet een kwart van de journalisten weg. Schokkend nieuws voor wie de regionale krant een warm hart toe draagt. Bij de Blaricumse Raad is daar geen misverstand over. Als hart onder de riem nam de Raad op 24 januari jl. een motie “Behoud Regionale Pers” aan met daarin de opdracht aan zichzelf  “noodzaak en belang van een regionaal onafhankelijk dagblad te onderstrepen en uit te dragen.”

De verslaggever van de Gooi en Eemlander was de hele vergadering aanwezig. Knap moeilijk om zo’n vergadering in een handzaam twee kolommetje te verslaan, dacht ik toen ik hem daar zo achter zijn tafeltje zag,. Ik had me geen zorgen hoeven maken. De verslaggever beperkte zijn raadsverslag tot de motie over zijn krant. Verstandig. Veel meer nieuws zat er verder niet in. Ook al omdat de ruzie over de aanbesteding van de kunstgrasvelden van BVV’31, waarover de gemoederen de vorige keer zo hoog waren opgelopen, op voor een buitenstaander onnavolgbare wijze gesust bleek.

Saai dus, die vergadering? Nee, helemaal niet. Er werd hard gewerkt en soms ook nog venijnig gedebatteerd. Maar nieuws? Aan de orde was het Bestemmingsplan Dorp. De vorige dateerde van tien jaar terug. Er moest een nieuwe komen. Van wie dat moest? Van de Provincie natuurlijk. De Raad is meer en meer uitvoerder geworden van de bureaucratische wensen van Rijk en Provincie.

Zo’n bestemmingsplan wordt zorgvuldig aangepakt. Op tafel lag een Nota van Uitgangspunten. Dat moet leiden tot een Voorontwerp. Dat weer tot een Ontwerp Bestemmingsplan en dan pas is er een Bestemmingsplan. Intussen had er al een Centrumvisie ter tafel gelegen. We maakten dus stap 2 van in totaal 5 stappen mee. Op de publieke tribune zaten tien man.

In feite kampt de Raad met hetzelfde probleem als De Gooi en Eemlander. Beide komen uit een vroegere periode. Uit een tijd dat de Raad het dorp bestuurde en de krant daarover berichtte. Kleinschalig, dicht bij huis, herkenbaar. Die tijd is voorbij. De Raad bestuurt het dorp niet meer. Dat doet een anonieme bureaucratie in Den Haag en Haarlem. De lezer van vroeger, de lezer die zich betrokken voelde bij zijn regio, die over Weesp even graag las als over Hilversum, ook al woonde hij in Blaricum, die lezer is goeddeels weg.

Ik ga niet romantisch doen, maar constateer wel dat er in die tijd een gevoel was van gemeenschap. Een idee van bij elkaar horen. Een idee dat als een wolk boven ons leek te zweven en dat ons met elkaar verbond. Als lezers van de Gooi en Eemlander.  De hoofdredacteur van de Gooi en Eemlander, Guus Pikkemaat, wás iemand in Het Gooi. Als Blaricummers. Als inwoners van het Gooi.

Die wolk is weg. En niets, zelfs de beste bedoeling niet, krijgt haar terug.

Toch is er nog een Raad. Toch is er nog een krant. Beide staan voor iets dat je niet zou willen missen. Maar meer dan een motie zit er niet in.

Wederzijdse afhankelijkheid?

In 2015 waren er in onze regio Gooi en Vechtstreek zeshonderdzesenveertig gevallen van zo ernstig verward gedrag, dat de politie er aan te pas moest komen. Vijftien daarvan in Blaricum. In datzelfde jaar waren er in ons dorp zesentwintig meldingen van huiselijk geweld. In 2016 zal het daar ook op uitkomen. Gemiddeld één keer in de twee weken uit de hand gelopen drama met politie om te sussen.
De nieuwe wet WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) heeft de aanpak van deze en andere psychische en maatschappelijk problemen bij de gemeentes gelegd. Dat is nogal wat. Gemeentes als Laren of Blaricum zijn gewoon te klein voor die taak. Terecht dan ook dat dit facet van de WMO regionaal is aangepakt. Met als resultaat Echte betrokkenheid, wederzijdse afhankelijkheid, een regionaal beleidsplan Bescherming & Opvang dat, nog als concept, dertien december j.l. in de Raad werd besproken.


In het heldere en goed doordachte plan komt alles aan de orde wat er om ons heen misgaat. Het gaat over mensen die, ineens psychotisch, de boel afbreken. Over vrouwen en bejaarden die worden mishandeld en over kinderen voor wie het thuis niet meer veilig is. Over daklozen, verslaafden, verwardheid en (woon)overlast. Vaak acute problemen, die allemaal verschillend zijn, maar wel stante pede om een oplossing vragen en waarbij ervaring van het grootste belang is. Vandaar dat vanwege de schaalgrootte regionale samenwerking zo belangrijk is.

Ik vond die titel Echte betrokkenheid, wederzijdse afhankelijkheid wel interessant.  “Echte” betrokkenheid is er pas, stelt het plan, als mensen voelen dat ze mee kunnen beslissen over de aanpak van hun problemen. Daarbij moeten ze kunnen rekenen op een even “echte” betrokkenheid bij de gemeente.

Het plan ademt rust en tijd voor een goede aanpak. Onder leiding van een regisseur. Geen overbodige luxe, want er zijn nogal wat hulpverlenende instanties. Ik heb er elf geteld. Van politie en reclassering via Veilig Wonen naar aanbieders van geestelijke gezondheids- en verslavingszorg. Soms heb je te maken met strafrecht, dan weer met bestuursrecht (bijzondere opnames psychiatrie, tijdelijke huisverboden), dan weer met de woningwet en nog veel meer. Zo wat alles is geregeld in dit land. Helaas houdt de werkelijkheid zich zelden aan onze regelingen en indelingen. Vandaar die regisseur met, gelukkig maar, doorzettingsmacht.

Als er zo veel hulpinstanties zijn dat er een aparte regisseur nodig is voor de onderlinge afstemming, hoe reëel is het dan te veronderstellen dat de hulpvrager om wie het allemaal begonnen is, en die meestal toch al in een zwakke positie verkeert, “echt betrokken” mee kan beslissen over zijn eigen situatie?  In een acute crisis is die kans sowieso heel klein. Acute crisis vraagt beslissingen in het belang van slachtoffers en samenleving en die staan meestal haaks op wat de man of vrouw in crisis als zijn/haar belang ziet. Maar als de ergste crisis voorbij is? Dan wel? Wat stellen we ons voor van de beslissingskracht bij mishandelde kinderen, geestelijk uit de rails gelopen ouderen of verslaafden? Hoe “echt” betrokken kunnen die zijn? En wat bedoelt het rapport met “wederzijdse afhankelijkheid”? De woorden veronderstellen gelijkwaardigheid. Is die er in crisissituaties? Afhankelijkheid bij de hulpvragers? Ja, zeker. Maar bij de hulpverleners? Het verbaast me niet dat ik die “wederzijdse afhankelijkheid”, behalve in de titel, nergens in het beleidsplan tegen ben gekomen. Voor mij hoeft dat ook niet. Het gaat om hulpverlening aan mensen die hun autonomie (even of voorgoed) kwijt zijn. De gemeenschap, wij met elkaar, doen daar wat aan. Daar is goed en helder over nagedacht. Met als doel herstel van onafhankelijkheid of, als dat er niet meer in zit, opvang bij blijvende afhankelijkheid.
Wie hulp zoekt, wordt daar, als het kan, zo veel mogelijk zelf bij betrokken. Maar vaak kan het niet meer. Spreek dan niet van “echt ‘betrokken en spreek al helemaal niet van wederzijdse afhankelijkheid als daar geen sprake van is. Wees helder in je uitgangspunten en windt daar geen modisch correcte doekjes om. De zaken zijn daar te ernstig voor.

Hoge Hoed

Het was een rustige raadsvergadering, afgelopen dinsdag 22 november. Op de publieke tribune niet meer dan een burger of acht. Toch ging het om hen. Om de dialoog met de burgers. Op tafel lag een rapport. Het zag er professioneel uit. Geen wonder. Opgesteld door Adviesbureau BMC, in 1986 opgericht om “de bedrijfsvoering binnen de overheid te verbeteren” en volgens de eigen website inmiddels “gerenommeerd”.

“Wat goed, zo’n dialoog.”, denk je argeloos op de publieke tribune. Al rol je van de uitkomst van het gesprek met de burgers niet van verbazing achter over. Op een regenachtige dag had je de wensen, zorgen, verwachtingen en ergernissen van de Blaricummers in een uurtje kunnen opschrijven. Maar toch. Goed dat de gemeente naar de burgers wil luisteren.

Blaricum is trouwens de enige niet die de dialoog met haar burgers is begonnen. Bij Laren en Eemnes is het niet anders. Ook met ondersteuning van BMC. Ook met een professioneel rapport. Inhoudelijk hier en daar anders. In opzet gelijk. Laren pakt het iets robuuster aan dan Blaricum. Burgemeester en wethouders kregen daar de opdracht een plan van aanpak te ontwikkelen voor een structurele dialoog met de burgers. Blaricum besloot slechts de inwoners uit te nodigen mee te praten over de wijze waarop aan het project Dialoog vervolg gegeven moet worden. Kousevoeteriger kun je het niet aanpakken.

Prachtig allemaal. Toch wringt er iets. Weet de politiek niet wat de burger wil? Zou één iemand in de Blaricumse Raad verrast zijn geweest dat de burger het goedkoper, professioneler, persoonlijker en leefbaarder wil en dat hij het meest hecht aan veiligheid, goed openbaar vervoer, goede voorzieningen, behoud van identiteit, zorgzaam samenleven en nog zo wat meer?

Waarom is die dialoog er gekomen en waarom is ze zo opgetuigd? Vanwaar, ineens, in iedere BELgemeente een rapport? Dat wijst op sturing. En dat is er ook. Helemaal aan het einde van het rapport staat het: “De voorliggende opgave voor het gemeentebestuur is om de opbrengsten uit de dialoog te verbinden met bestuurlijke scenario’s.” Dat is bureaucratisch jargon om te zeggen dat de dialoog met de burgers bedoeld is om de beslissing over de bestuurlijke toekomst van de gemeente Blaricum een zetje te geven.

Wat de burger beschouwt als doel (meer veiligheid, meer leefbaarheid), beschouwt het rapport als middel. Middel om tot een bestuur te komen dat die doelen het best kan realiseren. Tja, zo gaat het. Steeds meer. Niet de politiek, maar bestuurders en bureaucratie bepalen het traject. De burger is klant geworden. Zijn wensen worden geïnventariseerd. De beste bestuurlijke service wordt daarbij gezocht. Welke dat is, wordt bepaald in een ondoorzichtig samenspel tussen politiek, bureaucratie en adviesbureaus als BMC. Alles met de beste bedoelingen. De politiek heeft haar primaat ingeleverd en maakt zich nuttig. Door de dialoog te organiseren. Vroeger zei een politicus wat hij wilde. Wou je dat ook, dan kon je op hem stemmen. Nu staat er een hoge hoed op tafel. We stoppen onze wensen er in. Geen idee wat voor konijn er uit komt.

« Oudere berichten

© 2017 Jan Greven

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑

%d bloggers liken dit: