Image

De man leeft niet meer, maar ds. Carel ter Linden ziet hem nog zo voor zich. Het was tijdens een groothuisbezoek en ze spraken over het geloof. De man was een trouwe kerkganger. Maar geloven? “Ik geloof niet in een diepere zin van het leven”, zei hij. “Waarom is alles zoals het is? Ik weet het niet. Maar ik wil wel een zin aan mijn leven geven.”
In de loop van de jaren is Ter Linden (1933), vroeger dominee van de Haagse Kloosterkerk en bekend als predikant bij koninklijke plechtigheden, zich steeds meer in deze man gaan herkennen. De gedachte dat in deze wereld een zin zit ingebakken en dat dat Gods werk is, heeft hij geleidelijk aan laten varen. De wereld is een raadsel.
Kop noch staart dus? Nou, dat ook weer niet helemaal. We gedragen ons in elk geval niet zo. Iedere dag staan we op, poetsen onze tanden. Gaan op pad. Dat doen we niet willekeurig. We volgen bepaalde spelregels, hanteren bepaalde waarden. Die waarden zijn niet kant en klaar uit de lucht gevallen. We hebben ze met vallen en opstaan moeten leren. Vanuit een diep geworteld besef dat we niet alleen op de wereld zijn. Dat we anderen moeten helpen. Al was het maar om, als de nood aan de man komt, zelf ook geholpen te worden. Het zijn elementaire leefregels, zo zeer met leven en samenleven verbonden, dat, schrijft Ter Linden, “ men ze ging zien als in wezen door God zelf met dit leven ‘gegeven’”.
Met dat ‘men’ doelt hij op het oude Israël, het volk van de door God gegeven Tien Geboden. Al moet je dat ‘gegeven’ niet letterlijk nemen. Daarom zet hij het tussen aanhalingstekens. Van buitenaf doorgegeven werd er namelijk niks. Van binnenuit ontdekt des te meer. De Tien Geboden zijn niet meer, maar ook niet minder, dan elementaire in het leven ingebakken regels.
Zorg voor kinderen, is zo’n regel. Trouw aan mensen, een andere. Zoeken van recht en tegengaan van onrecht, een derde. Ter Linden noemt ze essentieel, want ze maken het bestaan mogelijk. Voor kennis van deze regels put hij niet uit eigen inzicht, maar uit “de wijsheid van het oude Israël…”. “Dat is”, schrijft hij, “wat ik geloof: dat het oude Israël …..vanuit een zeldzame intuïtie gezien heeft waarop het in dit leven aankomt.’ De mens leeft om het Essentiële, de met het leven zelf verbonden leefregels, het Geheim van het bestaan, God te ontdekken en zo zelf zin te geven aan zijn leven.
Ter Linden gelooft niet meer in een persoonlijke God. Moeilijk, spannend ook, voor een predikant die zijn leven lang over God gepreekt en met God getroost heeft. Maar net als het lijkt of hij God definitief reduceert tot een stel essentiële leefregels, doet hij een stap terug. Het ‘Geheim van het bestaan’ doet iets persoonlijks. Het zoekt contact met ons. Als een appèl. ‘God’ is een “innerlijk ervaren, beslissend appèl tot verantwoordelijk mens zijn”. In mijn ogen, aldus Ter Linden, is God, zoals Israël dat begrepen heeft, ethisch van karakter. Dus geloof gaat op in ethiek?
Nee, dat ook weer niet. Er is namelijk een levenshouding denkbaar die boven de moraal uitgaat. Iemand kan in toewijding aan een zaak zijn eigen belangen, zijn persoonlijk leven, zelfs de ethiek op het spel zetten. Kijk naar Bonhoeffer, naar de Zuid-Afrikaanse dominee Beyers Naudé. Zij kozen tegen de ethiek van hun eigen omgeving. Ze ervoeren Gods geest als een geestelijke kracht.
Persoonlijk denk ik niet dat ‘geloof’ staat of valt met een persoonlijke God. Zo betwijfel ik of de grote mystici geloofden in een persoonlijke God. Essentieel voor geloof lijkt me eerder dat er iets van buitenaf, God, een Geest, een mogelijkheid, een oplichten van het bestaan, op ons toe komt. Zo’n geloof hangt samen met gevoel. Meer dan met de daad. Het gevoel van de zachte koelte, die de profeet Elia ervoer op de berg Horeb: de koelte kwam op van buiten, maar werd van binnen uit ervaren.
Ter Lindens verbinding van geloof met wil en ethiek geeft zijn boek iets rationalistisch. De mens moet het allemaal van binnen uit zelf ontdekken. Met aan de randen toch nog iets van mysterie. Een goddelijk appèl. Maar wat dat is – is het meer dan alleen een startknop? – blijft in de lucht hangen. Beetje dubbelzinnig. Erg? Wel nee. Het boek leeft. Je voelt de worsteling. Het klopt niet allemaal, het kán ook niet kloppen. Ter Linden wil het geloof niet kwijt. Maar zijn redelijkheid ook niet. Ik zou niet kiezen als ik hem was, want dan legt het geloof het altijd af tegen het verstand en blijft er uiteindelijk niks over. Misschien is dat wel geloven: je er bij neerleggen dat het alleen vanuit de ratio gezien niet allemaal klopt en je toch openstellen voor iets van Geest, als de zachte koelte van Elia. Een mogelijkheid. Een verder gaan. Zelfs waar de ethiek is vast gelopen.

Carel ter Linden, Wat doe ik hier in GODSNAAM. Een zoektocht.
Uitgevrij De Arbeiderspers – Utrecht € 17,50